Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8877

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/09/595956 / KG ZA 20-638
Rechtsgebieden
Aanbestedingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontbonden raamovereenkomsten, die na een aanbestedingsprocedure tot stand waren gekomen. Inschakeling onderaannemers, terwijl in de inschrijving niet was aangegeven dat deze zouden worden ingezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/595956 / KG ZA 20-638

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 7 september 2020

in de zaak van

MUNCKHOF TAXI B.V.,

gevestigd te Horst aan de Maas,

eiseres,

advocaat mr. M.G.G. van Nisselroij te Venlo,

tegen

1 GEMEENTE DELFT,

zetelend te Delft,

2. GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND,

zetelend te Schipluiden,

3. GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP,

zetelend te Pijnacker,

4. GEMEENTE RIJSWIJK,

zetelend te Rijswijk,

5. GEMEENTE WESTLAND,

zetelend te Naaldwijk,

gedaagden,

advocaat mr. E. Bregonje te Terneuzen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Munckhof' en 'de Gemeenten'.

Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door J.W. van Leeuwen, griffier.

Verschenen zijn:

- de heer [X] , directeur van Munckhof, bijgestaan door mr. M.G.G. van Nisselroij;

- de heer [A] , senior inkoop- en contractadviseur sociaal domein bij de gemeente Delft, de heer [B] , vervoerscoördinator bij Trafficon, mevrouw [C] , inkoopadviseur bij de gemeente Westland, mevrouw [D] , juridisch adviseur bij de gemeente Westland en mevrouw [E] , beleidsmedewerker onderwijs bij de gemeente Midden-Delfland, bijgestaan door mr. E. Bregonje.

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1 De gronden van de beslissing

1.1.

Eind 2019 hebben de Gemeenten een Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd met het oog op het sluiten van raamovereenkomsten betreffende het Leerlingen- en Jeugdwetvervoer vanaf 1 augustus 2020 met een initiële looptijd van vijf jaar en een optie tot verlening van tweemaal twee jaar. De aanbesteding is verdeeld in elf percelen. Munckhof heeft ingeschreven op zeven percelen, waarbij zij aangaf dat haar eerste voorkeur uitgaat naar perceel 2. In haar inschrijving(en) heeft Munckhof niet aangegeven dat zij voor de uitvoering van de opdracht(en) één of meer onderaannemers zal inschakelen. Nadat de Gemeenten op 6 maart 2020 hadden bekengemaakt voornemens te zijn de percelen 2, 3 en 8 te gunnen aan Munckhof, zijn vervolgens tussen partijen raamovereenkomsten gesloten ter zake van die percelen. Tijdens een bespreking tussen partijen op 27 mei 2020 heeft Munckhof aangegeven dat de uitvoering van de raamovereenkomsten met eigen personeel niet lukt, omdat zij als gevolg van de Coronacrisis niet voldoende chauffeurs kan werven, en verzocht gebruik te mogen maken van onderaannemers. Op 25 juni 2020 heeft zij daartoe een formeel verzoek ingediend bij de Gemeenten. Inwilliging van het verzoek van Munckhof zou er op neerkomen dat zij de opdrachten voor 40% met eigen chauffeurs en voor 60% met chauffeurs van onderaannemers uitvoert. De Gemeenten hebben dat verzoek bij brief van 2 juli 2020 afgewezen en de raamovereenkomsten met Munckhof voor wat betreft de percelen 2 en 8 ontbonden.

1.2.

Munckhof vordert in deze procedure - zakelijk weergegeven - primair de Gemeenten (i) te gebieden toe te staan dat zij de (3) opdrachten uitvoert met de inzet van onderaannemers en de tussen partijen gesloten raamovereenkomsten met betrekking tot de percelen 2, 3 en 8 na te komen en (ii) te verbieden de opdrachten betreffende de percelen 2 en 8 door een ander dan haar te laten uitvoeren. Subsidiair vordert zij de Gemeenten te gebieden om de ontbindingsverklaring ten aanzien van perceel 2 in te trekken en de ter zake van dat perceel tussen partijen tot stand gekomen raamovereenkomst na te komen. De Gemeenten voeren gemotiveerd verweer tegen die vorderingen.

1.3.

Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

1.4.

Het beroep van de Gemeenten op het ontbreken van een spoedeisend belang bij de vorderingen wordt verworpen, aangezien Munckhof er belang bij heeft om zo snel mogelijk te weten waar zij aan toe is en een aanzienlijk financieel belang heeft bij de uitkomst van deze twist.

1.5.

Tijdens het debat op de zitting en na vragen van de voorzieningenrechter is duidelijk geworden dat in deze procedure de centrale vraag is of Munckhof de drie raamovereenkomsten met behulp van onderaannemers mag uitvoeren, ook al heeft hij zonder (de gebruikmaking van onderaannemers) ingeschreven, nu in artikel 4.3 van het op de raamovereenkomsten van toepassing zijnde VNG Model Algemene Inkoop voorwaarden voor leveringen en diensten is bepaald dat een contractant na goedkeuring van de Gemeenten de uitvoering van de overeenkomst geheel of gedeeltelijk mogen laten uitvoeren door derden/onderaannemers en in de Nota van Inlichtingen als antwoord op vraag 95 is aangegeven dat inschrijvers ervan mogen uitgaan dat de Gemeenten hun goedkeuring aan een daartoe strekkend verzoek niet op onredelijke gronden zullen onthouden.

