Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8925

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
NL20.13201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of de beslistermijn met zes maanden is verlengd op grond van WBV 2020/12. Gelet op de Richtsnoeren Asiel en Migratie van 16 april 2020 van de Europese Commissie, heeft verweerder de beslistermijn van alle asielaanvragen waarvan de beslistermijn nog niet was verstreken voor de inwerkingtreding van WBV 2020/12 op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 met zes maanden verlengd. De rechtbank is van oordeel dat de tekst in artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 niet restrictief en naar de letter van de wet moet worden uitgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat WBV 2020/12 niet onrechtmatig is. Verweerder heeft de beslistermijn met zes maanden kunnen verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13201

V-nummer: [nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Eiseres heeft op 29 juni 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 20 november 2019 een asielaanvraag ingediend. Bij brief van 26 mei 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op 29 juni 2020 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. Tot op heden is geen besluit op de aanvraag van eiseres genomen.

2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.1 Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.2

3. De rechtbank stelt vast dat niet langer in geschil is dat de beslistermijn afliep op 20 mei 2020.3 Evenmin is in geschil dat verweerder geen beslissing op de aanvraag van eiseres heeft genomen.

4. In geschil is de vraag of de beslistermijn met zes maanden is verlengd op grond van WBV 2020/12, zodat de beslistermijn hierdoor pas op 20 november 2020 verstrijkt. WBV 2020/12 is gepubliceerd op 20 mei 2020 en daarin is bepaald dat alle lopende asielaanvragen met zes maanden zijn verlengd. Daaronder valt ook de aanvraag van eiseres. Eiseres stelt echter dat WBV 2020/12 niet rechtmatig is omdat geen sprake is van een situatie als genoemd in artikel 31, derde lid, onder b van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU, verder te noemen: de Richtlijn) waarin een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Ook is volgens eiseres geen sprake van één van de andere gevallen genoemd in artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, zodat er geen grondslag is in de wet om de beslistermijn te verlengen.

5. Artikel 31, derde lid van de Richtlijn is geïmplementeerd in artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000. Niet in geschil is dat geen sprake is van een situatie waarin een groot aantal asielzoekers een aanvraag indient zoals genoemd in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000, maar dat sprake is van een pandemie, een COVID-19 situatie. De vraag is of de tekst in artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 restrictief en naar de letter van de wet moet worden uitgelegd. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. De Europese Commissie heeft op 16 april 2020 Richtsnoeren Asiel en Migratie gepubliceerd.4 In de Richtsnoeren is het volgende vermeld:

“Krachtens artikel 31, lid 3, onder b), van de richtlijn asielprocedures kunnen de lidstaten de termijn van zes maanden voor het afronden van de behandeling van verzoeken met ten hoogste negen maanden verlengen wanneer een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Overwegende dat de bijzondere omstandigheden waartoe een pandemie aanleiding geeft niet zijn voorzien door de medewetgever, zouden de lidstaten die tijdelijke afwijkende bepaling moeten kunnen toepassen wanneer het in de praktijk zeer moeilijk is de termijn van zes maanden voor het afronden van de behandelingsprocedure na te leven als gevolg van de COVID-19-situatie. Deze laatste kan gezien de algehele strekking van de wetgeving en de belangen die in het geding zijn, immers dezelfde impact hebben als moeilijkheden die zich voordoen wanneer een groot aantal personen tegelijk een verzoek indient.”

Gelet op deze Richtsnoeren heeft verweerder de beslistermijn van alle asielaanvragen waarvan de beslistermijn nog niet was verstreken voor de inwerkingtreding van WBV 2020/12 op grond van artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000, met zes maanden verlengd. De noodsituatie heeft in ieder geval geduurd tot 16 mei 2020 en door het annuleren van alle gehoren en de maatregelen die in achtgenomen moesten worden, heeft zich een reservoir opgestapeld van asielaanvragen die nog moeten worden beoordeeld. Dit is vergelijkbaar met de situatie waarin een groot aantal asielzoekers tegelijk een asielverzoek indient. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het een bewuste keuze is geweest om geen bepaling op te nemen over een noodsituatie. Uit de enkele omstandigheid dat er geen bepaling is over een noodsituatie kan niet zonder meer worden afgeleid dat artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 dan ook restrictief moet worden uitgelegd. Met verweerder is de rechtbank zoals gezegd van oordeel dat een dergelijk onvoorziene situatie als de COVID-19 pandemie niet voorzien was voor de wetgever, en dat deze situatie in de afdoening van asielaanvragen hetzelfde effect heeft als wanneer veel aanvragen tegelijk worden ingediend. Om die reden dient artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 dan ook analoog te worden toegepast op deze situatie. Daarvoor vindt de rechtbank aansluiting bij het arrest CILFIT van 6 oktober 1982 (C-283/82) 4 , r.o. 20:

“Ten slotte moet elke bepaling van gemeenschapsrecht in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.”

De rechtbank is dan ook van oordeel dat WBV 2020/12 niet onrechtmatig is. Verweerder heeft de beslistermijn in de zaak van eiseres kunnen verlengen met zes maanden tot

20 november 2020.

6. Eiseres heeft verweerder op 26 mei 2020 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft eiseres op 29 juni 2020 beroep ingesteld. Omdat de beslistermijn toen nog liep (en nog steeds loopt), zijn de ingebrekestelling en het beroep prematuur. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7720.

4 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52020XC0417(07)&from=NL.