Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8865

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
NL19.8640
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, iMMO-rapport, vermogen om in eerste procedure te kunnen verklaren, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.9640


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Abouzeid. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Eiseres heeft op 10 januari 2013 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 januari 2013 afgewezen. Het hiertegen door eiseres ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ongegrond verklaard (AWB 13/1950). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak in hoger beroep bevestigd.

3. Op 27 oktober 2017 heeft eiseres de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij haar aanvraag heeft eiseres een forensisch medisch onderzoeksrapport van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) overgelegd, waaruit volgens eiseres blijkt dat zij ten tijde van de gehoren in haar vorige asielprocedure niet in staat was om compleet, coherent en consistent te verklaren. Ook volgt uit het rapport dat haar psychische klachten, waaronder een PTSS, typerend zijn voor het door haar gestelde asielrelaas, waaronder de verkrachting tijdens detentie. Destijds is dus ten onrechte geoordeeld dat van haar asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- herbeoordeling van de in de eerste asielprocedure gedane asielrelaas.

Het eerste element heeft verweerder vooralsnog geloofwaardig geacht. Het tweede relevante element acht verweerder nog steeds niet geloofwaardig. Eiseres komt dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.

5. Eiseres voert (samengevat) aan dat verweerder ten onrechte de conclusie van het iMMO, dat zij vanwege haar psychische klachten ten tijde van de gehoren in haar vorige asielprocedure niet compleet, coherent en consistent kon verklaren, niet deelt.

Bovendien dient het iMMO-rapport, dat een sterke indicatie vormt dat eiseres eerder in Soedan slachtoffer is geweest van mensenrechtenschendingen en waaruit volgt dat de daaruit voortvloeiende psychische klachten typerend zijn, te leiden tot de conclusie dat het asielrelaas van eiseres wel geloofwaardig is. Dit sterke medisch steunbewijs maakt dat nader onderzoek dient te worden verricht. Verweerder kan niet volstaan met de motivering dat de kern van het asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. Eiseres verwijst hiervoor naar het arrest R.V. tegen Frankrijk van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2016 (nr. 78514/14 ) en de uitspraak van het Committee Against Torture (CAT) van 9 december 2015 in de zaak van M.C. t. Nederland (nr. 56912013). Verweerder kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat het trauma één onderdeel is van het asielrelaas en hij moet daarom de situatie in Soedan ook betrekken in zijn beoordeling. De willekeurige arrestatie tijdens een betoging van personen die kritiek uitten op de Soedanese overheid, haar detentie en ondervraging door de veiligheidsdienst, de verkrachtingen door leden van de veiligheidsdienst en haar verklaring dat zij niet weet wat er met de personen is gebeurd, die gelijk met haar zijn gearresteerd, komt overeen met de informatie van USDOS van 3 maart 2017. Informatie van de Immigration and Refugee Board of Canada van 19 december 2014 bevestigt voorts dat Grifna behoort tot de kern van het protest in Soedan en eiseres werd opgepakt toen ze luisterde bij een 'street talk'. Daarnaast blijkt uit deze informatie dat vrijlating uit detentie niet betekent dat de autoriteiten geen belangstelling meer voor een (vermeende) tegenstander hebben.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt.
Het iMMO-rapport, dat als een deskundigenrapport moet worden aangemerkt, vermeldt de volgende conclusies:
- de geconstateerde psychische/ medische problematiek geeft psychische beperkingen die destijds zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren;
- de psychische problematiek die in dit onderzoek naar voren komt, wordt beoordeeld als typerend voor het gestelde asielrelaas.

Het iMMO concludeert op basis van de bevindingen uit het onderzoek dat sprake is van psychisch medisch steunbewijs.

5.2

De Afdeling heeft zijn uitspraken van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2084, ECLI:NL:RVS:2018:2085 en ECLI:NL:RVS:2018:2086) overwogen dat indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, verweerder hieraan niet voorbij kan gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt op welke wijze de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Het iMMO-rapport moet daartoe vermelden welke medische gegevens uit de periode van de gehoren zijn betrokken en of het onderzoeksformulier van de FMMU daar deel van uitmaakte. Verder moet uit het iMMO-rapport blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren, invloed heeft gehad. Voorts is vereist dat uit het rapport blijkt dat de conclusie omtrent het vermogen consistent te verklaren, niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als verweerder geen medisch deskundige inschakelt en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is.

