Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8860

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB 19/7660 en 19/7661
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag EU verblijfsdocument. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser en referente niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij 3 maanden samen het geleefd en toen hun gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/7660 (beroep)

AWB 19/7661 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit,

V-nummer: [#]

eiser, verzoeker

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. H.L.M. Lichteveld, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 13 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn verschenen [naam 1] (referente) en [naam 2] (de dochter van referente).


Overwegingen

1. De rechtbank betrekt het volgende bij de beoordeling. Eiser heeft op 23 augustus 2018 de onderhavige aanvraag ingediend. Eiser en referente zijn op 26 juli 2011 in Marokko getrouwd. Referente bezit de Nederlandse nationaliteit. Het huwelijk staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Amsterdam. Op 20 maart 2012 hebben eiser en referente zich ingeschreven bij de gemeente Brussel op het adres Boulevard Maurice Lemmonnier 216. Vervolgens hebben eiser en referente vanaf 14 juni 2013 een woning gehuurd in Antwerpen aan de Abdijstraat 205-2. Op 8 mei 2014 heeft referente de huurovereenkomst opgezegd. Eiser en referente hebben in België als gehuwden, in het bezit van een verblijfsdocument, geregistreerd gestaan. Referente is naar Nederland teruggekeerd en eiser is tot maart 2018 in België gebleven. Hij huurde toen een kamer aan de Velodroomstraat in Berchem. In maart 2018 is eiser naar Nederland gekomen om zich bij referente te voegen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk en daadwerkelijk tenminste drie maanden samen met referente in België heeft verbleven. Met de overgelegde stukken is weliswaar aannemelijk gemaakt dat referente tenminste drie maanden in België heeft verbleven, maar hieruit blijkt niet dat zij samen met eiser daar gezinsleven heeft opgebouwd en bestendigd en zij vervolgens samen zijn teruggekeerd naar Nederland. Om die reden komt eiser in Nederland geen verblijfsrecht toe op grond van artikel 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

3. Eiser voert, samengevat, aan dat hij met de door hem overgelegde bewijzen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij samen met zijn echtgenote meer dan drie maanden in België heeft verbleven en gezinsleven heeft opgebouwd, te weten: de periode van 20 maart 2012 tot 19 mei 2014. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer de aanvraag van het Belgisch verblijfsdocument, de aanmelding bij de gemeentes Brussel en Antwerpen, een kopie van het verleende Belgische verblijfsdocument, huurovereenkomsten -op beider naam- van de woningen in Brussel en Antwerpen, bewijzen van huurbetaling op beider naam, stukken ten behoeve van de belastingdienst en (getuigen)verklaringen overgelegd. Voorts hebben de autoriteiten adrescontroles verricht. Indien verweerder deze feiten betwist, ligt het op zijn weg nader onderzoek te verrichten.

4. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.

4.1

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 12 maart 2014, C-456/12, O. en B overwogen dat artikel 21, eerste lid van het VWEU1 in die zin moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een burger van de Unie met een derdelander een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd tijdens een daadwerkelijk verblijf krachtens en onder eerbiediging van de in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn genoemde voorwaarden, in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, deze richtlijn naar analogie toepassing vindt wanneer die burger van de Unie met het betrokken familielid terugkeert naar het land van oorsprong.

4.2

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 19 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:517, 25 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1233), volgt dat het familielid van een burger van de Unie bij terugkeer naar de lidstaat waarvan de burger van de Unie de nationaliteit bezit een afgeleid verblijfsrecht heeft, indien hij aannemelijk maakt dat hij samen met de burger van de Unie langer dan drie maanden in een gastland heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd. Daarvoor is noodzakelijk dat naast bewijs van administratieve aard, zoals een inschrijving en een EU-verblijfsdocument, bewijs van feitelijk verblijf wordt overgelegd.

4.3

Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk langer dan drie maanden met referente in België heeft verbleven en zij daar een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd.

