Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8798

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
AWB 20/1098 en AWB 20/1099
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en afwijzing verbblijfsvergunning, artikel 7 Besluit 1/80.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/1098 (beroep)

AWB 20/1099 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 4 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. E. Köse),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Mol, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een aan eiser verleende vergunning ingetrokken en de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 6 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

  1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Op 8 mei 2016 is eiser met [naam] (hierna: [naam] ) in Turkije gehuwd. Met ingang van 24 april 2017 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’, geldig tot 26 mei 2020. Per 10 mei 2017 staat eiser ingeschreven op het adres van [naam] . Op 7 maart 2019 heeft verweerder van [naam] een meldingsformulier ontvangen waarin zij aangeeft dat het huwelijk met eiser is verbroken. Op 9 juli 2018 heeft de rechtbank te Mersin (Turkije) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In de Basisregistratie personen (Brp) is als ontbindingsdatum van het huwelijk 19 juli 2018 opgenomen. Op 14 mei 2019 is eiser uitgeschreven van het adres van [naam] .

  2. In het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van 9 juli 2018. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser per die datum is gescheiden en daarmee niet langer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

  3. Bij hetzelfde besluit heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘het zoeken naar en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de in artikel 3.31b Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) genoemde voorwaarden. Voorts stelt verweerder dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 7 van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit nr. 1/80).

Beroepsgrond gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning ten onrechte is afgewezen. Eiser voert daartoe allereerst aan dat hij wél aan de voorwaarden van artikel 3.31b Vb voldoet omdat het huwelijk pas na drie jaar is ontwricht. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het arrest van het Hof van de Europese Gemeenschappen van 9 december 2010, Toprak en Oguz, ECLI:EU:C:2010:756, (hierna: het arrest Toprak en Oguz). Volgens eiser volgt uit dit arrest dat de drie-jaarstermijn in het voordeel van de betrokken Turkse werknemer dient te worden uitgelegd. In de situatie van eiser is het huwelijk aangegaan op 8 mei 2016 en heeft eiser op 14 mei 2019 feitelijk de woning verlaten, hetgeen een periode van ruim drie jaar is.

5. Daarnaast voert eiser aan dat hij ook aan de voorwaarden van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 voldoet, te weten dat hij meer dan drie jaar heeft samengewoond. Eiser neemt als aanvangsmoment de huwelijksdatum (8 mei 2016) en als einddatum het moment dat hij de woning heeft verlaten (14 mei 2019).

6. Verweerder stelt dat de verblijfsvergunning terecht is afgewezen. Verweerder voert aan dat artikel 3.31b Vb de duur van het huwelijk als uitgangspunt heeft. Volgens verweerder heeft het huwelijk korter dan drie jaar geduurd, te weten van 8 mei 2016 tot 9 juli 2018. Verweerder voert voorts aan dat eiser evenmin aan de voorwaarden van artikel 7 Besluit nr. 1/80 voldoet. Hieraan legt verweerder ten grondslag dat eiser minder dan drie jaar heeft samengewoond. Eiser stond ingeschreven op het adres van [naam] gedurende de periode 10 mei 2017 tot 14 mei 2019.

7. Ter beoordeling staat de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.31b Vb.

8. Op grond van artikel 3.31b Vb kan de gevraagde vergunning worden verleend als onder andere wordt voldaan aan de voorwaarde dat het huwelijk na drie jaar is ontwricht of ontbonden.

9. In de uitspraak van de rechtbank te Mersin (Turkije) staat dat de echtscheiding is uitgesproken. Op grond hiervan heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er vanaf 9 juli 2018 niet langer sprake was van een huwelijksrelatie. De omstandigheid dat eiser op dat moment volgens de gegevens van de Brp nog niet van het adres van de echtelijke woning was uitgeschreven maakt dit niet anders, gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren komen. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:966. De rechtbank vindt in het arrest Torak en Oguz geen aanknopingspunten voor het standpunt van eiser dat de feitelijke verbreking (ofwel de ontwrichting) op een later tijdstip kan liggen dan de datum van het uitspreken van de echtscheiding. Nu de echtscheiding binnen drie jaar in uitgesproken, voldoet eiser niet aan de gestelde voorwaarden van artikel 3.31b Vb.

10. Vervolgens staat ter beoordeling of eiser een geslaagd beroep kan doen op artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80.

11. Op grond van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 ontstaat voor een gezinslid van een Turkse werknemer een recht op voortzetting van verblijf als onder andere wordt voldaan aan de voorwaarde dat het gezinslid gedurende een periode van drie onafgebroken jaren bij de Turkse werknemer heeft gewoond.

12. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 7 van Besluit nr. 1/80 en overweegt daartoe als volgt. Dit artikel moet aldus worden uitgelegd dat de termijn van drie jaar samenwonen pas aanvangt nadat het gezinslid toestemming heeft gekregen om zich bij de Turkse werknemer te voegen en het gezinslid ook daadwerkelijk bij het gezinslid is gaan wonen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 april 1997 inzake Kadiman (zaaknummer C-351/95). Uit die uitspraak volgt dat de periode dat eiser en [naam] hebben samengewoond voordat toestemming werd verleend aan eiser om zich bij [naam] te voegen, niet kan meetellen. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aan de voorwaarde van ten minste drie jaar samenwonen in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 voldoet. Eiser heeft immers op 11 april 2017 – de datum van de inwilliging van zijn aanvraag tot afgifte van een mvv – toestemming gekregen om zich bij [naam] te voegen. De termijn van samenwonen is vervolgens aangevangen op 10 mei 2017, de datum waarop eiser zich op het adres van [naam] heeft ingeschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn van samenwonen is geëindigd op 14 mei 2019. Nu eiser als gezinslid minder dan drie in Nederland heeft samengewoond, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80.

13. Nu eiser niet aan de voorwaarden van artikel 3.31b Vb en evenmin aan de voorwaarden van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 voldoet, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag voor de verblijfsvergunning heeft afgewezen. De beroepsgronden slagen niet.

Beroep gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning

14. Eiser stelt voorts dat verweerder de verleende verblijfsvergunning niet had mogen intrekken vanaf 9 juli 2018 (datum uitspreken echtscheiding). Dit had de datum van de feitelijke verbreking moeten zijn, 14 mei 2019.

14. Verweerder stelt dat eiser geen zienswijze heeft uitgebracht tegen de intrekking en hiertegen evenmin gronden van bezwaar heeft ingediend, zodat het besluit tot intrekking verder geen nadere bespreking behoeft. Voor zover de rechtbank toch tot een inhoudelijke beoordeling komt, stelt verweerder dat de vergunning terecht met ingang van 9 juli 2018 is ingetrokken. Hieraan wordt ten grondslag gelegd dat uit B7/3.1.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) volgt dat de gezinsband verbroken is als het huwelijk feitelijk of juridisch is verbroken. Verweerder verwijst in dat kader ook naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019.

14. De rechtbank dient te beoordelen of het beroep dat zich tegen de intrekking van de verblijfsvergunning richt, ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende slechts bij de bestuursrechter tegen de besluitonderdelen procederen die hij ook in de bestuurlijke voorfase heeft bestreden. Alhoewel eiser in de gronden van bezwaar zich enkel richt op de afwijzing van de aanvraag, begint eiser het bezwaarschrift met het standpunt dat hij bezwaar maakt tegen de intrekking van de verblijfsvergunning. Nu in dit geval de betrokken beroepsgrond direct verband houden met hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, is er geen reden waarom de rechtbank niet mede op grondslag van deze beroepsgrond uitspraak zou kunnen doen. De rechtbank acht het beroep gericht tegen de intrekking van de huidige verblijfsvergunning dan ook ontvankelijk.

14. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder met ingang van 9 juli 2018 de verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken. Enkel de datum van intrekking is in geschil.

14. Ingevolgde paragraaf B7/3.1.5 van de Vc is de gezinsband verbroken als het huwelijk tussen een vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU8502 en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019, volgt dat de inschrijving van de vreemdeling in de Brp op het adres van de echtelijke woning niet leidend is voor het antwoord op de vraag wanneer een huwelijk feitelijk is verbroken. Verweerder heeft zich op basis van de uitspraak van de rechtbank te Mersin, dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat per 9 juli 2018 de gezinsband tussen eiser en zijn voormalige echtgenote was verbroken, en dat daardoor niet langer werd voldaan aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vergunning met ingang van 9 juli 2018 op goede gronden heeft ingetrokken.

Beroepsgrond gericht tegen de schending van de hoorplicht

19. Ten slotte voert eiser aan dat hij gehoord had dienen te worden in zijn bezwaren om zich uit te laten over zijn standpunten. Dan had hij ook de gelegenheid gehad nadere stukken in te dienen.

19. Verweerder voert aan dat uit de beoordeling blijkt dat het bezwaar van eiser ongegrond is. Over deze conclusie bestaat volgens verweerder geen twijfel hetgeen betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Verweerder mocht zodoende op grond van artikel 7:2 en 7:3 van de Awb afzien van het horen van de eiser.

19. Ten aanzien van het beroep op de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Met betrekking tot het horen in bezwaar is uitgangspunt de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed laatstgenoemde situatie zich hier voor. De hoorplicht is dan ook niet geschonden.

19. Het beroep is ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

24. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

24. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.