Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:9017

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
C/09/589840 / HA RK 20-129
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

deelgeschil. aanrijding door rechts inhalen bij voorsorteerstroken. eigen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0748
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/589840 / HA RK 20-129

Beschikking van 15 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] te [plaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. H.J. Oosterhagen te Amsterdam,

tegen

1 [verweerder sub 1] te [plaats 2] ,

2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. te Apeldoorn,

verweerders,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Verzoekster wordt hierna [verzoekster] genoemd. Verweerders worden gezamenlijk [verweerder sub 1 cs] (in mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk [verweerder sub 1] en Achmea genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 13 maart 2020 met producties 1 tot en met 8;

  • -

    het verweerschrift van 11 juni 2020.

1.2.

Vanwege de ontwikkelingen rondom COVID-19 en de (destijds) geldende landelijke maatregelen kon in deze zaak geen fysieke mondelinge behandeling plaatsvinden. Partijen hebben vervolgens eenstemmig gekozen voor de schriftelijke procedure, die deze rechtbank gedurende de beperkende maatregelen in verband met het Corona-virus tijdelijk mede hanteert. Daarbij hebben partijen eenstemmig afgezien van hun recht op een mondelinge behandeling. Het vervolg van de procedure blijkt uit:

  • -

    het bericht van de rechtbank van 22 juni 2020 waarin partijen zijn geïnstrueerd over de in de schriftelijke toelichtingen te beantwoorden vragen en te geven onderbouwingen;

  • -

    de schriftelijke toelichting van [verzoekster] van 13 juli 2020;

  • -

    de schriftelijke toelichting van [verweerder sub 1 cs] van 28 juli 2020;

  • -

    de nadere schriftelijke toelichting van [verzoekster] van 4 augustus 2020.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 februari 2019 zijn [verzoekster] en [verweerder sub 1] , beiden als bestuurder van een auto, betrokken geraakt bij een ongeval op de Schenkkade te Den Haag net voorbij de kruising met de Carolina van Nassaustraat. [verzoekster] sloeg vanuit de Carolina van Nassaustraat rechtsaf de Schenkkade op. [verweerder sub 1] reed al op de Schenkkade. Nadat [verzoekster] de Schenkkade was opgereden, reed [verweerder sub 1] in zijn auto achter haar. De Schenkkade verbreedt zich kort na de kruising met de Carolina van Nassaustraat in drie (voor)sorteerstroken in aanloop naar de kruising tussen de Schenkkade en de Prinses Beatrixlaan.

2.2.

Kort nadat [verzoekster] de Schenkkade was opgereden, is [verweerder sub 1] met zijn auto rechts naast de auto van [verzoekster] gaan rijden teneinde rechts voor te sorteren. Vervolgens heeft [verzoekster] haar auto naar rechts gestuurd om ook op de rechter voorsorteerstrook te gaan rijden, waarna beide auto’s met de zijkanten tegen elkaar zijn aangereden (hierna: het ongeval).

2.3.

De auto van [verweerder sub 1] was ten tijde van het ongeval verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid bij Achmea.

2.4.

[verzoekster] heeft [verweerder sub 1] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Achmea heeft op 11 februari 2020 aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil op de voet van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

I. te verklaren voor recht dat het ongeval van 1 februari 2019 een onrechtmatige daad oplevert van [verweerder sub 1] jegens [verzoekster] en dat [verweerder sub 1] en/of Achmea (hoofdelijk) aansprakelijk is/zijn voor alle geleden en/of te lijden schade die het gevolg is van die onrechtmatige daad;

II. [verweerder sub 1] en/of Achmea te veroordelen tot betaling in de kosten van het geding.

3.2.

[verzoekster] voert ter onderbouwing van haar verzoek – kort gezegd – aan dat [verweerder sub 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar rechts in te halen, zodat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade.

3.3.

[verweerder sub 1 cs] voert verweer en heeft verzocht het verzoek af te wijzen. [verweerder sub 1] betwist dat hij een verkeersfout heeft gemaakt en stelt dat het juist [verzoekster] is geweest die een fout heeft gemaakt door geen rechts te houden en onvoldoende oplettend van rijstrook te wisselen.

3.4.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of - en in welke mate - [verweerder sub 1] tegenover [verzoekster] wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. [verzoekster] heeft gesteld dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is, hetgeen [verweerder sub 1 cs] gemotiveerd heeft betwist.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek, dat gegrond is op artikel 1019w Rv, zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. Een uitspraak over de aansprakelijkheid van [verweerder sub 1] kan bijdragen aan afwikkeling van de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval stelt te hebben geleden. De rechtbank zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen.

4.3.

