Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9018

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
C/09/595188
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naarmate een pleeggezinplaatsing in het gedwongen kader langer duurt, wordt steeds belangrijker dat duidelijk geregeld is welke bevoegdheden de ouders (nog) hebben, welke de GI die belast is met de uitvoering van de maatregelen en welke bevoegdheden de pleegouders en het pleegkind hebben. Hoe bijvoorbeeld te handelen als pleegouders met hun pleegkind uitstapjes willen maken of voor korte of langere duur op vakantie willen, al dan niet naar het buitenland, en de ouders van dat pleegkind daarvoor geen toestemming geven? Is die toestemming wel nodig, kunnen de pleegouders daar eventueel zelfstandig over beslissen en/of valt dat onder de reikwijdte van de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat de instemming van de GI voldoet? Kinderrechters blijken van mening te verschillen over deze kwestie. Om die reden heeft de rechtbank het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De rechtbank heeft een aantal vragen geformuleerd en de ouders en de GI worden in de gelegenheid gesteld daarop te reageren voordat deze aan de Hoge Raad worden voorgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0226
RFR 2021/11
FJR 2021/24.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: C/09/595188 / JE RK 20-1523

Datum uitspraak: 14 september 2020

Beschikking van de Meervoudige Kamer

Verzoeken ex artikel 1:262b BW, artikel 3:302 BW en artikel 392 Rv

in de zaak naar aanleiding van het op 29 juni 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (verder: de gecertificeerde instelling/GI),

betreffende:

- [minderjarige]geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. I. Aardoom-Fuchs, kantoorhoudende te Gouda,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. H.P.J. van Eerden, kantoorhoudende te Den Haag, en

[pleegouders] ,

hierna te noemen: de pleegouders.

1. Het procesverloop

1.1 Bij beschikking van 13 juli 2020 heeft de rechtbank in deze zaak de pleegouders toestemming verleend om in de periode van 7 augustus 2020 tot en met 29 augustus 2020 met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Spanje. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij zich nader zou beraden op de overige verzoeken en daarover uiterlijk zou beslissen op 15 september 2020, of zoveel eerder als mogelijk is.

1.2 Voor een overzicht van het procesverloop tot 13 juli 2020 en de feiten in deze procedure verwijst de rechtbank naar de beschikking van 13 juli 2020.

2. Verzoek en verweer

2.2 De verzoeken van de zijde van de gecertificeerde instelling die thans nog aanhangig zijn, betreffen:

I. ex artikel 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor recht te verklaren dat in de rechtsverhouding tussen Jeugdbescherming west Zuid-Holland en de ouder(s), Jeugdbescherming west Zuid-Holland als gecertificeerde instelling in de zin van

art. 1.1. Jeugdwet belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, binnen de reikwijdte van de machtiging tot uithuisplaatsing bevoegd is toestemming te verlenen aan de pleegouders voor meerdaagse uitstapjes en vakanties met [minderjarige] in Nederland en naar het buitenland;

II. ex artikel 392 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad ter beantwoording van de rechtsvraag of de bevoegdheid, binnen de reikwijdte van de machtiging tot uithuisplaatsing, toestemming te verlenen voor een vakantie of uitstapje met het pleeggezin in Nederland of naar het buitenland toekomt aan de gecertificeerde instelling of voorbehouden blijft aan de gezag dragende ouder(s);

dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

2.3 Van de zijde van de ouders is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 juli 2020 verweer gevoerd tegen het onder I verzochte. Dat verweer komt er kort gezegd op neer dat zij vinden dat aan de ouders ook na een uithuisplaatsing toestemming moet worden gevraagd voor vakanties van hun kind met de pleegouders. Voor wat betreft het verzoek onder II refereren de ouders zich aan het oordeel van de rechtbank.

3 Beoordeling
De reikwijdte van een machtiging tot uithuisplaatsing

3.1

Naarmate een pleeggezinplaatsing in het gedwongen kader langer duurt, wordt in zijn algemeenheid steeds belangrijker dat duidelijk is wie van de betrokken partijen – ouders, pleegouders, de GI – bevoegd is beslissingen te nemen over de minderjarige. Voor zover aangenomen moet worden dat de ouders met gezag bij een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op een aantal gebieden nog de eindverantwoordelijkheid dragen, neemt dat niet weg dat de pleegouders, om hun wettelijke taak te kunnen uitvoeren, naast de ouders beslissingen over het kind zullen moeten kunnen nemen. De wet zegt in artikel 1:247 BW dat het ouderlijk gezag het recht en de plicht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt volgens het tweede lid van voornoemd artikel mede verstaan de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Artikel 1:248 BW verklaart vervolgens het tweede lid van artikel 1:247 BW van overeenkomstige toepassing op de voogd en degene die een kind verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag toekomt. Met deze laatste aanduiding worden onder meer pleegouders bedoeld.

