Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9045

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
NL20.12749 en NL20.16316
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet, ongegrond, Dublin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.12749 (verzet)

NL20.16316 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op het verzet van

[opposant 1] ,

V-nummer: [#1] en

[opposant 2] ,

V-nummer: [#2]

verder te noemen opposanten,

(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 19 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van opposanten tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Tegen deze besluiten hebben opposanten beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 14 juli 2020 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Opposanten hebben aangegeven dat zij niet op een zitting hoeven worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Nederland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van opposanten. De rechtbank heeft daartoe van belang geacht dat opposanten onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een visum afgegeven namens Nederland. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat opposanten niet onder het toepassingsbereik van artikel 10 van de Dublinverordening vallen en dat de band met de familieleden in Nederland geen reden vormen om de aanvraag aan te trekken als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening.

2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buitenzittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. Opposanten doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Familieleden van opposanten die ook afkomstig zijn uit Myanmar en rond dezelfde periode als opposanten Nederland zijn ingereisd hebben in een vergelijkbare procedure bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen gekregen in verband met de coronacrisis, in tegen stelling tot opposanten. Ter onderbouwing verwijzen opposanten naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020 (202003462/2/V2).
Voorts voeren opposanten tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat opposanten vrezen in Duitsland geen eerlijk proces te krijgen als bedoeld in artikel 6 EVRM, omdat zij voor het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand afhankelijk zijn van de Duitse autoriteiten.
Verder voeren opposanten aan dat wanneer zij worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, indirect refoulement dreigt, omdat zij door Duitsland kunnen worden overgedragen aan de Myanmarese autoriteiten waar opposanten zullen worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
In het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hebben opposanten een beroep gedaan op het Country Report Germany van Asylum Information Database (AIDA), Update 2018 waarin staat vermeld dat in Duitsland 313 aanvallen op asielzoekerscentra plaatsvonden in 2017 (pagina 81). In dit rapport is ook beschreven dat er in 2017 1906 geregistreerde gevallen waren van aanvallen op individuele asielzoekers of vluchtelingen waarbij de meeste aanvallen radicaal gemotiveerd waren. Verder blijkt uit dit rapport dat er een tekort aan opvangplaatsen is in Duitsland (pagina78). Ook wijzen opposanten op het AIDA-rapport, Update 2017, Country Report Germany, waaruit blijkt dat de faciliteiten in de opvangcentra in Duitsland niet voldoen aan de basisbehoeften (pagina 70). Voorts voeren opposanten aan dat zij niet naar Duitsland terug willen omdat de behandeling van asielzoekers daar slecht is en er slechte medische voorzieningen zijn. Ten slotte voeren opposanten aan dat ten gevolge van de coronapandemie het onwenselijk is dat opposanten aan Duitsland worden overgedragen, omdat er in de opvangcentra sprake is van overbevolking waardoor de kans op besmetting met het coronavirus aanmerkelijk hoger is dan in de Nederlandse asielzoekerscentra.

4. De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 14 juli 2020 is de rechtbank ingegaan op de in beroep aangevoerd gronden en heeft de rechtbank deze gemotiveerd weerlegd. De rechtbank stelt vast dat de gronden die opposanten in verzet naar voren hebben gebracht, niet zijn aangevoerd in beroep. De verzetprocedure kan niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Ter beoordeling ligt voor of in verzet gronden zijn aangevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat de rechtbank ten onrechte uitspraak heeft gedaan zonder zitting. Op grond van wat opposanten in verzet hebben aangevoerd ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. De rechtbank ziet in de verwijzing naar de rapporten geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het interstatelijke vertrouwensbeginsel. De passages van de rapporten waar opposanten een beroep op hebben gedaan, zijn niet gekoppeld aan eigen concrete ervaringen in Duitsland.

5. Voor wat betreft hetgeen opposanten in de voorlopige voorziening naar voren hebben gebracht overweegt de rechtbank dat op grond van het interstatelijke vertrouwensbeginsel geldt dat als zich problemen voordoen, opposanten zich voor bescherming of hulp in Duitsland kunnen wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten. Opposanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hun geen hulp of bescherming kunnen of willen bieden. Dat zelfde geldt voor de bescherming tegen de besmetting van het coronavirus. Ook op dat punt moeten opposanten zich tot de betreffende Duitse autoriteiten wenden. Niet is gebleken van bijzondere, individuele op de persoon van opposanten toegespitste omstandigheden dat opposanten niet aan Duitsland kunnen worden overgedragen.

6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

7. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.