Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8740

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
NL20.9365
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beslissen op asielaanvraag. Gegrond. Eerder asielbesluit is vernietigd, waarbij verweerder is opgedragen om binnen 6 weken een nieuw besluit te nemen. Verweerder heeft nog geen nieuw besluit genomen. Er is geen bestuurlijke dwangsom verbeurd, omdat die is bedoeld voor de gevallen waarin de wettelijke beslistermijn is overschreden, terwijl het hier gaat om een door de rechter gegeven termijn. Nu verweerder zich enerzijds niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde beslistermijn en anderzijds van belang is dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twaalf weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Binnen die termijn moet eiser nog aanvullend gehoord worden en is er ruimte voor het uitbrengen van een voornemen, zienswijze en beschikking. Verweerder verbeurt een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 7.500,-, indien hij deze termijn overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9365


uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet

bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 4 maart 2019 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 10 februari 2020 (NL19.13925) het beroep van eiser tegen de afwijzing van die asielaanvraag gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en verweerder opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Op 23 april 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit

op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

Inleiding

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is

bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een

besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet

tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig

een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende

het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het

beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen

twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit

bekendmaakt.

Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan

zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft

de uitspraak na te leven.

Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere

gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere

termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

2. De rechtbank heeft bij brief van 23 april 2020 aan verweerder gevraagd om alle stukken in te dienen die op de zaak betrekking hebben en om een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft bij brief van 12 mei 2020 uitgebreid verweer gevoerd.

2.1.

In die brief heeft verweerder het primaire standpunt ingenomen dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Alhoewel het beroep terecht is ingediend, kan door de getroffen maatregelen in verband met de bestrijding van het coronavirus nu niet worden bepaald wat een redelijke termijn is voor het nemen van een besluit op de onderhavige asielaanvraag, aldus verweerder.

2.2.

Verweerder heeft het subsidiaire standpunt ingenomen dat gelet op alle omstandigheden een haalbare en realistische maatwerkvoorziening of -termijn moet worden opgelegd. Volgens verweerder zal voor de berekening van de hoogte van de verschuldigde bestuurlijke dwangsom rekening gehouden moeten worden met de periode waarin verweerder zich door het coronavirus in een overmachtssituatie bevond. Daarnaast verzoekt verweerder de rechtbank om een termijn van zestien weken op te leggen om alsnog te beslissen op de asielaanvraag. Verweerder verzoekt om een rechterlijke dwangsom van maximaal € 50,- per dag.

3. Eiser heeft bij brief van 20 mei 2020 gereageerd op het verweerschrift. Volgens hem kan geen sprake zijn van niet-ontvankelijkheid van het beroep. Daarnaast is geen sprake van overmacht, nu verweerder voorafgaande aan de invoering van coronamaatregelen voldoende tijd heeft gehad om een beslissing te slaan. Bovendien is geen sprake van volledige feitelijke verhindering om het voor het besluit noodzakelijke werk te verrichten. Eiser ziet niet in waarom de door toedoen van verweerder opgelopen achterstanden en doorlooptijden voor rekening en risico van eiser moeten komen. De genoemde nadere beslistermijn van zestien weken is niet aanvaardbaar. Eiser heeft bovendien recht op de gebruikelijke rechterlijke dwangsommen.

Beoordeling

4. Deze rechtbank, zittingsplaats, Haarlem, heeft bij uitspraak van 10 februari 2020 (NL19.13925) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en verweerder opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Verweerder heeft erkend dat die termijn is overschreden. De rechtbank ziet geen reden om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank wijst daarbij op overweging 2.1 van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6088). Nu aan alle wettelijke vereisten is voldaan, verklaart de rechtbank het beroep kennelijk gegrond.

5. Op grond van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank desgevraagd de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Anders dan verweerder suggereert, kan de rechtbank die dwangsom dus niet ambtshalve vaststellen. Eiser heeft aanvankelijk niet om vaststelling van de dwangsom gevraagd, maar is in zijn brief van 20 mei 2020 wel uitgebreid ingegaan op verweerders stelling dat er door een overmachtssituatie geen bestuurlijke dwangsom is verbeurd. De rechtbank vat eisers betoog op als een impliciet verzoek om de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen.

5.1.

Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is.

5.2.

Uit het voorgaande volgt dat de genoemde dwangsom is bedoeld voor de gevallen waarin de wettelijke beslistermijn is overschreden. Eiser heeft zijn beroep echter ingesteld omdat de door de rechter gegeven beslistermijn van zes weken is overschreden. De afdeling 4.1.3 van de Awb is in dat geval niet van toepassing. Gelet daarop is geen dwangsom verbeurd.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder sinds de hiervoor genoemde uitspraak van 10 februari 2020 geen kenbare stappen heeft ondernomen. De rechtbank overweegt dat, gelet op de capaciteitsproblemen bij verweerder en de problemen door de coronacrisis sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De stellingen van eiser dat die problemen deels aan verweerder zelf te wijten zijn en dat de asielinstroom inmiddels aanzienlijk is verminderd, doen niet af aan het feit dat het onrealistisch en onzorgvuldig is om de in het bestuursrecht gebruikelijke termijn van twee weken te op te leggen. De rechtbank zal daarom een afwijkende beslistermijn bepalen.

6.1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij

uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) overwogen dat, in lijn met de memorie van toelichting bij de Wet beroep bij niet tijdig beslissen (Kamerstukken II 2005/06, 30435, nr. 3), het belang van snelle besluitvorming soms wijken voor het belang van zorgvuldige besluitvorming. Volgens verweerder moet eiser eerst aanvullend gehoord worden. Verweerder zal enige tijd nodig hebben om dat aanvullend gehoor in te plannen. Indien verweerder vervolgens besluit nog een voornemen uit te brengen, dan moet eiser in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen. Anders dan verweerder lijkt te suggereren, heeft eiser daar op grond van artikel 3.116 van het Vreemdelingenbesluit 2000 vier weken de tijd voor. Zie in dit kader overweging 4.1 van de genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. Vervolgens zal verweerder een beslissing moeten nemen. Nu verweerder zich enerzijds niet heeft gehouden aan de door de rechter opgelegde beslistermijn in de uitspraak van 10 februari 2020 en anderzijds van belang is dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twaalf weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen.

7. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de

Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij deze termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag, met een maximum van € 7.500,-. Voornoemde bedragen zijn conform het landelijk beleid en de Afdeling heeft dit beleid in de onder 6.1 genoemde uitspraak niet onredelijk geacht. De rechtbank ziet geen reden om deze dwangsom te verlagen.

8. Verder ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser

in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft

moeten maken. De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een

wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op de

aanvraag van eiser;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na verzending van het afschrift van deze

uitspraak een besluit te nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke

dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 7.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Groeneveld, griffier.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.