[verzoekster] heeft gesteld dat [verweerder sub 1] haar ter plaatse niet rechts had mogen inhalen, aangezien zij nog aan het voorsorteren was. Volgens [verweerder sub 1] was [verzoekster] al voorgesorteerd op de middelste rijbaan en was het hem wel toegestaan om rechts van haar te gaan rijden. [verweerder sub 1] is overigens van mening dat hij [verzoekster] niet heeft ingehaald, nu zijn auto niet voorbij de auto van [verzoekster] is gereden.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder sub 1] [verzoekster] weldegelijk aan haar rechterzijde aan het voorbijrijden/inhalen was. Uit de stukken volgt namelijk dat [verweerder sub 1] , die aanvankelijk achter [verzoekster] reed, ten tijde van de aanrijding naast [verzoekster] reed en dat [verzoekster] niet meer dan 30 kilometer per uur reed en [verweerder sub 1] , in ieder geval naar eigen zeggen, 40 kilometer per uur.

4.5.

Op grond van artikel 11 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geschiedt inhalen links. Artikel 11 lid 2 van het RVV bepaalt dat bestuurders die links voorgesorteerd hebben en te kennen hebben gegeven dat zij naar links willen afslaan, rechts mogen worden ingehaald. Ingevolge artikel 5 WVW is het een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

4.6.

Ongeacht de vraag of [verzoekster] op het moment van het rechts inhalen door [verweerder sub 1] voor of reeds op de voorsorteerpijlen reed, hetgeen tussen partijen in discussie is, geldt het volgende. Het moet er voor worden gehouden dat [verweerder sub 1] , die al op de Schenkkade reed, [verzoekster] vanuit de Carolina van Nassaustraat vóór zich de Schenkkade op heeft zien draaien.

Het stuk weg tussen de Carolina van Nassaustraat van waaruit [verzoekster] de Schenkkade is opgereden en de voorsorteerpijlen en -stroken is zodanig kort, dat [verweerder sub 1] er naar het oordeel van de rechtbank niet vanuit had mogen gaan dat [verzoekster] na het nemen van de bocht meteen in de door haar gewenste voorsorteerbaan reed en dat zij dus meteen na haar draai de Schenkkade op al voorgesorteerd was. Hij had zich er rekenschap van moeten geven dat [verzoekster] net na het uitkomen van de bocht nog een rijstrook moest kiezen, ongeacht de draaicirkel van haar voertuig. [verweerder sub 1] had [verzoekster] de tijd en ruimte moeten geven om voor te sorteren en er op moeten anticiperen dat zij mogelijk nog van positie op de weg zou veranderen. Hij heeft dit onvoldoende gedaan, nu hij nagenoeg gelijk nadat [verzoekster] de bocht had genomen en op de Schenkkade reed haar rechts heeft gepasseerd. Niet is gebleken dat sprake was van een situatie zoals beschreven in artikel 11 lid 2 RVV. [verweerder sub 1] had [verzoekster] dus niet rechts mogen inhalen. Daarnaast heeft hij, door meteen bij de splitsing van de rijbaan in drie sorteerstroken zijn voorganger rechts te passeren en niet te anticiperen op een voorsorteerbeweging van die voorganger, gevaarzettend en dus in strijd gehandeld met artikel 5 WVW. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het handelen van [verweerder sub 1] tegenover [verzoekster] vast.

4.7.

Nu de toerekenbaarheid van het gestelde onrechtmatig handelen niet in geschil is en [verzoekster] geen schade zou hebben geleden zonder de fout van [verweerder sub 1] , betekent dit in beginsel dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is tegenover [verzoekster] voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade. Hierbij wordt opgemerkt dat de (mogelijke) verkeersfout(en) van [verzoekster] de aansprakelijkheid van [verweerder sub 1] in beginsel onverlet laten.

4.8.

Een vervolgvraag is – gelet op het standpunt van [verweerder sub 1] over de toedracht van het ongeval – of en in hoeverre sprake is van eigen schuld van [verzoekster] op de voet van artikel 6:101 BW. De in dat artikel gegeven regel komt erop neer dat als schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, een afweging van de wederzijdse causaliteit moet plaatsvinden om te bepalen hoe de schade over de benadeelde en de aansprakelijke moet worden verdeeld. Door de toepassing van deze regel wordt de schadevergoedingsverplichting van de aansprakelijke partij, in beginsel, verminderd in evenredigheid met de mate waarin de aan de aansprakelijke partij en aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. In beginsel, omdat de rechter op grond van de billijkheid tot een andere verdeling kan komen of kan bepalen dat de aansprakelijkheid volledig in stand blijft of geheel vervalt.

4.9.