3.2

Wat betekent het voorgaande nu voor de praktijk van alledag bij een pleegzorgplaatsing? Door invoering van artikel 1:265e BW (gedeeltelijke gezagsoverheveling naar de GI) heeft de wetgever duidelijk gemaakt dat de uithuisplaatsing in beginsel geen gevolgen heeft voor de beslissingsbevoegdheid van de ouders met gezag voor wat betreft schoolkeuze, medische behandeling en de aanvraag van een verblijfsvergunning. In de onderhavige zaak gaat het om de vraag wie bij een machtiging tot uithuisplaatsing bevoegd is te beslissen over een vakantie of uitstapje van het kind met het pleeggezin in Nederland of naar het buitenland. Moeten de ouders van het pleegkind daarvoor toestemming geven, kunnen de pleegouders daar zelfstandig over beslissen of is de GI bevoegd om daarover te beslissen?

3.3

Rechters blijken in de praktijk verschillend te oordelen over de vraag of de ouders bij een uithuisplaatsing in het gedwongen kader zeggenschap blijven houden over het al dan niet op vakantie gaan van hun kind met de pleegouders. Voorbeelden van uitspraken waarbij uitgegaan wordt van de bevoegdheid van de GI om binnen de reikwijdte van de machtiging toestemming te verlenen voor vakanties met het pleeggezin zijn Rechtbank Midden Nederland 30 september 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:4741) en Rechtbank Den Haag 13 mei 2019 (ECLI:RBDHA:2019:5479). Voorbeelden van uitspraken waarbij de rechter uitgaat van een (uitsluitende) bevoegdheid hiertoe van de met het gezag belaste ouders zijn Rechtbank Den Haag 19 juli 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14830), Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 april 2019 (ECLI:NL:RBZWB :2019:2449), Rechtbank Gelderland 23 juli 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2016:6290) en Rechtbank Gelderland 12 december 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:7159). In deze uitspraken werd er overigens wel vanuit gegaan dat de GI via de geschillenregeling van artikel 1:262b BW om vervangende toestemming kan vragen. Tegen beslissingen ex artikel 1:262b BW staat geen hoger beroep open, zodat er geen beschikkingen van de hoven zijn te vinden op dit vlak.

3.4

Een argument dat pleit voor het standpunt dat ouders gedurende een uithuisplaatsing van hun kind in het gedwongen kader geen zeggenschap hebben over vakanties of uitstapjes met pleegouders is dat op grond van artikel 1.1 van de Jeugdwet pleegouders het kind als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wanneer het kind in een pleeggezin verblijft, heeft het recht op een zo harmonieus mogelijke ontwikkeling en verzorging én mogelijkheid tot opgroeien. Daar hoort zeker bij dat het kind als lid van het gezin met de pleegouders mee op vakantie kan. Het zou een niet te rechtvaardigen inbreuk op de ontwikkeling van het kind vormen als het gedurende de vakanties van het pleeggezin bijvoorbeeld tijdelijk in een ander pleeggezin moet worden geplaatst (zie hierover bijvoorbeeld Gerechtshof Den Haag 9 februari 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5718 en Gerechtshof Leeuwarden 3 juli 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD8787). Maar ook als de minderjarige geplaatst is in een gezinshuis of residentiële setting kan het in zijn ontwikkelingsbelang zijn als hij met zijn gezinshuisouders of groepsgenoten mee kan gaan op uitstapjes en/of vakanties.

3.5

Als de bevoegdheid om te beslissen over een uitstapje of een vakantie enkel bij de gezag dragende ouders ligt en deze hun toestemming onthouden, dan is de vraag op welke wijze dit aan de rechter kan worden voorgelegd. Een door de kinderrechter bekrachtigde schriftelijke aanwijzing (artikel 1:263 BW) waarbij ouders wordt opgedragen toestemming te verlenen kan mogelijk het duwtje in de rug zijn dat ouders nodig hebben om alsnog toestemming te verlenen. Zie in dit verband nog de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 juni 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1891, waarin het hof onder meer overweegt dat een GI ook bij schriftelijke aanwijzing een ouder kan opdragen een minderjarige op een bepaalde school in te schrijven. De vraag is echter, biedt dit ook daadwerkelijk een juridische grondslag voor die (vervangende) toestemming?

