Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
NL20.12543 en NL20.12544
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond / verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in het proces dat heeft geleid tot zijn afvalligheid / ten onrechte heeft verweerder het risico bij terugkeer als Hazara naar Afghanistan niet onderzocht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.12543 (beroep) en NL20.12544 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M. Singh).


Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [de persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om een man die afkomstig is uit Afghanistan en Hazara is. Volgens eiser heeft hij zich afgekeerd van de islam en daardoor zal hij in de problemen komen als hij terug moet naar Afghanistan. Verweerder gelooft dit niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser tegenstrijdig en summier heeft verklaard en onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn proces tot afvalligheid. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom afgewezen.

Eerdere procedures

2. Dit is eisers derde asielaanvraag. Eisers eerste asielaanvraag heeft verweerder afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Eisers beroep hiertegen is gegrond verklaard. De aanvraag is vervolgens in de nationale procedure door verweerder afgewezen. De afwijzing staat in rechte vast.

3. Eisers tweede asielaanvraag is eveneens door verweerder afgewezen. Volgens verweerder betrof het een herhaalde aanvraag, waar eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan ten grondslag had gelegd. Ook deze afwijzing staat in rechte vast.

Deze zaak

4. Deze zaak betreft eisers derde asielaanvraag die hij op 21 maart 2019 heeft ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij zich heeft afgekeerd van de islam, nadat hij in 2016 in Nederland aankwam. Verweerder heeft met het bestreden besluit eisers aanvraag afgewezen, omdat verweerder de gestelde afvalligheid niet geloofwaardig acht. Eisers beroep daartegen is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, met de uitspraak van 12 juli 2019 gegrond verklaard.1 De rechtbank heeft daarbij de afwijzing van eisers asielaanvraag vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Het beroep van verweerder bij de Afdeling is met de uitspraak van 11 maart 2020 ongegrond verklaard.2

5. Verweerder heeft vervolgens op 1 mei 2020 een nieuw voornemen uitgebracht en daarna het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft daarin wederom eisers asielaanvraag afgewezen.

Oordeel rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook dit bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

7. Verweerder heeft bij zijn ongeloofwaardigheidsbeoordeling van belang geacht dat blijkens eisers verklaringen hij afkomstig is uit een streng religieus gezin en daar ook naar behoorde te handelen. Dat strookt volgens verweerder niet met eisers verklaring dat hij niet ijverig was op religieus gebied en dat ook kon blijven, terwijl dat ongestraft bleef, ook binnen zijn familie.3 Eiser heeft op goede gronden naar voren gebracht dat verweerders conclusie onjuist is. Eiser heeft bij het gehoor opvolgende aanvraag namelijk verklaard:

“(…) Tot zover ik mij kan herinneren heb ik nooit in mijn leven met mijn eigen wil gebeden of de Koran gelezen. Ik heb heel veel in de Koran gelezen en gebeden, maar allemaal onder dwang. Zelfs soms met geweld; ik werd geslagen. (…)

(…) De periode dat ik naar de moskee ging en ik religieuze boeken tot het citeren van de Koran heb geleerd, heb ik alles geleerd met behulp van een tak van de boom. Ik bedoel hiermee dat ik vaak door de Mula (…) ben geslagen met een tak van een boom. (…)”4

8. Ook heeft verweerder acht geslagen op eisers verklaringen ten aanzien van zijn religieuze activiteiten in Afghanistan. Volgens verweerder heeft eiser op dat vlak tegenstrijdig verklaard. Enerzijds zou eiser hebben verklaard dat hij nooit uit eigen wil heeft gebeden, anderzijds heeft hij verklaard dat hij automatisch de hulp van God vroeg. Uit dit laatste zou blijken dat geen sprake was van dwang, maar dat dit juist uit hemzelf kwam.5 Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit tegenstrijdig is. Eiser heeft immers verklaard:

“(…) Ik vroeg automatisch hulp van God. (…) De reden was dat mijn ouders mij dit hebben aangeleerd. God zou mij beschermen en helpen. Als ik zulke problemen kreeg, dan vroeg ik automatisch zijn hulp. Mijn ouders hebben mij niet geleerd hoe ik mijn eigen problemen kon oplossen.(…) ”6

Dat eiser automatisch hulp vroeg van God komt - blijkens zijn verklaring - omdat hem dat zo is aangeleerd. Dat is, zonder nadere motivering, niet tegenstrijdig met eisers verklaring dat hij nooit uit eigen wil heeft gebeden.

