Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8819

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
NL20.7633
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak - asielaanvraag - Sudan - gebrek afdoende hersteld - beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7633


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. E. Slutzky).


Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.7634, door middel van een videoverbinding (Skype) plaatsgevonden op 10 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Abouzeid. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 1 juli 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat uit de voetnoten van het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in oktober 2019 gepubliceerde Algemeen Ambtsbericht Sudan (Algemeen Ambtsbericht 2019) volgt, dat de informatie in paragraaf 3.4 Terugkeer gebaseerd is op bronnen die dateren van voor de afzetting en arrestatie van president Omar al-Bashir door het Sudanese leger op 11 april 2019, zodat hieruit niet kan blijken wat sindsdien de situatie is bij terugkeer naar Sudan. Gelet hierop, alsmede gelet op de door eiser overgelegde bronnen, had verweerder zich niet zonder nader onderzoek te (laten) doen op het standpunt kunnen stellen dat het lid zijn van de Al Umma-partij en het deelnemen aan demonstraties op zichzelf geen grond meer is om te vrezen voor vervolging bij terugkeer naar Sudan. De rechtbank heeft beslist dat het bestreden besluit derhalve in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door de motivering van het bestreden besluit aan te vullen dan wel door een vervangend besluit te nemen. Voorts diende verweerder hierbij in te gaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar het besluit van verweerder van 4 juni 2020, bij verweerder bekend onder nummer Z1-39491692414.

Aanvullende motivering

3. Hoewel verweerder zich in reactie op de tussenuitspraak op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een motiveringsgebrek, heeft verweerder wel een aanvullende motivering ingediend. Deze aanvullende motivering wordt hierna samengevat weergegeven.

3.1

Verweerder heeft zich allereerst, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 juni 2020 inzake S.A. t. Nederland (ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD004977315), voor wat betreft de algemene situatie voor terugkerende migranten op het standpunt gesteld dat de huidige situatie in Sudan niet maakt dat een enkele terugkeer naar Sudan op zichzelf reden is om een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan te nemen. Eiser zal het gestelde risico bij terugkeer dan ook voor zijn individuele geval aannemelijk moeten maken.

3.2

Voorts heeft verweerder overwogen dat zijn eerdere standpunt, dat de Al Umma-partij onderdeel is van de huidige coalitie waardoor het niet aannemelijk wordt geacht dat eiser heeft te vrezen bij terugkeer, achterhaald is door de actualiteiten en niet langer wordt gehandhaafd. De Al Umma-partij heeft immers in april 2020 haar lidmaatschap

met de Forces of Freedom and Change (FFC) bevroren, waardoor op dit moment onvoldoende duidelijk is of de Al Umma-partij thans nog als onderdeel van de huidige regering kan worden beschouwd. Wel stelt verweerder zich op het standpunt dat het bevriezen van het lidmaatschap niet maakt dat leden van de Al Umma-partij, zoals eiser, moeten worden beschouwd als (vermeende) aanhangers van (gewapende) oppositiegroepen zoals bedoeld in het landenbeleid. Er is immers geen blijk dat de Al Umma-partij zich daadwerkelijk heeft afgescheiden van de FFC en momenteel actief oppositie voert. Ook is er geen blijk dat leden van de Al Umma-partij naar aanleiding van het bevriezen van het lidmaatschap te maken hebben gekregen met vervolging.

3.3

Verweerder heeft voor wat betreft eisers vrees bij terugkeer vanwege zijn lidmaatschap van de Al Umma-partij en de in Nederland verrichte activiteiten overwogen dat er geen blijk is dat eiser in het verleden in de negatieve aandacht van de autoriteiten heeft gestaan. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt waaruit zou blijken dat hij vanwege zijn activiteiten in Nederland momenteel in de negatieve aandacht staat van de Sudanese autoriteiten en daarom heeft te vrezen bij terugkeer. Er is volgens verweerder geen blijk dat eiser problemen heeft ondervonden van de zijde van de Sudanese autoriteiten, noch zijn er aanknopingspunten aangedragen dat eiser in de negatieve aandacht staat van de huidige Sudanese autoriteiten naar aanleiding van de brief die eiser op 1 juli 2016 aangetekend heeft verstuurd naar de Sudanese ambassade in Nederland. In deze brief heeft eiser melding gemaakt van zijn lidmaatschap van de Al Umma-partij en zijn deelname aan demonstraties tegen het regime van Al-Bashir. Zeker gezien de machtswisseling mag worden aangenomen dat deze brief niet zal leiden tot negatieve gevolgen, aldus verweerder. Het tegendeel heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt.

Verder heeft verweerder overwogen dat eiser weliswaar meermaals heeft deelgenomen aan demonstraties, waaronder de demonstratie op 24 januari 2020 waar zou zijn opgeroepen Al-Bashir en generaal Hemedti over te dragen aan het Internationaal Strafhof in Den Haag. In dit verband heeft verweerder opgemerkt dat uit pagina 63 van het Algemeen Ambtsbericht 2019 blijkt dat de Sudanese autoriteiten niet de middelen hadden om alle leden in de diaspora te volgen, waardoor zij zich zouden richten op specifieke personen. Ook zou de overheid in 2018 minder interesse hebben in de politieke activiteiten van de diaspora. Dat eiser door deze demonstratie in de negatieve aandacht van de huidige autoriteiten is komen te staan, is volgens verweerder niet gebleken.

