Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 535
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf, familierechtelijke relatie en sociale en economische binding met land van herkomst niet aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. K.J.M. Wassenaar),

en

de minister van Buitenlandse zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Chamkh).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 30 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 14 april 2020 en 29 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020 middels videoconferentie. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft Ghanese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1956.

Op 24 april 2019 heeft eiseres verzocht om een afgifte van een visum voor kort verblijf met als doel ‘bezoek aan familie/vrienden’. In het bij de aanvraag overgelegde ‘Bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking’ stelt de heer [referent] (referent) dat eiseres zijn schoonmoeder is.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken en het voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

3. Eiseres voert in beroep aan dat haar gemachtigde in de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid is gesteld om de aangevoerde bezwaren mondeling nader toe te lichten of van extra documenten of informatie te voorzien. Verweerder heeft hierdoor niet kunnen stellen dat er geen bewijsstukken zijn overgelegd. Er had een hoorzitting plaats moeten vinden, waar naar deze bewijsstukken gevraagd had kunnen worden. Vooral nu verweerder op geen enkele wijze heeft aangegeven welke andere documenten overgelegd hadden moeten worden. Het bezwaar is onterecht kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres wenst haar dochter en schoonzoon te bezoeken en dit is met voldoende verifieerbare informatie aannemelijk gemaakt. Verweerder kan dus niet tegenwerpen dat het doel en de omstandigheden niet zijn aangetoond. Ook is aangetoond dat er voldoende financiële zekerheid bestaat en eiseres over voldoende financiële middelen beschikt. Referent heeft ook zijn salarisstroken overgelegd om dit aan te tonen.

Verweerder heeft daarnaast niet onderbouwd dat eiseres niet tijdig zal terugkeren. Referent heeft in andere visumzaken garant gestaan en die andere vreemdelingen zijn tijdig naar Ghana teruggekeerd. Hier gaat verweerder niet op in. Daarnaast is deze afwijzingsgrond, opgenomen in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode, pas voor het eerst in het bestreden besluit tegengeworpen, waardoor er niet eerder dan in beroep hiertegen gronden kunnen worden aangevoerd.

Het bestreden besluit is op onzorgvuldige wijze en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank overweegt dat verweerder terecht voorop stelt dat het bij een aanvraag als deze aan eiseres is om aan te tonen dat zij aan de voorwaarden voor visumverlening voldoet en om daartoe de benodigde bewijsstukken te overleggen. Zoals verweerder in het verweerschrift van 14 april 2020 stelt, zijn in het primaire besluit de redenen van afwijzing duidelijk weergegeven, waardoor eiseres in bezwaar stukken dient over te leggen om de gestelde familierelatie en de sociale en economische binding met het land van herkomst aan te tonen. Dat het primaire besluit een standaard formulier is waar niet verder wordt ingegaan op de persoonlijke situatie van eiseres doet daar niet aan af, aangezien een nadere motivering op grond van artikel 32, tweede lid, van de Visumcode niet is vereist. Verweerder heeft een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ aan de gemachtigde van eiseres toegestuurd waarin ook de gevraagde bewijsmiddelen staan opgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft deze vragenlijst met bewijsmiddelen overgelegd en verweerder heeft dit kenbaar bij de beoordeling van het bestreden besluit betrokken. Gezien deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres de gestelde familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet met objectieve verifieerbare bewijsstukken heeft onderbouwd. Verweerder heeft dit van belang mogen achten omdat de opgegeven reden van het bezoek nu juist van doen heeft met de gestelde relatie tussen eiseres en referent. De gestelde relatie is bij de aanvraag en in bezwaar niet onderbouwd of aangetoond, maar enkel gesteld. Nu er niets is overgelegd komen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van eiseres. Gelet hierop heeft verweerder in dit verband niet ten onrechte gesteld dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

4.3

Uit de imperatieve weigeringsgronden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode volgt dat verweerder reeds gezien het vorenstaande gehouden was de visumaanvraag af te wijzen. De rechtbank zal hieronder niettemin ingaan op de tweede weigeringsgrond en in dat kader beoordelen of verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat de sociale en economische binding van eiseres met Ghana onvoldoende is aangetoond.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode wordt - voor zover van belang - een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten. Anders dan eiseres in beroep stelt is dit in het primaire besluit al mede ten grondslag gelegd aan de afwijzing van haar aanvraag.

De rechtbank stelt voorop dat aan verweerder een ruime beoordelingsruimte toekomt bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland voor het verstrijken van de termijn waarvoor het visum is afgegeven te verlaten. Daarbij mag verweerder zich laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van eiseres met Ghana. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de sociale binding van eiseres met Ghana onvoldoende is aangetoond. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte gesteld dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding van eiseres met Ghana zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Hierbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiseres heeft gesteld weduwe te zijn en vier meerderjarige kinderen te hebben, waarvan er nog twee thuiswonend zijn, maar deze stelling zijn niet onderbouwd. Daarnaast wordt in de vragenlijst aangegeven dat eiseres alleen woont. Gelet op deze informatie heeft verweerder niet ten onrechte geen dagelijkse zorgplicht door eiseres aangenomen. Ook heeft verweerder in dat kader niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres ertoe zouden nopen tijdig naar Ghana terug te keren. Hierbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat niet is gebleken dat eiseres de zorg heeft voor andere directe familieleden. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat tijdige terugkeer naar het land van herkomst niet gewaarborgd is.

4.5

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de economische binding van eiseres met Ghana onvoldoende is aangetoond. Verweerder heeft bij deze beoordeling mogen betrekken dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt in Ghana om zelfstandig in haar eigen onderhoud te kunnen voorzien, en dat daarom tijdige terugkeer van eiseres naar Ghana niet gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte gesteld dat mede gelet op de lokale dan wel algehele situatie in Ghana en de geringe sociale binding, niet aannemelijk wordt geacht dat eiseres tijdig zal terugkeren.

4.6

Omdat de familierechtelijke relatie en de sociale en economische binding met het land van herkomst niet is aangetoond en daarmee redelijke twijfel is blijven bestaan over het voornemen om Nederland tijdig te verlaten, heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen. Voor zover de gronden van het beroepschrift een herhaling zijn van gronden die

eiseres eerder in bezwaar naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat

verweerder hier in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd op is ingegaan.

5. Ten aanzien van de hoorplicht in de bezwaarfase overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van het horen in bezwaar mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiseres is aangevoerd en met de motivering van het in bezwaar bestreden besluit. Gelet op wat eiseres en referent in bezwaar hebben aangevoerd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij wegens kennelijke ongegrondheid van het bezwaar van het horen mocht afzien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Maas, griffier. De uitspraak is gedaan op 7 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.