Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9043

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
NL20.15554
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, België, opvang, indirect réfoulement, ongegrond

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2020:9044)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amersfoort Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15554

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft op 1 september 2020 via een beeld- en geluidverbinding (skype) plaatsgevonden. Op deze zitting is ook de zaak NL20.15555 behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Eiser is van oordeel dat België in strijd handelt met de Richtlijnen en de waarborgen die hieruit voortvloeien. De opvang voldoet niet aan de vereisten zoals beschreven in de Opvangrichtlijn. Daarbij zijn de detentie- en leefomstandigheden in België en de kwaliteit van de asielprocedure volgens eiser in strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

(EVRM). Eiser voert aan dat asielzoekers in België gedurende de asielprocedure geen toegang hebben tot een effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel wegens een gebrek aan rechtsbijstand. Procedures duren daarnaast onnodig lang. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om zijn relaas te doen en hij heeft daardoor zijn asielmotieven niet naar behoren kunnen aanvoeren. Dit is in strijd met Richtlijn 2005/85/EG en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij overdracht bestaat bovendien gevaar van indirect réfoulement. België heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen en kan eiser daarom uitzetten. Dit levert een ''onward expulsion'' op die in strijd is met het réfoulementverbod. Op basis van het voorgaande moet Nederland gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en het asielverzoek van eiser inhoudelijk beoordelen met toepassing van artikelen 29 en 31 Vw.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet kan.

4. Eiser heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Belgische asiel- en opvangsysteem. In het gehoor heeft eiser aangegeven dat zijn asielaanvraag in behandeling is genomen en dat hij hier ook een beslissing op heeft gehad. Verder geeft eiser aan dat hij een advocaat had in België. Het blijkt dan ook niet dat eiser niet de gelegenheid heeft gehad om zijn asielrelaas te doen en het blijkt dat hij wel rechtsbijstand heeft gehad. Verder heeft België met het claimakkoord aangegeven ook een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling te zullen nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. De situatie van eiser zal beoordeeld worden aan dezelfde criteria als in Nederland en in lijn met de verschillende Europese Richtlijnen op het gebied van asielrecht. Bij de garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen hoort ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn. De rechtbank volgt dan ook niet dat sprake is van indirect réfoulement omdat de asielaanvraag van eiser is afgewezen.

5. Eiser heeft verder zijn standpunt dat de opvang in België niet voldoet aan de vereisten uit de Opvangrichtlijn niet nader onderbouwd. Dat eiser geen opvang zou hebben gehad bij zijn opvolgende asielaanvraag in België is bovendien niet in strijd met de Richtlijnen. Ook heeft eiser verder niet onderbouwd dat de detentie- en leefomstandigheden in strijd zouden zijn met artikelen 3 en 13 van het EVRM. Daarbij ligt het op de weg van eiser om bij voorkomende problemen hierover te klagen bij de Belgische (hogere) autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of dat klagen zinloos is.

6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de omstandigheden van eiser niet dermate individueel en bijzonder zijn dat overdracht aan België van een onevenredige hardheid getuigt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

07 september 2020

Documentcode: DSR12609460

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.