Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9019

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
595330
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Afwijzing deskundigenonderzoek ex artikel 810a, tweede lid, Rv.

De Raad heeft in 2019 een uitgebreid onderzoek verricht naar het perspectief bij de moeder en geadviseerd dat het perspectief van minderjarige in het pleeggezin moet liggen. Op basis van deze rapportage heeft de kinderrechter reeds in 2019 het perspectief van minderjarige in het pleeggezin bepaald. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en bij het Hof verzocht om een deskundigenonderzoek. Het Gerechtshof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek tot onderzoek afgewezen, omdat het belang van minderjarige zich verzette tegen het laten verrichten van een dergelijk onderzoek. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het perspectief van minderjarige reeds is bepaald. Het door de advocaat van de moeder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020 en het beginsel van ‘equality of arms’ maken deze conclusie niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/595330 / JE RK 20-1544 (I) en C/09/589673 / JE RK 20-577 (II)

Datum uitspraak: 20 augustus 2020

Beschikking van de kinderrechter

I - Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

II - Verzoek ex artikel 1:262b BW

in de zaak naar aanleiding van het op 1 juli 2020 ingekomen verzoekschrift (I) van:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

en in de zaak van het op 25 mei 2020 mondeling ingediende verzoek (II) van:

[de vrouw]

advocaat: mr. R.F.P. Scheele, gevestigd te Rotterdam,

betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna ook te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele, gevestigd te Rotterdam.

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] .

[pleegouders]

hierna te noemen: de pleegouders.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 25 mei 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank is het namens de moeder voorgelegde geschil met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling (ex artikel 1:262b BW) pro forma aangehouden.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:

- voornoemde beschikking d.d. 25 mei 2020;

- het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling;

- het plan van aanpak d.d. 10 augustus 2020 van de gecertificeerde instelling;

- een plan van opbouw in de contacten tussen de moeder en [minderjarige] (ongedateerd, verzonden op 16 juni 2020) van de gecertificeerde instelling;

- het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 22 augustus 2020 als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- de e-mail, met bijlage, d.d. 3 augustus 2020 van de zijde van de advocaat van de moeder.

Ter zitting zijn door de advocaat van de moeder pleitnotities overgelegd.

Op 20 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de uithuisplaatsing ter zitting met gesloten deuren behandeld en is de behandeling van de zaak tot behandeling van het verzoek ex artikel 1:262b BW ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R.F.P. Scheele;

- de vader.

Opgeroepen en niet verschenen zijn:

- de pleegouders.

Feiten

- [minderjarige] is erkend door de vader.

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

- [minderjarige] verblijft feitelijk bij de pleegouders.

- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 20 augustus 2019 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 21 augustus 2019 tot 21 augustus 2020, alsmede voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag heeft op 15 januari 2020 voornoemde beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Verzoek en verweer

(I) Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing

Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van één jaar. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt daaraan het volgende ten grondslag. [minderjarige] is al geruime tijd uit huis geplaatst, doet het goed binnen het pleeggezin en gaat binnenkort starten met speltherapie. Het is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om in het belang van [minderjarige] te denken en oorzaak en gevolg niet kunnen overzien. Ze reageren vanuit hun emotie naar de jeugdzorgwerker waardoor er niet op zoek kan worden gegaan naar een oplossing voor de problemen. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) zal een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel van de ouders verrichten. Om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en er zeker van te zijn dat er in het belang van [minderjarige] wordt gehandeld, is een verlenging van de maatregelen noodzakelijk.

Door en namens de moeder is verweer gevoerd conform het door de advocaat ingediende verweerschrift en de verstrekte pleitnoties. Er wordt verzocht de machtiging uithuisplaatsing te verlengen voor maximaal vier maanden en het verzoek voor het overige aan te houden. Daarbij wordt verzocht een deskundigenonderzoek ex artikel 810a, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv) te gelasten bij het NIFP of Psy Drechtsteden, met als onderzoeksvraag in brede zin of [minderjarige] teruggeplaatst kan worden bij moeder, of dit in zijn belang is en zo ja op welke termijn en met elke hulpmiddelen. Waarbij de deskundige, indien er geen sprake is van terugplaatsing, ook een advies geeft over de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , inzake duur, frequentie en vooral locatie. Samengevat ligt aan het verweer en het verzoek ex artikel 810a, tweede lid, Rv het volgende ten grondslag. De gecertificeerde instelling handelt al jaren in strijd met de positieve inspanningsverplichting om de mogelijkheden tot terugplaatsing bij de moeder te onderzoeken. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling ook meerdere malen expliciet opdracht gegeven onderzoek naar het perspectief bij de moeder te doen. Dit heeft de gecertificeerde instelling tot op heden nagelaten. De rechtbank dient de touwtjes in handen te nemen en nu zelf een deskundigenonderzoek zoals voornoemd gelasten. Daarbij wordt tevens verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2020. Uit het oogpunt van equality of arms moet de moeder de kans krijgen om nu onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden tot terugplaatsing bij haar.

