Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8964

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
NL20.15418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herhaalde asielaanvraag, Irak, Soennitische Arabier uit Mosul van strijdbare leeftijd, UNHCR, vermeende banden met de Baathpartij ongeloofwaardig geacht, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15418


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. A. Hol),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2020, samen met de behandeling van eisers verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL20.15419). Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en F. Haloob als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

Eiser heeft eerder aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, namelijk op 30 september 2008, 2 november 2010, 3 december 2014 en op 4 december 2018. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen. De besluiten daarover staan in rechte vast.

1.2

Eiser heeft op 7 mei 2019 de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daaraan onder meer ten grondslag gelegd dat van hem niet gevergd kan worden naar Mosul terug te keren. Eisers familieleden zijn gevlucht tijdens de bezetting van Mosul door Islamitische Staat (IS). Alle bezittingen van eisers familie zijn tijdens de inname van Mosul door het Iraakse leger verwoest. Eisers familie leeft als ontheemden in Irak, maar buiten Ninewa. Eiser wijst voorts op een rapport van UNHCR van 1 mei 2019 waaruit volgt dat mannelijke strijdbare soennitische Arabieren, afkomstig uit (voormalig) IS-gebied, afhankelijk van de omstandigheden van hun geval, in aanmerking dienen te komen voor bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag. Eiser behoort tot deze categorie en wijst daarbij op het nader gehoor van 24 november 2008 en het aanvullend gehoor van 2 november 2009. De familie [familienaam] was gelieerd aan het regime van Saddam Hussein en het is bekend dat IS steun heeft gekregen van voormalige aanhangers van dat regime.

1.3

Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft verweerder deze aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak 19 september 2019 (NL19.19478) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 19 augustus 2019 vernietigd. Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft daarbij eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van de artikelen 31 en 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2. In de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2019 staat onder meer:


"6.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het rapport van UNHCR niet als nieuw element kan worden aangemerkt. Uit het rapport volgt dat eiser tot een bepaalde categorie behoort die voor een vluchtelingenstatus in aanmerking komt, afhankelijk van individuele omstandigheden. In eerdere procedures van eiser is nooit tegengeworpen dat eiser niet tot de categorie van soennitische Arabieren ten zou behoren. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mosul en dat IS daar enige tijd aan de macht is geweest. De enkele tegenwerping van verweerder dat niet duidelijk is waarom eiser nu moet worden gezien als strijdbare soennitische Arabier, terwijl dit in de eerdere procedures door verweerder niet is tegengeworpen, volstaat in dit verband niet. Ook op de stelling van eiser, dat zijn familie is gelieerd met de Baath-partij en dat dit een 'relevant ground' kan opleveren in de zin van voornoemd UNHCR-rapport, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd weerlegd. De tegenwerping dat deze stelling niet is onderbouwd en dat eiser deze stelling eerder naar voren had kunnen brengen, acht de rechtbank onvoldoende. In de eerste asielprocedure heeft eiser dit element reeds naar voren gebracht en is dit door verweerder niet ongeloofwaardig bevonden. Toen speelde deze omstandigheid echter geen rol in zijn asielrelaas omdat de problemen ten aanzien van de algemene veiligheidssituatie in Irak in 2008 anders waren. Dit kan eiser nu niet, zonder nadere motivering, worden tegengeworpen.
Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich ook in Bagdad zou kunnen vestigen, heeft verweerder, in het licht van voornoemd UNHCR-rapport, evenmin voldoende onderzoek gedaan naar de hierin vermelde criteria. Het voorgaande betekent dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van nieuwe relevante elementen en bevindingen. De beroepsgrond slaagt."

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar dat niet geloofwaardig is dat eiser een soennitische Arabische man van strijdbare leeftijd is en dat eisers familie ontheemd is. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

4. Eiser voert, samengevat en voor zover van belang, aan dat hij voldoet aan de door UNHCR genoemde categorie in het rapport van mei 2019 en dat hij om die reden verdacht kan worden van betrokkenheid bij IS. Ten onrechte werpt verweerder tegen dat hij niet heeft geconcretiseerd dat hij strijdbaar is. Of iemand strijdbaar is, hangt af van zijn fysieke kracht en niet alleen van zijn leeftijd en is bij mannen van rond de veertig doorgaans voldoende aanwezig. Dat verweerder van hem eist dat hij aantoont dat hij naast de door UNHCR geschetste risico's voor soennitische strijdbare Arabieren extra risico loopt, gaat volgens eiser te ver. Ook maakt verweerder niet duidelijk om welke relevante individuele omstandigheden het dan moet gaan.
Daarnaast stelt eiser dat hij bij terugkeer naar Mosul ook te vrezen heeft omdat zijn familie met de Baath-partij sympathiseerde. Weliswaar was eiser zelf geen lid van de Baath-partij, noch zijn directe familie, maar eisers oom, [naam oom] [familienaam] , was gelieerd aan het regime van de Baath-partij. Zijn oom is na de val van Saddam Hoessein gouverneur van de provincie Ninewa geweest. De opmerking in de zienswijze dat deze oom vóór de val van Saddam Hoessein gouverneur was, is een kennelijke verschrijving. Uit een rapport van Rand Corporation blijkt dat zijn oom in maart 2004 uit zijn functie is ontheven wegens vermeende corruptie en banden met de Baath-partij. Het geassocieerd worden met de Baath-partij is een risicofactor. Eisers familie is Mosul ontvlucht vanwege de negatieve belangstelling door IS voor voormalig politici en militairen. De bezittingen van de familie zijn vernield en zijn familie is nu ontheemd. Zijn ouders verblijven in Duhok als ontheemden met toestemming van de Koerdische autoriteiten. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stellingen in beroep foto’s van de vernielde bezittingen overgelegd en (vertaalde) kopieën van ontheemdenpassen van zijn ouders. Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat van hem bij terugkeer verwacht mag worden dat hij kan aantonen niets te maken te hebben gehad met IS. Verweerder gaat eraan voorbij dat het UNHCR-rapport meldt dat van soennitische Arabieren sneller wordt aangenomen dat die betrokkenheid er is en hij kan niet aantonen dat hij twaalf jaar in Nederland is geweest.

