Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9056

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
20.12467
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Griekse statushouder. Eurodac.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12467


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Eliya),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en H. Shamoun als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Griekse autoriteiten op 29 maart 2019 eiser internationale bescherming hebben verleend.

2. Eiser voert in beroep aan dat onduidelijk is of hij, gezien het tijdsverloop sinds het onderzoek van verweerder in juni 2019 en het bestreden besluit, nog steeds internationale bescherming geniet in Griekenland. Het ligt op de weg van verweerder om te controleren of eiser in Griekenland nog steeds internationale bescherming geniet. Verder voert eiser aan dat de situatie voor statushouders in Griekenland zeer slecht en onmenselijk is. Eiser had geen toegang tot de gezondheidszorg en kreeg geen huisvesting toegewezen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar twee e-mails van VluchtelingenWerk Nederland van 11 juni 2020 en een artikel van de Refugee Support Aegean van 4 juni 20201.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat2. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Voorts moet uit de daaruit volgende informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Als het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is, dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, moet verweerder nader onderzoek doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de betrokken lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning, dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.

4. Vaststaat dat verweerder op 3 mei 2019 onderzoek heeft verricht in Eurodac. Hieruit blijkt dat eiser op 23 maart 2018 in Orestiada en op 3 mei 2018 nogmaals in Thessaloniki (Griekenland) een asielaanvraag heeft ingediend. Uit de bevraging blijkt dat er in Eurodac geen informatie is opgenomen over een mogelijke ‘grant of international protection’. Vervolgens heeft verweerder bij de Griekse autoriteiten een informatieverzoek ingediend overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening3. De Griekse autoriteiten hebben bij brief van 24 juni 2019 laten weten dat eiser op 29 maart 2019 de vluchtelingenstatus is verleend. Een verblijfsvergunning heeft hij niet ontvangen.

5. Nu de reactie van de Griekse autoriteiten dateert van 24 juni 2019 is de rechtbank van oordeel dat de daarin gegeven informatie niet meer actueel was toen verweerder op 15 juni 2020 het bestreden besluit nam. Voorts blijkt niet voor welke periode eiser internationale bescherming is verleend. Verweerder kon zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat ervan mag worden uitgegaan dat eiser na terugkeer in Griekenland nog steeds over een verblijfsrecht zal beschikken. Het bestreden besluit is dus niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder moet nader onderzoek doen naar de verblijfsstatus van eiser in Griekenland. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat hij nog altijd mag uitgaan van de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie, waarbij verweerder zich gesteund ziet door de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 20194. Deze uitspraak is immers niet vergelijkbaar met onderhavige situatie, nu in die zaak wél sprake was van een gering tijdsverloop tussen het onderzoek van verweerder en het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt.

6. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank ziet aanleiding verweerder de gelegenheid te geven dit gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

7. Verweerder moet op grond van art. 8:51d, eerste lid, van de Awb zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 ‘Lack of effective integration policy exposes refugees in Greece to homelessness en destitution while returns form European countries continue’, rsaegean.org 4 juni 2020.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441

3 Verordening (EU) nr. 604/2013

4 ECLI:NL:RVS:2019:2484