Verder is er beeldmateriaal van de deelname van eiser aan andere demonstraties, maar is volgens verweerder niet gebleken dat eiser zelf via (zijn) sociale media kanalen oppositionele gedachtes verspreidt, meer specifiek gericht tegen de huidige autoriteiten van Sudan. In dit verband heeft verweerder nog opgemerkt dat het niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser vanuit een fundamentele politieke overtuiging heeft gehandeld, waardoor bij terugkeer mag worden verlangd dat eiser zich terughoudend opstelt. Voorts heeft verweerder betrokken dat de door eiser verrichtte activiteiten en diens positie binnen de Al Umma-partij marginaal zijn te noemen, hetgeen verder afbreuk doet aan de stelling van eiser dat hij daarom in de negatieve aandacht is komen te staan van de huidige Sudanese autoriteiten en heeft te vrezen bij terugkeer.

Voor het overige heeft verweerder overwogen dat er geen blijk is dat eiser familie of persoonlijke connecties heeft die worden aangemerkt als politieke opposanten van de huidige autoriteiten.

3.4

Over de Al Umma-partij heeft verweerder verder overwogen dat er geen blijk is dat leden of aanhangers van deze partij in de negatieve aandacht staan van de huidige Sudanese autoriteiten. Dat de Al Umma-partij de banden met de FFC heeft bevroren, is volgens verweerder daartoe onvoldoende. Eiser heeft ook geen bronnen ingebracht waaruit blijkt dat leden van de Al Umma-partij door de huidige autoriteiten van Sudan worden bedreigd met vervolging vanwege hun betrokkenheid bij de Al Umma-partij.

3.5

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat van de Sudanese autoriteiten en bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn lidmaatschap van de Al Umma-partij en zijn verdere activiteiten in Nederland.

3.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich met deze aanvullende motivering in samenhang bezien met de bestreden besluitvorming afdoende gemotiveerd en op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser hier niet in is geslaagd. Verweerder heeft hierbij met name van belang kunnen achten dat met de voornoemde brief die op 1 juli 2016 aangetekend naar de Sudanese ambassade in Nederland is verstuurd, niet aannemelijk is gemaakt dat de (voormalige dan wel huidige) Sudanese autoriteiten specifiek de activiteiten van eiser in de gaten (hebben ge)houden en dat eiser in dat verband in de negatieve belangstelling staat. De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat niet is gebleken dat eiser een prominente positie heeft ingenomen tijdens de demonstraties, waardoor eiser hiermee evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de (voormalige dan wel huidige) Sudanese autoriteiten staat. Verweerder heeft voorts een aanvullende motivering gegeven over het lid zijn van de Al Umma-partij en het deelnemen aan demonstraties bij terugkeer naar Sudan, waarmee hij het door de rechtbank geconstateerde gebrek afdoende heeft hersteld.

Hoewel uit de bij de zienswijze overgelegde stukken blijkt dat het in Sudan momenteel onrustig is, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit deze stukken evenwel niet dat terugkerende leden van de Al Umma-partij gevaar lopen. De overgelegde stukken doen aan het voorgaande derhalve niet af. Hetgeen eiser in dit kader verder in de zienswijze heeft aangevoerd, leidt evenmin tot een ander oordeel.

4. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar het besluit van verweerder van 4 juni 2020, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Hierbij acht de rechtbank met name van belang dat verweerder in de andere zaak naar aanleiding van overgelegde foto’s en beelden heeft geconstateerd dat deze persoon binnen het Sudanese Democratic Forum een prominent figuur is dat mensen toespreekt via een megafoon, vooroploopt in de stoet, contact onderhoudt met de politie, de demonstrerende stoet de weg wijst en een besloten groep van bekende opposanten toezingt.

5. De rechtbank zal hierna ingaan op de overige beroepsgronden.

Hoorplicht

6.1

Eiser stelt dat het gelet op de veranderde situatie in Sudan onzorgvuldig van verweerder is geweest dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag nader toe te lichten. Verweerder heeft eiser na de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2019 niet uitgenodigd voor een aanvullend gehoor over de risico's op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Sudan, terwijl dit voor de hand had gelegen om een nieuw besluit te kunnen nemen.

6.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de uitspraken van de rechtbank en de Afdeling geen aanleiding vormden voor een aanvullend gehoor. Het besluit van 31 oktober 2017 is immers vanwege motiveringsgebreken door de rechtbank vernietigd en in hoger beroep is door de Afdeling overwogen dat verweerder de veranderde situatie in Sudan in het nieuw te nemen besluit kon betrekken, hetgeen verweerder gelet op de bestreden besluitvorming en de aanvullende motivering naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft gedaan. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding was om eiser nader te horen.

Kennelijk ongegrond

7.1

Eiser stelt verder dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Van de omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c dan wel onder g, van de Vw 2000, is volgens eiser geen sprake.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet in geschil is dat de herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden en dat is gebleken dat eiser onjuist over zijn herkomst heeft verklaard. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de aanvraag reeds daarom (en gelet op het vorenstaande) terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verder is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de aanvraag eveneens terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, nu dit een herhaalde aanvraagprocedure betreft die niet op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk is verklaard.

8. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Conclusie

9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld en de overige beroepsgronden niet slagen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.