3.6

Zoals hiervoor genoemd zijn er kinderrechters die geschillen over vakanties van onder toezicht gestelde en uithuisgeplaatste minderjarige op grond van artikel 1:262b BW beslechten. In diverse gevallen waarin de ouder(s) met gezag expliciet aangaven niet in te stemmen met een vakantie van hun kind met pleegouders verleende de kinderrechter op verzoek van de GI vervangende toestemming. Is artikel 1:262b BW in dit kader echter de geëigende weg? Zo nee, is er dan een andere juridische modaliteit waarmee de GI ervoor kan zorgdragen dat het beslissingsrecht van ouders in dit kader wordt overruled?

3.7

Als de bevoegdheid om te beslissen over een vakantie met pleegouders niet (meer) bij de ouders ligt, heeft de GI dan de zeggenschap of mogen de pleegouders zelf beslissen over de vakantie? En geldt dan wel (bijvoorbeeld voortvloeiend uit artikel 1:262 BW) dat de GI de ouders dient te informeren over de vakantieplannen van de pleegouders? En als hierover een verschil van mening ontstaat tussen de GI en de ouders, kunnen de ouders dit geschil dan desgewenst voorleggen aan de kinderrechter op grond van artikel 1:262b BW? Voorstelbaar is namelijk dat een beoogde vakantie strijdig kan zijn met de doelen van de ondertoezichtstelling, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een korte uithuisplaatsing of een lopend traject om de kinderen thuis te plaatsen. Er kunnen ook andere redenen zijn waarom de vakantie niet in het belang van de kinderen is, bijvoorbeeld als de pleegouders naar een onveilig land willen gaan (zie hierover voornoemde uitspraak van de Rechtbank Midden Nederland van 30 september 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:4741), of dat de voorgenomen vakantie de contacten tussen de ouders en het kind beperken.

3.8

Het bovenstaande geeft aanleiding om de vragen 1a tot en met 1h bij onderdeel 4.2 te stellen.

3.9

Een andere kwestie die in de rechtspraktijk speelt en eveneens op de reikwijdte van een machtiging tot uithuisplaatsing ziet, houdt verband met artikel 1:265a BW. Op grond van dit artikel geschiedt, als sprake is van een ondertoezichtstelling, plaatsing van een minderjarige buiten het gezin uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing. In de praktijk komt het echter geregeld voor dat kinderen bijvoorbeeld tijdens vakanties of één of twee weekenden per maand in een weekendpleeggezin, weekendhuis of gezinshuis verblijven gedurende een langere periode, ter ontlasting van de ouder(s) en om (eventueel opnieuw) een uithuisplaatsing te voorkomen. Dit gebeurt vaak met instemming van de ouders, maar zonder machtiging van de kinderrechter.

3.10

De vraag is of gelet op het wettelijke kader ook in dit soort situaties toetsing door de kinderrechter vereist is. Ook als er geen enkele vrees bestaat dat (een van) de ouders de weekendplaatsing voortijdig afbreekt/afbreken en dus voor een crisis-/spoedsituatie evenmin hoeft te worden gevreesd? En maakt de instemming van alle betrokkenen verschil? En hoe zit het met een weekendje logeren bij grootouders? Is er dan sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid met betrekking tot de verzorging en opvoeding, waarvoor een machtiging nodig is? De Rechtbank Roermond heeft op 11 november 2009 (ECLI:NL:RBROE:2009:BK2959) overwogen dat het systeem van regelgeving met betrekking tot de uithuisplaatsing er niet op gericht is tijdelijk, gedurende een steeds terugkerende korte periode, de minderjarige onder de invloedssfeer van een derde te brengen en de minderjarige overigens bij haar verzorgers te laten opgroeien. De minderjarige wordt niet onttrokken aan (de zorg van) haar verzorgers, nu er bij een weekendplaatsing geen sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid met betrekking tot opvoeden en verzorgen. Uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding is derhalve niet aan de orde, aldus de rechtbank Roermond destijds. Houdt deze overweging echter ook stand in het licht van het in 2015 in werking getreden artikel 1:265a BW?

3.11

In het verlengde van het voorgaande dient zich de vraag aan hoe het zit in de situatie dat een kind met een machtiging uithuisplaatsing bij pleegouders is geplaatst en het kind bijvoorbeeld ter ontlasting van de pleegouders één keer per maand een weekend naar bijvoorbeeld een zorgboerderij gaat. Is in dat geval een nadere machtiging voor een andere categorie vereist? En, indien zo’n nadere machtiging niet vereist is, hoe kunnen de ouders dan daartegen ageren als zij het met de gang van zaken niet eens zijn?

