Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8893

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
C/09/597868 / FA RK 20-5575
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende rechterlijke machtiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak-/rekestnr.: C/09/597868 / FA RK 20-5575

Datum beschikking: 01 september 2020

Opvolgende rechterlijke machtiging

Beschikking naar aanleiding van het op 11 augustus 2020 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een opvolgende machtiging voor de duur van vijf jaar als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:

[de man]

hierna te noemen: cliënt,

geboren op [geboortedag] 1991, [geboorteplaats] te Joegoslavië,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in de accommodatie [verblijfplaats]

advocaat: mr. J.I. Echteld te Gouda.

Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
14 december 2018;

- de aanvraag voor een opvolgende machtiging aan het CIZ van 11 augustus 2020;

- de op 14 juli 2020 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige [arts 1] , die cliënt met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was;

- een verklaring van de zorgaanbieder [verblijfplaats] waarin cliënt is opgenomen van 8 juli 2020;

- het zorgplan van 10 mei 2020.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 01 september 2020.

Bij die gelegenheid zijn op grond van artikel 2 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid de navolgende personen gelijktijdig telefonisch gehoord door de rechtbank omdat het houden van een fysieke zitting vanwege de geldende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het coronavirus niet mogelijk was:

- de AVG- [arts 2] ;

- de [gedragsdeskundige] ;

- de (waarnemend) [persoonlijk begeleider]

- de advocaat.

De rechter heeft vastgesteld dat cliënt niet bereid was zich te doen horen in het bijzijn van de anderen. De (waarnemend) [persoonlijk begeleider] heeft namens de rechter aan hem gevraagd of hij bij de zitting aanwezig wilde zijn. Hierop antwoordde cliënt: “liever niet”. Op de vraag of hij iets tegen de rechter wilde zeggen zei hij: “het liefst wil ik hier weg”. Ciënt is verder niet aanwezig geweest bij de behandeling van het verzoek.

Standpunten ter zitting

De advocaat heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift opgesteld. Deze houdt kort en zakelijke weergegeven in:

  • -

    dat er niet voldaan is aan de criteria van de Wzd;

  • -

    dat cliënt niet goed testbaar is en dus niet is komen vast te staan dat de verstandelijke beperking van cliënt op de voorgrond staat;

  • -

    dat, als er al sprake is van een machtiging, cliënt in de Wvggz thuishoort, niet de Wzd;

  • -

    dat de opgestelde medische verklaring een exacte kopie is van de medische verklaring uit 2019, en tevens opgesteld door dezelfde psychiater. De advocaat vraagt zich dan ook af hoe actueel deze verklaring is en hoe onafhankelijk en objectief de psychiater is;

  • -

    dat de termijn van 5 jaar een te ingrijpende vrijheidsbenemende maatregel is terwijl niet vaststaat wat de verstandelijke beperking van cliënt is;

  • -

    dat het verzoek wordt behandeld zonder dat cliënt een rechter ziet in strijd is met art. 5 EVRM.

De AVG-arts verklaart dat er geen twijfel bestaat over de aanwezigheid van een (licht) verstandelijke beperking bij cliënt, naast de diagnose schizofrenie. Hij verblijft nu ook in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, en dus valt hij onder de Wzd. Wanneer er wordt beslist dat cliënt onder de Wvggz valt dan kan hij niet langer bij [verblijfplaats] blijven

Omdat er, gelet op de opstapeling van de rechterlijke machtigingen uit het verleden en de huidige situatie, geen verbetering op korte termijn wordt verwacht wordt de machtiging voor de duur van 5 jaar gevraagd. Cliënt zal de rest van zijn leven een strak regime nodig hebben om op een manier te kunnen functioneren die geen gevaar oplevert. Tevens is er gedacht aan de onrust die een zitting elke keer weer meebrengt voor cliënt. Cliënt is ruim 6-8 weken voorafgaand aan een zitting erg onrustig wat kan leiden tot meer agressie, wanen en medicatieweigering.

De arts verklaart dat de medische verklaring onder andere gebaseerd is op het dossier en dat deze gegevens niet veranderen. Hoe cliënt nu functioneert is ook vergelijkbaar met vorig jaar. De arts benadrukt dat de [arts 1] cliënt wel degelijk heeft bezocht op de woning en dus (wederom) een zelfstandig onderzoek heeft uitgevoerd.