De vader heeft verweer gevoerd. Ter zitting heeft de vader daartoe het volgende naar voren gebracht. Het verzoek tot verlenging van de maatregelen moet worden afgewezen omdat [minderjarige] gemakkelijk weer bij een van de ouders kan wonen. De gecertificeerde instelling moet de ouders betrekken bij het hulpverleningsproces zodat [minderjarige] weer, met hulpverlening, thuis kan worden geplaatst. Er is nooit hulp voor de ouders ingezet.

(II) Geschillenregeling

Namens de moeder heeft de advocaat van de moeder aan de kinderrechter op 25 mei 2020 mondeling een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling (ex artikel 1:262b BW), te weten het al dan niet opstarten van een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] door de gecertificeerde instelling. De zaak is toen aangehouden teneinde overeenstemming over de omgang te bereiken zonder tussenkomst van de kinderrechter. Bij verweerschrift heeft de advocaat van de moeder aanvullend verzocht per direct een omgangsregeling vast te stellen. De gecertificeerde instelling heeft ingestemd met de behandeling van dit geschil. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ligt daaraan, samengevat, het volgende ten grondslag. De gecertificeerde instelling heeft al meer dan een jaar geen omgang gefaciliteerd tussen de moeder en [minderjarige] . Hiermee laat de gecertificeerde instelling na zich in te zetten de sociaal-emotionele ontwikkeling en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen middels omgang met de moeder. De rechtbank heeft al twee keer duidelijk geoordeeld dat de omgang tussen [minderjarige] op gang moet komen. De moeder wil graag dat de omgang plaatsvindt in Zoetermeer, maar de gecertificeerde instelling wil beginnen met slechts het sturen van een kaartje. Op 28 juli 2020 zijn hiertoe tijdens een gesprek tussen de gecertificeerde instelling, de moeder en een collega-advocaat, afspraken gemaakt. De moeder heeft het kaartje voor [minderjarige] verzonden, maar omdat de pleegouders op vakantie bleken te zijn, is het kaartje nog steeds niet verstrekt aan [minderjarige] . De moeder heeft dus nog geen concreet uitzicht op omgang met [minderjarige] .

De vader heeft naar voren gebracht dat hij ook graag omgang wil met [minderjarige] en niet begrijpt waarom de gezinsopname bij Harreveld is mislukt.

Namens de gecertificeerde instelling is verweer gevoerd en daartoe het volgende naar voren gebracht. Vanaf augustus 2019 ligt er een schriftelijke aanwijzing tot een omgangsregeling waarmee de ouders opnieuw in de gelegenheid worden gesteld om, na een opbouw en onder de nodige voorwaarden, opnieuw in contact te treden met [minderjarige] . De ouders hebben niet aan deze voorwaarden voldaan en daarom heeft [minderjarige] al sinds februari (de moeder) en april (de vader) 2019 geen contact meer met zijn ouders. Half juni 2020 is een stappenplan opgesteld en naar de moeder gestuurd om te kijken of er kan gebouwd kan worden aan contactherstel. De moeder is afhoudend en wantrouwend richting hulpverlening waardoor zij haar eigen proces blokkeert. Hierdoor is het voor de jeugdbeschermer moeizaam geweest om met de moeder te kunnen praten over het voorgestelde stappenplan. Inmiddels heeft dit gesprek plaatsgevonden en komende week wordt het door de moeder verstuurde kaartje aan [minderjarige] verstrekt.

Beoordeling

(I) Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn en dat het noodzakelijk is de ondertoezichtstelling te verlengen als verzocht. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.

De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] bestaan uit het hierna volgende. [minderjarige] heeft in zijn jonge leven veel meegemaakt. Hij werd in de thuissituatie langdurig blootgesteld aan huiselijk geweld tussen de ouders, het huis was onhygiënisch, [minderjarige] had geen passend dag- en nachtritme, de moeder had een grote weerstand jegens de hulpverleningsinstanties, er was geen zicht op de opvoedsituatie en de thuissituatie was fysiek onveilig voor hem. Er waren bij [minderjarige] veel blauwe plekken en bulten waargenomen die vermoedelijk zijn ontstaan doordat hij meerdere malen was gevallen. Inmiddels ontwikkelt [minderjarige] zich goed in het pleeggezin, maar deze ontwikkeling is door zijn kwetsbaarheid erg fragiel. Het is daarom extra belangrijk dat [minderjarige] op een veilige en stabiele plek opgroeit. De kinderrechter heeft reeds geoordeeld dat deze plek in het pleeggezin ligt. Deze plaatsing dient daarom middels een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing worden gewaarborgd, in afwachting van de resultaten van het onderzoek gezagsbeëindigende maatregel dat door de Raad zal worden gestart.

Verzoek tot onderzoek ex artikel 810a, tweede lid, Rv

Namens de moeder is verzocht een deskundigenonderzoek zoals bedoeld in artikel 810a, tweede lid, Rv te gelasten zodat de mogelijkheid tot terugplaatsing bij de moeder kan worden onderzocht en, indien wordt geoordeeld dat het perspectief niet bij de moeder ligt, een advies kan worden gegeven over de omgang.

