Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8828

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
NL20.13534
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel - Ethiopië - Amharen in de regio Welkait - Tigray - verweerder heeft voldaan aan de opdracht om nader onderzoek te doen - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13534


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).


Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 3 december 2018 (AWB 18/20620) is het hiertegen door eiser ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 oktober 2018 vernietigd.

Bij besluit van 29 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13535, plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Abdi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1983 en de Ethiopische nationaliteit te hebben.

1.2.

Verweerder heeft een eerdere aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 oktober 2016 (AWB 16/22001), zittingsplaats Haarlem, is het hiertegen door eiser ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Bij besluit van
9 december 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom afgewezen. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 augustus 2017 (AWB 16/29506) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij haar uitspraak van
21 februari 2018 (201707332/1/V3).

2.1.

Eiser heeft vervolgens een opvolgende aanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat de situatie in Ethiopië verslechterd is sinds de Afdelingsuitspraak van 21 februari 2018. Hij heeft hiertoe het ESAT artikel ‘Het verjagen en verdrijven van etnische groep Welkait moet eens een keer stoppen’ van 3 oktober 2018 overgelegd waaruit zou blijken dat de Amharen in Welkait , waar eiser ook toe behoort, worden verjaagd uit hun woongebied door de Tigray. Volgens eiser ligt het op de weg van verweerder hiernaar onderzoek te doen.

2.2.

Verweerder heeft deze aanvraag op 30 oktober 2018 afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank van 3 december 2018 (AWB 18/20620), zittingsplaats Haarlem, is het hiertegen door eiser ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, in die uitspraak overwogen dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser, als Amhaar afkomstig uit Welkait , bij terugkeer niet een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft namelijk geen informatie ingebracht die het overgelegde artikel van eiser over de verjaging van Amharen uit Welkait kan weerleggen.

3. Bij besluit van 29 juni 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de plicht om nader onderzoek te verrichten zoals opgedragen door de rechtbank bij de uitspraak van 3 december 2018. Verweerder heeft enkel naar drie artikelen verwezen die niet ingaan op de situatie als omschreven in het artikel dat eiser heeft overgelegd over de Amharen in Welkait . Verweerder is verder ook onvoldoende ingegaan op de inhoud van het overgelegde artikel en heeft op basis van onvolledige en verouderde informatie een standpunt ingenomen over wie risico loopt in Welkait . Eiser verwijst daarnaast naar artikelen van the Washington Post van 8 juli 2020, Amnesty International van 18 juli 2020 en Zehabesha Ethiopian News van 21 juli 2020 over de verslechterde situatie. Ook is van belang dat eerder al geloofwaardig is geacht dat eiser heeft geweigerd lid te worden van de Tigrayan People’s Liberation Front (TPLF) en dat hij daarom bekend is bij de regering van de regio Tigray. Tot slot kan het vestigingsalternatief niet alsnog aan eiser worden tegengeworpen, nu in rechte vast is komen te staan dat aan eiser het vestigingsalternatief niet wordt tegengeworpen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij de uitspraak van de rechtbank van
3 december 2018 heeft opgevat als opdracht om de situatie van de Amharen in Welkait nader te onderzoeken. De rechtbank stelt vast dat verweerder hier vorm aan heeft gegeven door naar drie bronnen te verwijzen:

- het rapport ‘Keeping Ethiopia’s Transition on the Rails’ van de International Crisis Group (16 december 2019);
- het rapport ‘Ethiopia 2019’ van Amnesty International (publicatiedatum niet vermeld);
- het rapport ‘Ethiopia: COI Compilation’ van ACCORD/Austrian Red Cross
(november 2019).

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het betrekken van de drie genoemde bronnen voldaan aan de opdracht nader onderzoek te verrichten naar de situatie van Amharen in de regio Welkait . De rechtbank acht hiertoe van belang dat deze bronnen informatie bevatten over de positie van Amharen in de regio Welkait en de algehele situatie daar. Voorts zijn twee van de drie bronnen gepubliceerd in eind 2019, terwijl het overgelegde artikel van eiser en het artikel uit de zienswijze dateren van respectievelijk oktober 2018 en mei 2018.

Alhoewel blijkt dat de situatie in Welkait instabiel is, sprake is van discriminatie van Amharen en er spanningen zijn tussen de Amharen en de Tigray in Welkait , heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het geweld in de regio zich met name richt op bepaalde groepen, zoals Amhaarse nationalisten. Niet blijkt uit de bronnen dat de situatie in Welkait zodanig slecht is dat elke Amhaar een reëel risico op schade loopt, enkel vanwege zijn etniciteit. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet enkel vanwege zijn Amhaarse etniciteit bij terugkeer in een situatie zal belanden die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dat eiser op grond van individuele omstandigheden gevaar loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM is evenmin gebleken. Het enkele feit dat eiser in het verleden heeft geweigerd lid te worden van de TPLF is hiertoe onvoldoende. Ditzelfde geldt voor eisers – door verweerder niet betwiste – gemengde etniciteit en het feit dat hij in Oromo-gebied is geboren.

De drie artikelen waarnaar eiser in beroep heeft verwezen leiden niet tot een ander oordeel, nu deze niet zien op recente en concrete gebeurtenissen specifiek ten aanzien van de Amharen in de Welkait regio. De artikelen zien op andere regio’s in Ethiopië dan wel beschrijven de moeilijke situatie van de Amharen in de afgelopen decennia.

5.3.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag op goede gronden afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 9 september 2020 door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.