9. Verder heeft verweerder tegenstrijdig geacht wat eiser heeft verklaard over zijn kennis van de islam.7 Eiser heeft namelijk verklaard dat hij zich niet inhoudelijk heeft verdiept in de islam. Van iemand die is opgegroeid in een door en door religieuze omgeving mag echter worden verwacht dat hij meer weet dan alleen algemene kenmerken van het islamitische geloof, aldus verweerder. Met eiser kan de rechtbank dat niet volgen. De omstandigheid dat iemand is opgegroeid in een religieuze omgeving sluit, zonder nadere motivering, niet uit dat iemand zich niet inhoudelijk heeft verdiept in de islam. Daarbij sluit juist aan dat eiser - zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld - slechts oppervlakkige kennis van de islam heeft. Verweerder heeft verder tegenstrijdig geacht dat eiser enerzijds heeft verklaard dat je inhoudelijk niets leert op de Koranschool, maar anderzijds wel heeft verklaard dat als het gaat over de Koranschool je onder meer de islam moest leren, over een religie waar God groot is en waar islam de beste religie is. Eiser heeft op goede gronden naar voren gebracht dat het één het ander niet uitsluit. Dat eiser weet wat op de Koranschool werd besproken, is niet zonder meer tegenstrijdig met de omstandigheid dat hij op de Koranschool inhoudelijk niets heeft geleerd.

10. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat het zwaartepunt van de ongeloofwaardigheid ziet op de omstandigheid dat door eiser onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zijn angstgevoelens vanwege het geloof en zijn familie hebben geleid tot een oprechte afkeer van de islam. Volgens verweerder heeft eiser het proces daartoe onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Met eiser oordeelt de rechtbank dat verweerder dat onvoldoende heeft gemotiveerd.

11. Eiser heeft meermaals tijdens zijn gehoor opvolgende aanvraag verklaard over zijn angstgevoelens en wat dat met hem deed. Zo heeft eiser verklaard:

“(…) Ik heb een heel lang proces achter de rug. Dit proces begon in Nederland. In mijn jeugdperiode, ten tijde dat ik in Afghanistan was, heb ik veel twijfel gehad. Maar gezien de situatie in Afghanistan, angst voor het maken van zonden, angst dat mijn toenmalige God mij zou bestraffen en in een hel zou gooien, de omgeving waar het taboe was om over dit soort dingen te praten; door al deze feiten kon ik niet in Afghanistan over dit onderwerp met iemand praten. (…)

(…) Als ik nu over mijn verleden en over mijn jeugd denk, merk ik dat ik eigenlijk nooit moslim ben geweest. (…) het is niet zo dat je in Afghanistan iets niet durft te vertellen, of bang bent dat iemand erachter zou komen, maar in feite ben je bang voor jezelf. Eigenlijk komt dit door het feit dat je vanaf je geboorte je elke dag iets hoort over de religie, de beloning, straffen en angst. (…)8

(…) Voor mij was de grootste reden dat ik van de religie mij heb afgekeerd en ik niet meer in God geloof de ervaring die ik vanaf mijn jeugd heb meegemaakt. Niet alleen in de periode dat ik een kind was, maar ook in een andere periode in mijn leven heb ik dit meegemaakt. (…)9

(…) Toen ik in Nederland kwam heb ik de gelegenheid gekregen om er over na te denken. Hoe ik in het verleden heb geleefd en hoe ik in de toekomst moet leven. (…) Met alle ellende en pijn. Ik ben tot de conclusie gekomen om een beslissing te nemen. Dat je op de angst die je hebt moet beëindigen door een punt neer te zetten. Ook om iets anders te kunnen beginnen. Het is niet zo geweest dat ik op één dag van de islam ben afgekeerd en de volgende dag zonder geloof belandde. Dit is niet het geval. Dit heb ik met een heel lang proces meegemaakt.(…)

(…) De moeilijkste periode was dat ik mijn angsten onder de knie moest brengen. De angst die ik heb gehad, had ook een eigen reden. Ik was niet zomaar bang. Het had meer te maken met hetgeen ik in het verleden heb meegemaakt. (…)10

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het licht van onder meer deze verklaringen van eiser, onvoldoende gemotiveerd dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in het proces wat bij hem heeft geleid tot afvalligheid. Eiser heeft gemotiveerd uiteengezet dat de gebeurtenissen in zijn jeugd angstgevoelens hebben veroorzaakt. In Nederland is hij aan het denken gezet en heeft zich uiteindelijk hierdoor van de islam afgekeerd. Anders dan door verweerder op de zitting is gesteld, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eisers verklaring diepgang mist.