5.3

Verweerder heeft zich in zijn reactie van 29 november 2018 op het standpunt gesteld dat het rapport niet voldoet aan de eisen zoals die zijn neergelegd door de Afdeling in de uitspraken van 27 juni 2018, omdat uit het rapport niet blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren invloed heeft gehad. Volgens verweerder is niet duidelijk op welk onderdeel van het relaas iMMO nu doelt: enkel de traumatische gebeurtenis of het gehele relaas. Dit onderscheid vindt verweerder van belang nu niet enkel de ongeloofwaardig bevonden traumatische gebeurtenis is tegengeworpen. Niet nader wordt toegelicht welke verklaringen van eiseres, gelet op het door de psychische problematiek veroorzaakte onvermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, niet langer zou mogen worden tegengeworpen. Daarnaast is verweerder van mening dat ook indien sprake is van psychische problematiek die interfereert, eiseres in staat mag worden geacht op hoofdlijnen aannemelijke verklaringen te kunnen afleggen.

5.4

De rechtbank stelt vast dat het iMMO-rapport moet worden aangemerkt als deskundigenadvies. De rechtbank dient te beoordelen of het iMMO-rapport, voor zover dat betrekking heeft op het vermogen van eiseres om consistent en coherent te verklaren, voldoet aan de vereisten zoals die voortvloeien uit de hiervoor genoemde uitspraken. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of het iMMO-rapport concludent en inzichtelijk tot stand is gekomen en of het iMMO-rapport voldoet aan het onderdelenvereiste.

5.5

Uit het iMMO rapport volgt dat het iMMO uitvoerig onderzoek heeft gedaan door middel van anamnese, tests en medische stukken en al deze relevante informatie heeft betrokken bij zijn conclusie. Zo heeft het iMMO de Bourdon-Wiersma-test gedaan voor het vaststellen van problemen in de concentratie, de PTSS Checklist voor de DSM-5 (PCL-5) voor het vaststellen van klachten die samenhangen met eventuele PTSS en de Brief Symptom Inventory voor het meten van symptomen van psychopathologie. Voor dit deel van het onderzoek is aansluiting gezocht bij de Richtlijn voor Psychiatrisch Onderzoek voor Volwassenen van de Commissie Kwaliteitszorg van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (iMMO-rapport, paragraaf 5). Op basis daarvan heeft het iMMO de medische en psychische beperkingen van eiseres vastgesteld. Daarnaast heeft het iMMO bij de conclusie dat dit ‘zeer waarschijnlijk’ het geval is, aangesloten bij de beoordelingswijze van het Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen (MAPP, zie iMMO-rapport, paragraaf 6). Dit is ook conform het Istanbul Protocol, Manual on the Effective Investigation and Documentation of Torture and Other Cruel, Inhuman of Degrading Treatment or Punishment van de Verenigde Naties (Istanbul Protocol). De Afdeling heeft deze werkwijze van het iMMO in zijn uitspraken van 27 juni 2018 correct en zorgvuldig bevonden en de rechtbank oordeelt dat ook in de onderhavige zaak geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de wijze waarop het iMMO-rapport tot stand is gekomen. Het iMMO heeft bovendien duidelijk gemaakt op welke gegevens en onderzoeken de conclusies zijn gebaseerd, en die onderzoeken zijn verricht door deskundigen.

5.6

Voorts is de rechtbank van oordeel dat in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van eiseres ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerde met haar vermogen om consistent en coherent te verklaren. Het iMMO-rapport voldoet naar het oordeel van de rechtbank bovendien ook aan het onderdelenvereiste. Uit het rapport kan in ieder geval worden afgeleid dat de psychische beperkingen zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over de traumatische gebeurtenissen die eiseres heeft meegemaakt. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het onderdelenvereiste zoals gesteld door de Afdeling. Gelet op hetgeen op pagina 2 en 3 van het iMMO-rapport is opgenomen, kan naar het oordeel van de rechtbank onder traumatische gebeurtenis worden verstaan: het terechtkomen in de demonstratie met haar vriend, de aanhouding, gevangenneming, verkrachting, de vrijlating en de vlucht die daarop volgde, hetgeen de kern van haar asielrelaas is. Dat verweerder tijdens de gehoren rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres leidt niet tot het oordeel dat eiseres (dus) consistent, compleet en coherent heeft kunnen verklaren. Dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen, maakt wellicht dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld tijdens het horen, maar betekent nog niet dat eiseres ook compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren.