De gedragsdeskundige verklaart dat cliënt volgende week, net als de hele woonvoorziening, naar een nieuw pand zal verhuizen, en daar een eigen appartement zal krijgen. Cliënt is hier erg enthousiast over en ook trots.

Op een vraag van de advocaat of het wegloopgedrag (en daarop volgende drugsgebruik) van cliënt waarover wordt gesproken in de medische verklaring komt door de verstandelijke beperking of schizofrenie antwoordt de arts dat dat lastig te bepalen is nu dat beide bij cliënt aan de orde is. Cliënt is niet achterdochtig. Hij vindt zichzelf slim genoeg maar kan zijn eigen functioneren niet goed inschatten. Dat zijn meer kenmerken van de beperking.

De advocaat pleit voor afwijzing van het verzoek, subsidiair niet ontvankelijkheid van het verzoek, meer subsidiair toewijzen van een zorgmachtiging in plaats van rechterlijke machtiging, gelet op de wens van haar cliënt, het te laat indienen van het verzoek en nu er niet is voldaan aan de criteria van de wet, zeker niet voor een termijn van 5 jaar.

Beoordeling

Op 20 augustus 2019 is door de rechtbank een voortgezette machtiging afgegeven

onder de Wet Bopz, die expireert op 20 augustus 2020.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan een (licht) verstandelijke beperking gepaard gaand met een psychische stoornis, te weten: schizofrenie met daarbij een chronisch psychotische toestand.

De rechtbank is van oordeel dat niet relevant is of de psychische stoornis of de beperking op de voorgrond staat, nu de medische verklaring is opgesteld door een psychiater, die in beide gevallen als medisch specialist moet worden gezien. Daarnaast staat vast dat

cliënt verblijft bij [verblijfplaats] en een Wlz indicatie heeft. Om die reden valt hij onder het regime van de Wzd. Volgens zijn behandelaren is hij ook beter op zijn plek dan in andere psychiatrisch ziekenhuizen en instellingen waar hij eerder heeft verbleven op grond van de Wvggz. Cliënt functioneert mede door zijn licht verstandelijke beperking op een laag niveau waar de begeleiding en het strakke regime van [verblijfplaats] het beste op aan lijkt te sluiten.

De licht verstandelijke handicap én psychotische stoornis van cliënt leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:

  • -

    ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang;

  • -

    bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;

  • -

    de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

De voortzetting van het verblijf in een accommodatie is noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.

Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de voortzetting van het verblijf in een accommodatie. Cliënt is meermalen weggelopen

Het CIZ stelt dat de lopende machtiging vanaf 1 januari 2020 is voortgezet onder de Wet zorg en dwang wat het (opvolgende) verzoek voor een termijn van 5 jaar rechtvaardigt. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Het voorliggende verzoek betreft een eerste aanvraag voor een rechterlijke machtiging onder de Wzd. Op grond van art. 39 lid 4 Wzd heeft de eerste rechterlijke machtiging een maximale geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden. Echter, gelet op de hiervoor omschreven bijzondere situatie van cliënt acht de rechtbank een machtiging van 6 maanden in dit specifieke geval te kort. De arts heeft ter zitting verklaard dat er geen verbetering op korte termijn wordt verwacht en cliënt de rest van zijn leven een strak regime nodig heeft. Ook is er gedacht aan de onrust die een zitting elke keer weer met zich meebrengt.

Gelet hierop zal de machtiging, in afwijking van de door het CIZ verzochte termijn, worden verleend voor één jaar, en geldt aldus tot en met 20 augustus 2021. Nadrukkelijk is besproken dat bij een verzoek tot een opvolgende machtiging wederom zal worden besproken welke termijn voor cliënt passend is.

Beslissing

De rechtbank:

verleent een opvolgende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie ten aanzien van:

[de man]

geboren op [geboortedag] 1991, [geboorteplaats] te Joegoslavië,

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 20 augustus 2021.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, rechter, bijgestaan door K.A.M. Boeije als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 01 september 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 september 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.