Hazara

13. Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte het risico bij

terugkeer voor Hazara niet nader heeft onderzocht. Eiser heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van

18 december 201911 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch van 19 mei 202012. Gelet op deze laatste uitspraak had eiser gehoord moeten worden over de aanwezigheid van geringe indicaties voor vrees bij terugkeer naar Afghanistan. Dit is niet gebeurd, en ook dat maakt het besluit onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd, aldus eiser. De rechtbank overweegt als volgt.

14. De rechtbank stelt vast dat de Hazara afkomst van eisers eerst in beroep specifiek naar voren is gebracht. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank rekening moet houden met feiten en omstandigheden die in beroep worden aangevoerd, zoals de Hazara afkomst van eiser en de betekenis hiervan volgens recente rechtspraak.

15. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 december 2019 het volgende geconcludeerd:

“(…) De Afdeling oordeelt dat (…) er redenen zijn om aan te nemen dat de situatie in Afghanistan voor Hazara nu onveiliger is dan in het verleden. Uit de nu beschikbare informatie blijkt dat Hazara om allerlei redenen problemen kunnen krijgen met verschillende strijdende groepen in Afghanistan. Dat kan zijn omdat hun een bepaald geloof en mede daarom een bepaalde politieke opvatting wordt toegedicht, maar bijvoorbeeld ook door een bepaalde sociaal-economische positie. Volgens de Afdeling is de situatie voor Hazara in Afghanistan niet zo slecht dat het enkel zijn van Hazara betekent dat een vreemdeling een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt. De staatssecretaris hoeft dus niet elke Hazara uit Afghanistan zonder meer een asielvergunning te verlenen. Maar de situatie in Afghanistan voor Hazara is wel zo onveilig geworden dat de staatssecretaris opnieuw moet bezien en duidelijk maken hoe hij het behoren tot de Hazarabevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuele asielrelazen. Dit gelet op de risico's die zij in Afghanistan om verschillende redenen lopen. (…)”

16. Op de zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om te stellen en aannemelijk te maken dat geringe indicaties aanwezig zijn en dat heeft eiser niet gedaan. Om die reden is volgens verweerder geen aanleiding om op dit punt nader in te gaan in verweerders besluitvorming. De rechtbank oordeelt anders.

17. Onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Hertogenbosch is de rechtbank van oordeel dat het aan verweerder is om in zaken als deze opnieuw te bezien en duidelijk te maken hoe hij het behoren tot de Hazara bevolkingsgroep betrekt bij de beoordeling van individuelen. Dit betekent dat verweerder moet onderzoeken

en motiveren wat in het specifieke geval van eiser – gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara's in Afghanistan – op dit moment het risico bij terugkeer is, vanwege zijn Hazara afkomst. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met het standpunt dat eiser geen geringe indicaties heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit. Verweerder zal, alvorens deze beoordeling te kunnen maken, eiser in ieder geval in de gelegenheid moeten stellen te worden gehoord over de aanwezigheid van geringe indicaties voor vrees bij terugkeer op grond van zijn etniciteit, gelet op de huidige veiligheidssituatie voor Hazara in Afghanistan.

Conclusie

18. De rechtbank komt tot de volgende conclusie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zich heeft afgekeerd van de islam. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder nader had moeten onderzoeken wat in het geval van eiser op dit moment het risico is bij terugkeer vanwege zijn Hazara afkomst. In dat kader had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te horen.

19. Gelet op het voorgaande is eisers beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd, wegens een onzorgvuldig voorbereiding en ondeugdelijke motivering

(artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb). Verweerder moet op eisers aanvraag een nieuw besluit nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Omdat op het beroep is geslist, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

20. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te

veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Gelet op het Besluit proceskosten

bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, stelt de rechtbank de proceskosten voor

rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschriften 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

In de procedure met nummer NL20.12543:

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;

-
vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak te nemen op de met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.575,-.

In de procedure met nummer NL20.12544:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 NL19.13068, niet gepubliceerd.

2 Vindplaats onbekend voor de rechtbank.

3 Pagina 2 en 3 bestreden besluit.

4 Pagina 7 gehoor opvolgende aanvraag.

5 Pagina 3 bestreden besluit.

6 Pagina 12 gehoor opvolgende aanvraag.

7 Pagina 3 bestreden besluit.

8 Pagina 4 gehoor opvolgende aanvraag.

9 Pagina 7 gehoor opvolgende aanvraag.

10 Pagina 8 gehoor opvolgende aanvraag.

11 ECLI: NL:RVS:2019:4202.

12 NL19.28248