De kinderrechter wijst dit verzoek af en overweegt daartoe het volgende.

De Raad heeft een uitgebreid onderzoek verricht naar het perspectief bij de moeder en in zijn rapport van 22 juli 2019 geadviseerd dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin moet liggen. Uit het raadsrapport blijkt dat er meerdere zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] in zijn relatie tot zijn gedrag zijn in de contacten met zijn moeder zijn, waarbij hij na de omgangsmomenten lijkt te dissociëren en gedragsproblemen vertoont. Dit maakt dat het verrichten van een nieuw onderzoek risico op schade voor [minderjarige] met zich meebrengt, hetgeen moet worden vermeden.

Op basis van deze rapportage heeft de kinderrechter reeds bij beschikking van 20 augustus 2019 het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin bepaald. Daartoe werd toen overwogen dat de aanvaardbare termijn waarbinnen [minderjarige] , zonder dat dit zijn ontwikkeling schaadt, duidelijkheid moest krijgen over de vraag waar hij verder zal opgroeien, was verstreken. Het inzetten van een terugplaatsingstraject was niet meer in zijn belang. Hij moest vanuit een veilige, rustige en stabiele opvoedsituatie bij de pleegouders de kans krijgen om zijn trauma’s te verwerken en zich verder te ontwikkelen.

De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en heeft verzocht om een onderzoek ex artikel 810a, tweede lid, Rv. Het Gerechtshof heeft bij beschikking van 15 januari 2020 de bestreden beschikking bekrachtigd en het verzoek tot onderzoek afgewezen, omdat het belang van [minderjarige] , zoals dat bleek uit het rapport van de Raad van 22 juli 2019, zich verzette tegen het laten verrichten van een dergelijk onderzoek.

Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het perspectief van [minderjarige] reeds is bepaald. Hetgeen namens de moeder is gesteld, vormt naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende grond om het perspectief van [minderjarige] opnieuw te bepalen op basis van een nieuw onderzoek. Het door de advocaat van de moeder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2020 en het beginsel van ‘equality of arms’ maken deze conclusie niet anders. De kinderrechter wijst daarom het hernieuwde verzoek tot het verrichten van een deskundigenonderzoek ter bepaling van het perspectief af. Voor wat betreft de vormgeving van de omgang is de kinderrechter van oordeel dat een dergelijk onderzoek thans evenmin aan de orde is. Er is nu een concreet stappenplan tot opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder voorhanden. De eerste fase van dit stappenplan is onlangs in werking gezet en het is belangrijk dat dit plan nu eerst van de grond komt.

(II) Geschillenregeling

De kinderrechter heeft een vergelijk tussen de betrokkenen beproefd, maar stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is. De kinderrechter wijst het in het kader van artikel 1:262b BW ingediende verzoek tot vaststellen van een nieuwe omgangsregeling, af. Daartoe is redengevend dat er reeds een concreet stappenplan tot opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder voorhanden is. De eerste fase van dit stappenplan is onlangs in werking gezet en het is belangrijk dat dit plan van de grond komt. De kinderrechter acht het van groot belang dat het stappenplan met voortvarendheid wordt ingezet, zonder onnodige vertragingen zoals deze zich in de afgelopen weken hebben voorgedaan. Uiteraard rekening houdend met de belangen van [minderjarige] bij de beslissing of en wanneer de volgende stap zal worden gezet. De kinderrechter verwacht dat alle partijen hieraan hun medewerking verlenen. Voorts overweegt de kinderrechter dat het verzoek zich niet uitstrekt tot het bepalen van omgang tussen [minderjarige] en de vader, maar dat de vader ter zitting wel heeft aangegeven graag omgang met zijn zoon te willen. Op dit moment worden hiertoe geen concrete stappen gezet. De kinderrechter roept de gecertificeerde instelling op om de mogelijkheden te onderzoeken tot omgang tussen [minderjarige] en zijn vader en, indien mogelijk, hiertoe eveneens een concreet plan te maken.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de omgangsregeling geldt zoals vastgesteld bij schriftelijke aanwijzing d.d. 9 augustus 2019, aangevuld door het plan van opbouw in de contacten tussen de moeder en [minderjarige] , dat op 16 juni 2020 aan de moeder is verstrekt.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

(I) Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 21 augustus 2020 tot 21 augustus 2021 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;

en

verlengt de aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 21 augustus 2020 tot 21 augustus 2021, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(II) Geschillenregeling

de kinderrechter wijst het in het kader van artikel 1:262b BW ingediende verzoek tot vaststellen van een nieuwe omgangsregeling, af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020 door mr. E.C.M. Bouman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Plette als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking voor zover deze strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging uithuisplaatsing kan worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.

Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat de beslissing in het kader van de geschillenregeling (ex 1:262b BW) geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.