4.1

In het rapport 'Protection Considerations' van UNHCR van 1 mei 2019 staat (op pagina 64), voor zover hier van belang:


"Depending on the individual circumstances of the case, UNHCR considers that civilians falling into the following categories are likely to be in need of international refugee protection on the basis of their imputed political opinion, their religious or ethnic identity, and/or other relevant grounds:
a) Sunni Arab and Sunni Turkmen men and boys of fighting age, who lived in an area under ISIS control and/or where ISIS maintains a presence;(…)"

4.2

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser een soennitische Arabier is van 40 jaar en afkomstig is uit Mosul. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft geconcretiseerd dat hij vanwege zijn leeftijd behoort tot het profiel van UNHCR. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet ‘of fighting age’ is. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom een man van 40 jaar niet ‘of fighting age’ zou kunnen zijn.

4.3

Dit laat onverlet dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het UNHCR-rapport voldoende blijkt dat de enkele omstandigheid dat eiser een soennitische strijdbare Arabier afkomstig uit IS-gebied is, niet maakt dat hij per definitie als vluchteling moet worden aangemerkt. Verweerder wijst in dit verband op de volgende formuleringen in het UNHCR-rapport: “(…)depending on the individual circumstances of the case, (…) the following categories are likely to be in need of international refugee protection (…).” De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze bewoordingen aangeven dat van eiser verwacht mag worden dat hij aanvullende individuele omstandigheden aanvoert om als vluchteling te kunnen worden aangemerkt.

4.4

In dit verband heeft eiser aangevoerd dat zijn familie gelieerd was aan de Baath-partij en dat er daarom een band gelegd zal worden tussen hem en IS. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop zijn oom als gouverneur in Ninewa is aangesteld. Eiser heeft hier in zijn asielrelaas consistent over verklaard. De opmerking hierover in de zienswijze dient als een kennelijke verschrijving van de gemachtigde van eiser te worden aangemerkt. Maar verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn familie sympathiseerde met de Baath-partij. In het aanvullend verweerschrift van 31 augustus 2020 heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2010 (AWB 10/5504). Deze uitspraak betreft het beroep tegen de afwijzende beslissing op eisers eerste asielaanvraag, waarin hij ook heeft aangevoerd dat hij vanwege banden met de Baath-partij niet terug kan keren naar Irak. Daarbij heeft hij ook gewezen op de positie die zijn oom in Ninewa innam na de val van Saddam Hoessein. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de familierelatie tussen eiser en zijn oom niet aannemelijk is gemaakt. Deze uitspraak staat vast. De rechtbank constateert dat eiser geen nieuwe informatie heeft ingebracht die maakt dat niet langer van deze uitspraak kan worden uitgegaan. Daarnaast heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hijzelf of andere familieleden (nog) gelieerd zijn aan de Baath-partij of als zodanig beschouwd kunnen worden. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij wegens die omstandigheid te vrezen heeft bij terugkeer.

4.5

Verweerder heeft eiser ook kunnen tegenwerpen dat van hem een inspanning verwacht mag worden om bij terugkeer aan te tonen dat hij niets te maken heeft gehad met IS. Zonder nadere onderbouwing van eisers kant valt niet in te zien dat dit voor eiser problematisch zou zijn, aangezien hij de afgelopen twaalf jaar in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn langdurige afwezigheid uit Irak sneller wordt gezien als sympathisant van IS. Deze stelling heeft eiser evenmin onderbouwd.

4.6

Over de in beroep overgelegde foto’s van verwoeste huizen en de vertaalde kopieën van ontheemdenpassen van zijn ouders in Koerdistan, heeft eiser ter zitting verklaard dat hij deze stukken heeft overgelegd om aan te tonen dat zijn ouders niet meer in Mosul verblijven maar in Koerdistan en dat zij Mosul moesten ontvluchten vanwege gerichte dreiging door IS. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn in het verweerschrift ingenomen primaire standpunt dat deze stukken niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden aangezien eiser deze stukken eerder had kunnen overleggen en dat heeft nagelaten. In haar uitspraak van 19 september 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat het UNHCR-rapport en de gewijzigde situatie van soennitische Arabieren ‘of fighting age’ nieuwe elementen zijn. De overgelegde foto’s en kopieën van ontheemdenpassen kunnen als onderbouwing van eisers stelling dat hij gezien deze nieuwe elementen niet terug kan keren naar Mosul in deze procedure worden betrokken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank echter wel op zijn subsidiaire standpunt kunnen stellen dat deze documenten het relaas van eiser onvoldoende ondersteunen, omdat hij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan terugkeren naar Mosul. In het verweerschrift heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de foto’s niet blijkt dat het om huizen van eisers familie gaat, wanneer de huizen zijn verwoest en waarom en door wie. Daarnaast blijkt uit de omstandigheid dat zijn ouders in Duhok verblijven, als daarvan al moet worden uitgegaan, niet dat eiser niet zelfstandig kan terugkeren naar Mosul.

4.7

De beroepsgronden slagen niet.

5. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat verweerder eisers aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.