5.7

Verweerder heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat hij, ook indien het rapport voldoet aan de eisen die de Afdeling daaraan stelt, zonder eigen onderzoek aan het iMMO-rapport voorbij kan gaan, omdat hetgeen aan eiseres is tegengeworpen niet enkel ziet op details. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het relaas van eiseres (met betrekking tot de traumatische ervaring) enkel op hoofdlijnen ongeloofwaardig is bevonden. Aan eiseres is immers (onder andere) tegengeworpen dat zij niet heeft kunnen verklaren welke leuzen en of logo’s zijn gebruikt tijdens de demonstratie en niet de namen kent van andere mensen die zouden zijn opgepakt. Bovendien staat in het besluit van 18 januari 2013 het volgende: ‘Het is echter aan betrokkene om het door haar gestelde relaas aannemelijk te maken. Als zij echter in het geheel geen ander detail kan aangeven nog daargelaten waarom zij wordt vrijgelaten, niet weet waarom de veiligheidsdienst wederom voor haar deur staan nadat zij wordt vrijgelaten en geen voorwaarde kan noemen waaronder zij is vrijgelaten, kan wederom gesteld worden dat haar verklaringen over haar arrestatie en haar vrijlating louter uit vage verklaringen bestaat.’ Ook hieruit volgt dat verweerder, anders dat hij thans stelt, van eiseres verwacht dat zij details kan verstrekken. Daartoe was zij blijkens het iMMO-rapport echter (zeer waarschijnlijk) niet in staat.

5.8

Daar komt nog bij dat uit het onderzoek van iMMO naar voren is gekomen dat de psychische problematiek van eiseres ‘typerend’ is voor het gestelde asielrelaas. Nu eiseres voorts ook heeft gewezen op algemene landeninformatie over Soedan in de periode van haar asielrelaas, heeft verweerder niet voldoende gemotiveerd waarom hij het asielrelaas van eiseres nog steeds ongeloofwaardig acht. De beroepsgrond slaagt.

6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen en daarbij, al dan niet na het laten verrichten van een medisch onderzoek, de geloofwaardigheid van de asielrelaas te beoordelen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

7. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van het door het iMMO verrichte medische onderzoek. Het betreft een bedrag van € 4.446,75 inclusief BTW (€ 3.675,- exclusief BTW) blijkens de toelichting op de factuur.

7.1

De rechtbank overweegt dat het bedrag van de kosten van een deskundige bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit proceskostenbestuursrecht (Bpb) wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt vast dat voor het opstellen van een iMMO-rapportage in strafzaken geen speciaal tarief is bepaald. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken geldt dan een uurtarief van € 121,95 per uur. Gelet op de overgelegde factuur zou met het opstellen van een iMMO-rapportage (€ 3.675,- : € 121,95 =) ongeveer 30 uur zijn gemoeid. Gelet op de werkzaamheden die gemoeid zijn met het opstellen van een iMMO-rapportage, zoals dat blijkt uit de werkwijze zoals omschreven in de “Leeswijzer bij iMMO-rapportage”, komt de door eiseres overgelegde factuur de rechtbank niet onredelijk voor. Nu het laten opmaken van de iMMO-rapportage redelijk was en de iMMO-rapportage (mede) aanleiding heeft gegeven tot gegrondverklaring van het beroep, zal de rechtbank de kosten van dit medisch onderzoek aanmerken als proceskosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. De kosten van het door eiseres in de procedure ingebrachte iMMO-rapportage komen in aanmerking voor vergoeding tot een bedrag van € 4.446,75.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten, te weten de kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

9. De proceskosten bedragen in totaal dus € 5.496,75.

Beslissing


De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 5.496,75.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap- Huijsmans, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.