3.12

Dit geeft aanleiding om na te noemen vragen onder 2a en 2b bij onderdeel 4.2 te stellen.

3.13

Er is nog een kwestie die verband houdt met de reikwijdte en gevolgen van een machtiging tot uithuisplaatsing en relevant is in dit kader. Als de rechter eerder op verzoek van de ouders een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (ex artikel 1:253a BW bij gezamenlijk gezag) of een omgangsregeling (ex artikel 1:377a BW, bij eenhoofdig gezag) heeft vastgesteld, dan wordt algemeen aangenomen dat een ondertoezichtstelling op zichzelf niet van invloed is op die eerdere rechterlijke beslissing (zie het artikel van B. Laterveer, “Kinderbeschermingsmaatregelen in combinatie met omgang”, FJR 2017/45, hoofdstuk 2). Maar hoe zit het als nadien door de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitgesproken? Houdt de ouder bij wie het kind tot het moment van de uithuisplaatsing niet de gewone verblijfplaats had, ook na de uithuisplaatsing recht op dezelfde contactfrequentie? De Rechtbank Amsterdam oordeelde op 21 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:809) dat ondanks een uithuisplaatsing de eerder door de rechter vastgestelde contactregeling moest worden hervat, omdat van deze contactregeling door de GI (nog) geen wijziging was verzocht. Het is echter vaak zo dat de uithuisplaatsing is uitgesproken omdat het hele ‘systeem’, inclusief de niet-verzorgende ouder een ontwikkelingsbedreiging vormt. Dan zou het in strijd met het doel van de uithuisplaatsing en het belang van de minderjarige zijn als de eerder vastgestelde contactregeling onverkort blijft gelden.

3.14

Het voorgaande houdt ook verband met de uitspraak van de Hoge Raad van

14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321). In die uitspraak beantwoordt de Hoge Raad prejudiciële vragen die de Rechtbank Den Haag op 29 maart 2018 heeft gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2018:3561). De vragen betreffen onder meer de reikwijdte van artikel 1:265f BW en artikel 1:265g BW en de bevoegdheid van een GI zelfstandig een eerdere rechterlijke beschikking inzake omgang opzij te zetten. Uit de antwoorden van de Hoge Raad volgt onder meer dat:

- artikel 1:265f BW alleen geldt voor uithuisplaatsingen. Als alleen sprake is van een ondertoezichtstelling (OTS) (zonder uithuisplaatsing), kan de GI (enkel) op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW de kinderrechter verzoeken voor de duur van de OTS een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen (of te wijzigen). De GI kan dat niet met een schriftelijke aanwijzing regelen.

- een GI op grond van artikel 1:265f, eerste lid, BW de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind kan beperken, tenzij er reeds een omgangsregeling (waaronder een regeling als bedoeld in art. 1:265f, tweede lid, BW) door de rechter is vastgesteld. In dat geval kan de GI (enkel) de kinderrechter verzoeken voor de duur van de OTS deze regeling te wijzigen op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW.

- een GI niet zelfstandig een eerdere rechterlijke beschikking inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of omgang wijzigen en in dat kader ook niet zelfstandig een tijdelijke maatregel kan treffen.

Als wordt aangenomen dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet van invloed is op de door een rechter vastgestelde contactregeling ten behoeve van de niet-verzorgende ouder, hoe verhoudt zich dat dan met de vragen hieronder gesteld onder 1a tot en met 1j, mede in het licht van voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018? Hebben degenen die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige zijn belast dan bijvoorbeeld de eerder de door een rechter vastgestelde contactregeling ten behoeve van de niet-verzorgende ouder onverkort te eerbiedigen als zij met de minderjarige op vakantie willen? En dienen zij of de GI zich dan tot de rechter te wenden als zij wijziging wensen van de eerder door de rechter vastgestelde contactregeling?

3.15

Het voorgaande geeft aanleiding na te noemen vragen onder 3a en 3b bij onderdeel 4.2 te stellen.

4 Aanleiding tot prejudiciële vragen

4.1

Gelet op de hiervoor omschreven onduidelijkheden zal de rechtbank op de voet van artikel 392 e.v. Rv de Hoge Raad de hierna genoemde prejudiciële vragen stellen. Antwoord op de vragen 1a, 1b, 1d, 1e, 1f, 1g, 1h en 1i is zonder meer vereist om op de verzoeken van de GI, die in de onderhavige zaak ter beoordeling voorliggen te kunnen beslissen. Daarnaast is het antwoord op alle vragen rechtstreeks van belang voor de beslissing in talrijke andere soortgelijke kinderbeschermingszaken waarin zich dezelfde vragen voordoen.

