Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
NL20.13345
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2830, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BNT. Verweerder heeft met het nemen van het besluit van 3 juni 2020 niet binnen acht weken na verzending van de uitspraak van 13 maart 2020, uiterlijk 8 mei 2020, op de aanvraag van eiser beslist. De rechtbank heeft verweerder niet in zijn standpunt gevolgd dat de artikelen 4:15, tweede lid, onderdeel c, van de Awb en naar analogie artikel 5:34, eerste lid, van de Awb de bevoegdheid aan verweerder toekennen om de beslistermijn waaraan de dwangsom was gekoppeld dan wel de dwangsom zelf op te schorten.. Die wetsartikelen vormen geen rechtsgrond om niet (tijdig) te voldoen aan de in rechte vaststaande uitspraak van 13 maart 2020. Verweerder heeft geen verzoek op grond van artikel 611d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gedaan om vanwege een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende een bepaalde termijn of te verminderen. De rechtbank oordeelt dat er voor verweerder geen rechtsgrond bestaat om de opgelegde beslistermijn van acht weken op te schorten dan wel de dwangsom op te schorten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, herroept het gedeeltelijk vernietigde bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een dwangsom is verschuldigd en dat eiser recht heeft op een dwangsom van € 2.600,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13345


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum] ,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J. Hofstra).

Procesverloop

Eiser heeft, nadat hij verweerder op 19 december 2019 een ingebrekestelling heeft gestuurd, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van

29 november 2018 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

Bij uitspraak van 13 maart 2020 (NL20.336) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, het beroep gegrond verklaard, vastgesteld dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,-, en bepaald dat hij binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, of anders een dwangsom verbeurt van € 100,- voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-.

Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag ingewilligd en tevens bepaald dat hij geen dwangsom aan eiser is verschuldigd.

Eiser heeft op 1 juli 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover verweerder heeft gesteld dat hij geen dwangsom aan eiser is verbeurd.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit bepaalt de bestuursrechter (de rechter) een nadere termijn waarin verweerder alsnog een besluit bekendmaakt en daaraan verbindt hij een dwangsom.

2. Bij uitspraak van 13 maart 2020 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, bepaald dat verweerder binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.

3. Bij besluit van 3 juni 2020 heeft verweerder inwilligend op de asielaanvraag van eiser beslist. Tevens heeft verweerder overwogen dat hij aan eiser geen rechterlijke dwangsom is verschuldigd, omdat de beslistermijn gelet op de overmachtssituatie door het coronavirus is opgeschort. Hij heeft in dit verband verwezen naar artikel 4:15, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Eiser betoogt in beroep dat er geen grondslag is voor het opschorten van de door de rechtbank gegeven beslistermijn van 8 weken.

5. In het verweerschrift van 3 september 2020 stelt verweerder zich op het standpunt dat hij vanaf 16 maart 2020 wegens overmacht geen (verdere) dwangsommen verschuldigd is. De bevoegdheid om tot opschorting van de beslistermijn dan wel dwangsom over te gaan volgt uit artikel 4:15, van de Awb, dan wel - naar analogie - in artikel 5:34, eerste lid van de Awb. In artikel 5:34, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan op verzoek van de overtreder de opgelegde last onder dwangsom opschort, ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid, om aan de verplichtingen te voldoen. Verweerder stelt dat hij de onmogelijkheid om te beslissen ook aan eiser kenbaar heeft gemaakt. Volgens verweerder blijkt uit de wetsgeschiedenis bij de Wet beroep niet tijdig beslissen dat de wetgever niet bedoeld heeft om dwangsommen toe te kennen daar waar het bestuursorgaan wegens overmacht niet in staat is om te beslissen. Ter onderbouwing van de overmachtssituatie heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6088) van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem. Omdat in de zaak van eiser op 29 mei 2020 een combinatiegehoor heeft plaatsgevonden, vindt verweerder dat vanaf die dag niet langer sprake is van een overmachtssituatie. De periode loopt tot en met 3 juni 2020, de dag waarop het inwilligende asielbesluit is genomen. In het geval van eiser is over 6 dagen een dwangsom verschuldigd, namelijk van 29 mei 2020 tot en met 3 juni 2020. Eiser heeft eiser daarom recht op een dwangsom van € 600,- (6 dagen keer € 100,-), aldus verweerder.

6. Partijen zijn het erover eens dat verweerder met het nemen van het besluit van 3 juni 2020 niet binnen acht weken na verzending van de uitspraak van 13 maart 2020, uiterlijk

8 mei 2020, op de aanvraag van eiser heeft beslist. De rechtbank dient, gelet op wat partijen verdeeld houdt, de vraag te beantwoorden of verweerder de beslistermijn waaraan de dwangsom was gekoppeld mocht opschorten.

7. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Niet in geschil is dat verweerder tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 maart 2020 geen verzet heeft ingesteld. Op de zitting heeft verweerder dat ook bevestigd. Dit betekent dat die uitspraak in rechte vast staat. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de artikelen 4:15, tweede lid, onderdeel c, van de Awb en naar analogie artikel 5:34, eerste lid, van de Awb de bevoegdheid aan verweerder toekennen om de beslistermijn waaraan de dwangsom was gekoppeld dan wel de dwangsom zelf op te schorten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat die wetsartikelen geen rechtsgrond vormen om niet (tijdig) te voldoen aan de in rechte vaststaande uitspraak van 13 maart 2020. Het beroep van verweerder op genoemde wetsartikelen, wat verder ook zij van de door de regering genomen maatregelen vanwege het coronavirus, betekent niet dat van die uitspraak kan worden afgeweken. De brief die verweerder op 19 maart 2020 aan eiser heeft gestuurd, waarin is aangegeven dat de Algemene Asielprocedure wordt uitgesteld vanwege het coronavirus, kan daaraan niet afdoen. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem leidt ook niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in die zaak, anders dan in de zaak van eiser, nog geen uitspraak van de rechtbank lag met de opdracht om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen op de aanvraag.

8. De rechtbank is ook niet gebleken dat verweerder een verzoek op grond van artikel 611d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft gedaan om vanwege een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende een bepaalde termijn of te verminderen. Dit wetsartikel is op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard wanneer de bestuursrechter een dwangsom oplegt.

9. Derhalve bestaat er voor verweerder geen rechtsgrond om de opgelegde beslistermijn van acht weken op te schorten dan wel de dwangsom op te schorten. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt, voor zover daarin verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat hij aan eiser geen dwangsom is verschuldigd, voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit.

10. In de uitspraak van 13 maart 2020 heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. Verweerder had dus uiterlijk op 8 mei 2020 een besluit op de aanvraag moeten nemen. Dit betekent dat verweerder over de periode van 9 mei 2020 tot en met 3 juni 2020, de dag waarop verweerder een besluit op de aanvraag heeft genomen, aan eiser een dwangsom is verschuldigd. Het gaat daarbij om in totaal 26 dagen waarmee verweerder de door de rechtbank opgedragen beslistermijn heeft overschreden. Eiser heeft recht op een dwangsom van € 2.600,- (26 dagen keer € 100,-).

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het niet verschuldigd zijn van een dwangsom;

- herroept het bestreden besluit in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het gedeeltelijk vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 2.600,- verbeurt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage-van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na de datum van bekendmaking.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.