4.4

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser niet heeft tegengeworpen dat hij niet direct met referente naar Nederland is gekomen. Verweerder heeft dit ter zitting ook desgevraagd bevestigd. Voorts is niet in geschil dat de periode van drie maanden gezinsleven opbouwen dan wel bestendigen, gelet op de overgelegde stukken gelegen zou moeten zijn tussen maart 2012 en mei 2014. Over deze periode heeft eiser de volgende bewijsstukken overgelegd:
- kopie Belgisch F-document van eiser, geldig van 21 november 2013 tot 21 november 2018;
- kopie Belgische E-kaart bam van referente, geldig van 19 februari 2014 tot 23 maart 2017;
- Belgische aanvraag van eiser voor het doel ‘familielid van een burger van de Unie’ van 22 maart 2012;
- ‘composition de menage’ Stad Brussel van 26 september 2012;
- attest van afneming ten behoeve van eiser van 10 juli 2013;
- attest van afneming ten behoeve van referente van 18 april 2013;
- aangifte van adreswijziging van 14 juni 2013;
- aanvraag voor een verhuizing naar het buitenland Stad Antwerpen door referente;
- aangifte verhuizing naar Antwerpen ten behoeve van eiser en referente;
- huurovereenkomst woning Abdijstraat 205-2 Antwerpen van 14 juni 2013;
- kwitanties betaling huur van 26 september 2012, 5 april 2013 en 5 mei 2013, waarop eiser en referente staan vermeld;
- brief Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Algemene Directie Vreemdelingenzaken in België van 7 augustus 2013 met betrekking tot opnieuw in laten schrijven in het vreemdelingregister en een nieuwe F-kaart te geven van 21 november 2013;
- afspraak van eiser van 19 november 2013 bij het loket vreemdelingenzaken;
- brief van referente aan huurder [naam huurder] van 8 mei 2014 om de huur op te zeggen voor de woning aan de Abdijstraat 205-2 Antwerpen;
- model 8 Stad Antwerpen van 19 mei 2014, betreft de uitschrijving van referente per 14 mei 2014;
- Verklaring [naam 3] van 17 februari 2019, over het verblijf van in Berchem sinds 2015;
- kopie Belgische bankpas op naam van eiser.
In beroep heeft eiser nog de volgende stukken overgelegd:
- een aanslag regionale belasting 2012 van het Ministerie van de regio Brussel gericht aan referente;
- verzoeken om inlichtingen inkomstenbelasting 2012, verzonden aan eiser en referente op 11 maart 2014 en ingevuld en geretourneerd op 18 maart 2014;
- aanslagbiljet personenbelasting en aanvullende belastingen 2013 van 18 april 2014;
- verklaring van de dochter van referente.

4.5

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel verweerder er in kan worden gevolgd dat de door eiser en referente overgelegde bewijsstukken voornamelijk van administratieve aard zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk acht dat eiser daadwerkelijk langer dan drie maanden met referente in België heeft verbleven en zij daar een gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. Daarbij acht de rechtbank de hoeveelheid en de aard van de overgelegde (administratieve) bewijsstukken van belang, alsmede dat de periode waarin eiser en referente stellen samen gezinsleven te hebben opgebouwd en bestendigd. Aangezien deze periode tussen de zes á acht jaar geleden ligt, acht de rechtbank de verklaring van eiser en referente dat zij over die periode niet meer beschikken over bijvoorbeeld bonnen van dagelijkse aankopen niet onaannemelijk. Met betrekking tot verweerders standpunt dat eiser en referente over bankafschriften zouden moeten beschikken, hebben zij gesteld dat zij vrijwel alles contant betaalden, onder andere van de inkomsten die eiser af en toe zwart verdiende en het geld dat referente in Nederland met haar dochter opnam om mee te nemen naar België. Ook dit acht de rechtbank niet op voorhand onaannemelijk. Voorts is onweersproken gesteld dat eiser en referente ook destijds geen beschikking hadden over bijvoorbeeld mobiele (smart) telefoons waarmee zij foto’s hadden kunnen maken van de tijd die zij samen doorbrachten. Dat referente haar woning in Amsterdam gedurende de periode dat zij stelt in België met eiser te hebben verbleven heeft aangehouden en zich niet heeft laten uitschrijven uit de Basisregistratie personen in Nederland, acht de rechtbank onvoldoende om reeds daarom niet aan te nemen dat zij niet bij eiser in België verbleef en met hem gezinsleven uitoefende. Referente heeft hierover verklaard dat ze niet alle schepen in Nederland achter zich wilde verbranden, omdat ze nog maar moest bezien of ze in België zou kunnen aarden. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat het eiser en referente niet feitelijk onmogelijk mag worden gemaakt om hun recht op gezinsleven uit te oefenen, kan verweerders motivering in het bestreden besluit geen stand houden. De beroepsgrond slaagt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen bepaald is in deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

6. Nu het griffierecht op nihil is gesteld, is er geen aanleiding om te gelasten dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

8. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10 . De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.050,-.

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier, op
19 juni 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.