[verweerder sub 1] heeft aangevoerd dat [verzoekster] een bijzondere manoeuvre uitvoerde door van rijbaan te wisselen en dat zij daarbij aan [verweerder sub 1] voorrang had moeten verlenen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Ook heeft [verzoekster] volgens [verweerder sub 1] onvoldoende opgelet en niet haar knipperlicht gebruikt. [verzoekster] heeft dit bestreden, waarbij zij heeft aangevoerd dat zij niet van rijbaan veranderde maar dat zij een rijstrook koos in het kader van voorsorteren.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat nu [verzoekster] kort na haar draai de Schenkkade op nog aan het voorsorteren was, niet kan worden gezegd dat zij al van rijbaan aan het wisselen was. Er was dus geen sprake van een situatie dat zij [verweerder sub 1] voorrang had moeten verlenen. Wel is duidelijk dat zij na haar draai min of meer in het midden van de weg was uitgekomen en haar voertuig vervolgens naar rechts stuurde. Daarmee veranderde zij wel haar rijrichting en koers op de rijbaan kort voor of reeds rijdende op de voorsorteerpijlen. Van [verzoekster] mocht daarom bij die handeling extra voorzichtigheid worden verwacht, zeker nu zij ervan op de hoogte diende te zijn dat er een voertuig achter haar reed ( [verweerder sub 1] ) dat ook zou gaan voorsorteren. Hoewel zij heeft gesteld dat zij voordat zij van rijrichting veranderde in haar rechterspiegel en over haar rechterschouder heeft gekeken, acht de rechtbank dit onwaarschijnlijk. Zij zou dan immers moeten hebben gezien dat [verweerder sub 1] haar rechts passeerde, dan wel aanstalten maakte om haar rechts in te halen. Anders dan [verzoekster] heeft gesteld, blijkt uit niets dat [verweerder sub 1] zodanig hard reed dat [verzoekster] hem niet (op tijd) heeft (kunnen) zien aankomen. Tevens kan er, gezien de discussie hieromtrent tussen partijen, niet in rechte vanuit worden gegaan dat [verzoekster] tijdig richting naar rechts heeft aangegeven voordat zij van rijrichting veranderde. Omdat het ging om een relevante zijdelingse verplaatsing was zij daartoe op grond van artikel 55 RVV wel gehouden. Gelet op de zeer korte afstand tussen het afronden van de draai door [verzoekster] en de plek van de aanrijding, moet het ervoor worden gehouden dat [verzoekster] haar beweging naar rechts vrijwel meteen na het afronden van die draai heeft ingezet en dat – zo zij haar richtingaanwijzer daarbij al heeft gebruikt zoals zij stelt – dat vrijwel gelijktijdig moet hebben gedaan met het veranderen van rijrichting. Daardoor heeft [verweerder sub 1] niet meer kunnen reageren en zijn inhaalmanoeuvre staken teneinde een aanrijding te voorkomen.

4.11.

Door bij het veranderen van rijrichting niet de benodigde voorzichtigheid te betrachten door niet goed te kijken en niet (tijdig) richting aan te geven, heeft [verzoekster] gehandeld in strijd met artikel 5 WVW en artikel 55 RVV. Het ongeval is derhalve naar het oordeel van de rechtbank mede te wijten aan het handelen van [verzoekster] zelf.

4.12.

De gestelde schade moet gelet hierop worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is van oordeel dat hoewel beide partijen verkeersfouten hebben gemaakt, de schade hoofdzakelijk het gevolg is van de fout van [verweerder sub 1] . [verzoekster] hoefde slechts in beperkte mate bedacht te zijn op de mogelijkheid op die plek al rechts te worden gepasseerd. Indien [verweerder sub 1] geduld had betracht en had gewacht met inhalen totdat duidelijk was welke rijrichting [verzoekster] zou kiezen, zoals hij als zorgvuldig verkeersdeelnemer had behoren te doen, had de aanrijding niet plaatsgevonden. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van [verzoekster] aan het ontstaan van het ongeval maakt dat de vergoedingsplicht van [verweerder sub 1 cs] met 30% moet worden verminderd.

4.13.

De rechtbank ziet in de gestelde en gebleken omstandigheden op grond van de billijkheid geen reden voor een andere verdeling dan de uitkomst op basis van de causaliteit. Dat betekent dat [verweerder sub 1 cs] 70% van de schade van [verzoekster] moet vergoeden en dat de resterende schade voor rekening van [verzoekster] blijft.

Kosten deelgeschil

4.14.

Ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen.

4.15.

Nu de advocaat van [verzoekster] geen opgave van de daadwerkelijk door hem gemaakte kosten heeft overgelegd en ook geen begroting daarvan heeft opgegeven, zal voor de berekening van de kosten aansluiting worden gezocht bij het liquidatietarief. De rechtbank zal de kosten van deze procedure derhalve in redelijkheid begroten op een bedrag van € 1.169,- (€ 1.086,- (2,0 punten × tarief € 543,-) vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 83,-).

4.16.

Nu de schadevergoedingsverplichting op de voet van artikel 6:101 BW wordt verminderd, zal de rechtbank de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten (kosten die ten titel van schade voor vergoeding in aanmerking komen) te vergoeden in dezelfde mate verminderen. Dit betekent dat een bedrag van € 818,30 voor vergoeding in aanmerking komt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [verweerder sub 1] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld;

5.2.

verklaart voor recht dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden en nog lijdt ten gevolge van die onrechtmatige daad;

5.3.

stelt de mate van eigen schuld van [verzoekster] vast op 30%;

5.4.

bepaalt dat [verweerder sub 1 cs] is gehouden 70% van de door [verzoekster] ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade aan haar te vergoeden;

5.5.

begroot de kosten van het deelgeschil op € 1.169,- en veroordeelt [verweerder sub 1 cs] tot betaling van een bedrag van € 818,30 als kosten van dit deelgeschil aan [verzoekster] ;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Willems en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.1

1 type: 2579