1.6.

Het voorgaande betekent dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of de Gemeenten in redelijkheid hebben kunnen besluiten om het verzoek van Munckhof van 25 juni 2020 om bij de uitvoering van de opdrachten onderaannemers in te schakelen af te wijzen. Uitgangspunt is dat de Gemeenten daarbij de nodige vrijheid moet worden gegund, zodat de rechter bij die beoordeling terughoudendheid past.

1.7.

Ondanks vragen van de voorzieningenrechter over hetgeen tussen partijen is besproken met betrekking tot het verzoek van Munckhof is daarover de nodige onduidelijkheid blijven bestaan. Enerzijds hebben de Gemeenten weliswaar aangegeven aan de inschakeling van onderaannemers voorwaarden te stellen, wat op zichzelf begrijpelijk is, maar dat die voorwaarden ook met Munckhof zijn besproken hebben zij niet gesteld. Aan de andere kant heeft ook Munckhof het nodige opengelaten. Niet is gebleken dat zij aan de Gemeenten heeft medegedeeld hoeveel onderaannemers zij voor welke werkzaamheden wil inzetten, wie de onderaannemers zijn en voor welke termijn zij zullen worden ingeschakeld. Het is evident dat de Gemeenten daarover informatie nodig hebben alvorens afgewogen op een verzoek tot het inzetten van onderaannemers te kunnen beslissen.

1.8.

Gelet op (i) het belang van de inzet van chauffeurs bij de uitvoering van de raamovereenkomsten, (ii) de (zeer) substantiële mate waarin Munckhof onderaannemers wil inschakelen voor chauffeurswerkzaamheden en (iii) de onduidelijkheid die Munckhof heeft laten bestaan over die inzet, zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt, moet in het beperkte bestek van dit kort geding worden geconcludeerd dat de Gemeenten in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek van Munckhof.

1.9.

Voor zover Munckhof zich heeft beroepen op onvoorziene omstandigheden, in die zin dat zij als gevolg van de in maart 2020 vrij plotseling ontstane Coronacrisis niet (tijdig) voldoende chauffeurs heeft kunnen werven, wordt daaraan voorbijgegaan. In artikel 15.2 van de raamovereenkomsten is uitdrukkelijk vastgelegd dat indien een gebrek aan personeel in de weg staat aan de nakoming van de overeenkomsten dit voor rekening en risico komt van Munckhof. Daarmee heeft zij, nu zij heeft ingeschreven zonder de inschakeling van onderaannemers, in feite de Gemeenten gegarandeerd dat zij over voldoende eigen chauffeurs beschikt c.q. zal beschikken om de raamovereenkomsten uit te voeren. In die situatie komt Munckhof een beroep op onvoorziene omstandigheden niet toe.

1.10.

Ook het tijdsverloop tussen de eerste melding van Munckhof op 27 mei 2020 dat zij een beroep wil doen op onderaannemers en de beslissing van de Gemeenten op 2 juli 2020 om dat niet toe te staan kan Munckhof niet baten. Daarnaar gevraagd heeft Munckhof op de zitting aangegeven dat zij al die tijd is blijven doorgaan met het (trachten te) werven van chauffeurs. Dat tijdsverloop kan hem dus geen nadeel hebben toegebracht.

1.11.

Anders dan Munckhof stelt, behoefde zij niet in gebreke te worden gesteld voordat de Gemeenten overgingen tot de ontbinding van de raamovereenkomsten betreffende de percelen 2 en 8. Uit de aan de ontbinding op 2 juli 2020 voorafgegane mededelingen van Munckhof mochten de Gemeenten afleiden dat Munckhof zou tekortschieten in de nakoming van de raamovereenkomsten indien zij deze enkel met eigen personeel/chauffeurs dient uit te voeren. Daarmee is op grond van artikel 6:83 onder c van het Burgerlijk Wetboek het verzuim van Munckhof ingetreden zonder ingebrekestelling. Daar komt bij dat de Gemeenten op grond van artikel 19 lid 1 van de raamovereenkomsten bevoegd zijn de overeenkomsten met onmiddellijke ingang te ontbinden indien Munckhof niet in staat moet worden geacht haar daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen.

1.12.

Voor zover Munckhof met haar subsidiaire vordering tracht te bewerkstelligen dat zij - in plaats van de opdracht ter zake van perceel 3 - de opdracht betreffende (haar voorkeurs)perceel 2 mag uitvoeren, komt deze niet voor toewijzing in aanmerking. Ook hier geldt dat de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsing toekomt. De Gemeenten hebben zowel in de processtukken als op de zitting een plausibele verklaring gegeven voor hun beslissing om (enkel) de opdracht ten aanzien van perceel 3 bij Munckhof te laten. Volgens hen is daarmee het aanbestede vervoer zo veel als mogelijk gewaarborgd. Gelet hierop is er geen aanleiding om de hier aan de orde zijnde beslissing niet in stand te laten.

1.13.

De slotsom is dat de vorderingen van Munckhof zullen worden afgewezen.

1.14.

Munckhof zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijk rente zoals hieronder vermeld. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

2 De beslissing

De voorzieningenrechter:

2.1.

wijst de vorderingen van Munckhof af;

2.2.

veroordeelt Munckhof in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Gemeenten begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

2.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

J.W. van Leeuwen mr. H.J. Vetter