Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
20-09-2020
Zaaknummer
NL20.13426
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel - internationale bescherming in Italië - interstatelijke vertrouwensbeginsel - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13426


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).


Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13427, plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1995.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie, in dit geval Italië, internationale bescherming geniet. Als gevolg daarvan heeft eiser een sterke(re) band met Italië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het besluit en voert aan dat hij bij terugkeer naar Italië in een situatie zal belanden die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De registratie van statushouders, die nodig is voor de meeste sociale voorzieningen, is een groot probleem in Italië. Eiser verwijst naar de overgelegde rapporten van diverse mensenrechtenorganisaties. Voorts heeft eiser verklaard dat hij voor en na verlening van zijn status in Italië op straat leefde, geen opvang kreeg en het vinden van werk zeer moeilijk was.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat eiser in Italië internationale bescherming geniet. In geschil is de vraag of verweerder terecht is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eiser als statushouder bij terugkeer naar Italië niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

4.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op
30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794) uitspraak gedaan over de situatie van statushouders in Italië. De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer overwogen dat de situatie van asielzoekers niet te vergelijken is met die van statushouders, die immers dezelfde rechten hebben als Italiaanse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. De feitelijke situatie in Italië voor statushouders is wel moeilijk, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Deze situatie is echter niet zo slecht dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan en waardoor er sprake zou zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM. Van vreemdelingen mag worden verwacht dat zij in Italië zelf de rechten die voortvloeien uit hun status effectueren en zich in dat kader wenden tot de hogere autoriteiten.

4.3.

Uit de verklaringen van eiser en de overgelegde rapporten komt het beeld naar voren dat statushouders in Italië problemen ondervinden op het gebied van huisvesting, bijstand en andere sociale voorzieningen. Dat er in Italië voor statushouders in het algemeen echter sprake zou zijn van een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, blijkt hieruit niet. De rechtbank verwijst tevens naar recente uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987) en
5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848) waarin wordt bevestigd dat verweerder in het geval van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank acht hierbij van belang dat de door eiser overgelegde rapporten in deze uitspraken reeds zijn betrokken door de Afdeling.

4.4.

Voorts maakt eisers relaas naar het oordeel van de rechtbank niet dat in zijn specifieke geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierbij is van belang dat eiser zelf heeft verklaard dat hij niet om hulp heeft verzocht bij de Italiaanse autoriteiten. Ook heeft hij geen rechtshulp gezocht. Niet is gebleken dat eiser zich tot de hogere autoriteiten in Italië heeft gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 3 september 2020 door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.