4.2

De vragen:

1a Wanneer een kind uit huis is geplaatst op grond van artikel 1:265b BW, hebben degenen die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige zijn belast dan toestemming nodig van de met gezag belaste ouder(s) als zij met de minderjarige op vakantie willen gaan?

1b Maakt het voor het antwoord op vraag 1a uit of diegenen die belast zijn met de dagelijkse verzorging en opvoeding pleegouders, gezinshuisouders of verzorgers binnen een residentiële instelling zijn?

1d Maakt het voor het antwoord op vraag 1a uit of het gaat om een uitstapje van bijvoorbeeld één of twee dagen, dan wel een korte of langere vakantie? En speelt de plaats van bestemming (binnenland of buitenland) in dit kader een rol?

1e Als de goedkeuring nodig is van de met gezag belaste ouders, is dan altijd de goedkeuring van beide ouders vereist, of volstaat de goedkeuring van één van hen?

1f Als de goedkeuring van de met gezag belaste ouder(s) niet vereist is, kunnen de pleegouders, gezinshuisouders of verzorgers binnen een residentiële instelling dan zelfstandig over een uitstapje en/of vakantie beslissen of dient de GI daarvoor dan formeel goedkeuring te verlenen?

1g Als de goedkeuring van de met gezag belaste ouder(s) vereist is, kan de GI dan op grond van artikel 1:262b BW vervangende toestemming vragen aan de kinderrechter als toestemming wordt geweigerd? Zo nee, is er dan een juridische modaliteit waarmee de GI ervoor kan zorgdragen dat het beslissingsrecht van ouders in dit kader wordt overruled?

1h Als de goedkeuring van de met gezag belaste ouder(s) niet vereist is, kan een geschil over de vakantie dan toch op grond van artikel 1:262b BW aan de kinderrechter worden voorgelegd?

2a Als sprake is van een ondertoezichtstelling, is een machtiging tot uithuisplaatsing ex artikel 1:265b BW dan altijd vereist indien een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin verblijft voor een korte telkens terugkerende periode, zoals tijdens vakanties of weekenden? Is er sprake van een omslagpunt? En zo ja, waar ligt dat omslagpunt? In ieder geval wordt verzocht concreet aan te geven of:

– een machtiging tot uithuisplaatsing is vereist voor een verblijf van één of twee weekenden per maand in een weekendpleeggezin, weekendhuis of gezinshuis gedurende een langere periode;

– het daarbij verschil maakt of alle betrokkenen, in het bijzonder de met gezag belaste ouder(s) daarmee instemmen;

2b In de situatie dat een kind met een machtiging uithuisplaatsing bij pleegouders

is geplaatst en het kind ter ontlasting van de pleegouders bijvoorbeeld één keer per maand een weekend naar een zorgboerderij gaat, is dan een nadere machtiging – voor een andere categorie – vereist? Indien zo’n nadere machtiging niet vereist is, hoe kunnen de ouders dan daartegen ageren als zij het met de gang van zaken niet eens zijn?

3a Wat is de invloed van een machtiging tot uithuisplaatsing op een eerder door de rechter vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (ex artikel 1:253a BW bij gezamenlijk gezag) of een omgangsregeling (ex artikel 1:377a BW bij eenhoofdig gezag)?

3b Als wordt aangenomen dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet van invloed is op de door een rechter vastgestelde contactregeling, hoe verhoudt zich dat dan tot de vragen hierboven gesteld onder 1a tot en met 1h, mede in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321)? Hebben degenen die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige zijn belast dan bijvoorbeeld de eerder de door een rechter vastgestelde contactregeling onverkort te eerbiedigen als zij met de minderjarige op vakantie willen? En dienen zij zich dan tot de rechter te wenden als zij wijziging wensen van de eerder door de rechter vastgestelde contactregeling?

4.3

Conform het bepaalde in artikel 392, tweede lid, Rv, zal de rechtbank, alvorens de vragen te stellen, de ouders en de GI in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen om de vragen te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

4.4

Tevens zal de rechtbank iedere verdere beslissing in deze zaak aanhouden in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de ouders en de gecertificeerde instelling zich uiterlijk 1 oktober 2020 schriftelijk dienen uit te laten over het voornemen van de rechtbank om ex artikel 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de inhoud van de aan de Hoge Raad te stellen rechtsvragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020 door mr. drs. J.E.M.G. van Wezel, mr. M.F. Baaij en mr. J.C. Sluymer, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.