Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8723

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7901
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat erflater recht heeft op aftrek specifieke zorgkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-11-2020
V-N Vandaag 2020/2807
FutD 2020-3471
NTFR 2020/3453
V-N 2020/64.2.2
NLF 2020/2516 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/7901

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 in de zaak tussen

de erven van [eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: P.J. Stam),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2019 de aanslag gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft kort daarna een nader stuk toegezonden aan de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 10 juli 2020.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, om de gemachtigde van eisers in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van het verweerschrift en het nader stuk. Ter zitting is tevens afgesproken dat de griffier in de week van 17 juli 2020 telefonisch contact met de gemachtigde van eisers opneemt, om na te gaan of voornoemde stukken in goede orde zijn ontvangen en om een zittingsdatum in de eerste week van augustus 2020 af te spreken.

Het verweerschrift en het nader stuk zijn per reguliere post op 10 juli 2020 verzonden aan de gemachtigde van eisers op diens zakelijke postadres, Postbus 26, 2957 ZG te Nieuw-Lekkerland, en diens persoonlijke postadres, [postadres] [nummer] , [postcode] te [plaats] .

De griffier heeft in de week van 17 juli 2020 meermaals gepoogd om de gemachtigde van eisers te bereiken, zowel op het nummer waarop de gemachtigde bereikbaar was tijdens het onderzoek ter zitting van 10 juli 2020, als op diens mobiele telefoonnummer: [mobielnummer] . De griffier heeft de gemachtigde telkenmale niet kunnen bereiken, waarop de rechtbank de datum van de telefonische zitting in de eerste week van augustus heeft bepaald op 5 augustus 2020 om 10:00 uur.

De gemachtigde van eisers is door de griffier bij reguliere post en bij aangetekende post, per brief, verzonden op 21 juli 2020 aan bovengenoemde postadressen, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om deel te nemen aan de telefonische zitting. Bij deze brieven zijn tevens meegestuurd het verweerschrift en het nader stuk van verweerder.

Het onderzoek ter zitting is telefonisch hervat op 5 augustus 2020.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [C] . Eisers en de gemachtigde hebben, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet deelgenomen aan het onderzoek ter zitting. Nu de op 21 juli 2020 verzonden brieven niet ter griffie zijn terugontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om aan de zitting deel te nemen op juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op 7 augustus 2020 een nader schrijven van de gemachtigde van eisers ontvangen. De rechtbank heeft daarin evenwel, gelet op de omstandigheid dat de gemachtigde van eisers zich voor de rechtbank volstrekt onbereikbaar houdt en het de rechtbank ook volstrekt ongeloofwaardig voorkomt dat de (vier) uitnodigingen de gemachtigde van eisers niet tijdig hebben bereikt, geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Feiten

1. [eisers] (erflater) heeft een ongeval gehad, waarna hij onder bewind is gesteld van zijn zoon en naamgenoot [eisers] en zijn dochter [D] . Dit bewind is geëindigd met het overlijden van erflater op 3 november 2016. Erflater was gemoedsbezwaarde.

2. Op 12 juli 2017 is met een papieren F-biljet aangifte IB/PVV 2016 gedaan. Met dagtekening van 8 september 2017 is aan eisers een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd conform de aangifte. Het verzamelinkomen bedroeg daarin € 31.067 en was als volgt opgebouwd:

Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking

€ 49.719

Voordeel uit sparen en beleggen

€ 29.986

Aftrekbare specifieke zorgkosten

-€ 48.638 +

Verzamelinkomen

€ 31.067

3. Op 14 september 2018 heeft verweerder aan eisers verzocht om onderbouwing met bewijsstukken van de in de aangifte opgenomen specifieke zorgkosten. Eisers hebben daarop kennelijk gereageerd met een schrijven van 25 oktober 2018. Dit schrijven, dat verweerder niet tijdig heeft bereikt, bevat een nadere uitsplitsing van de door erflater gemaakte specifieke zorgkosten, maar geen stukken, zoals nota’s, om deze kosten te onderbouwen.

Nadat, volgens verweerder, een reactie uitbleef, heeft hij met dagtekening van

7 december 2018 de definitieve aanslag opgelegd naar een verzamelinkomen van € 79.705. De aftrek voor specifieke zorgkosten is daarbij in zijn geheel geweigerd. De verschuldigde belastingrente is in de aanslag berekend naar € 922.

4. Op 16 januari 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen de definitieve aanslag ontvangen. In het bezwaar hebben eisers aangegeven dat een specificatie van “zorg en ziektekosten” is ingezonden (het schrijven van 25 oktober 2018). Verweerder heeft op 29 juli 2019 eisers verzocht de specifieke zorgkosten nader te onderbouwen. Omdat een reactie van eisers uitbleef, heeft verweerder hun op 3 september 2019 een ‘Vooraankondiging van uitspraak op uw bezwaarschrift’ toegezonden met daarin het voornemen om het bezwaar af te wijzen.

5. Op 20 september 2019 heeft verweerder bij eisers het schrijven van 3 september 2019 in herinnering gebracht en hun tevens uitgenodigd voor een hoorzitting op 7 oktober 2019, of, om vóór die tijd schriftelijk te reageren. Eisers schriftelijke reactie van

4 oktober 2019 heeft verweerder eerst op 8 oktober 2019 bereikt. In dat schrijven wordt door eisers kort ingegaan op de medische geschiedenis van erflater, is tevens verwezen naar eisers niet tijdig ontvangen brief van 25 oktober 2018; ook wordt een handgeschreven nadere uitsplitsing gegeven van de specifieke zorgkosten.

6. Op 8 november 2019 is door verweerder uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij hij per abuis geen rekening heeft gehouden met de brief van 4 oktober 2019. Verweerder heeft eisers bezwaren daarbij afgewezen. Eisers zijn hiertegen in beroep gegaan.

Geschil
7. In geschil is of erflater recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten over het jaar 2016, en, indien dit het geval is, tot welk bedrag.

8. Eisers stellen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en door de kantonrechter te Dordrecht zijn goedgekeurd bij de beëindiging van het bewind. Verweerder stelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat erflater specifieke zorgkosten heeft gemaakt, nu geen facturen, nota’s, betalingsbewijzen of andere bewijsstukken zijn overgelegd. Ter zitting van 5 augustus 2020 heeft verweerder nog aangegeven dat de verhouding tussen het inkomen en de zorgkosten, die volgt uit de verantwoording over het bewind, hem onwaarschijnlijk voorkomt. Voorts verwerpt verweerder een eventueel beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat in eerdere jaren wel aftrek van zorgkosten is toegelaten.

Beoordeling van het geschil

Aftrek zorgkosten

9. Artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bepaalt, voor zover hier van belang, dat uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking worden genomen indien de uitgaven zijn gedaan voor de belastingplichtige. De uitgaven die in aanmerking worden genomen, staan vermeld in artikel 6.17 van de Wet IB 2001, beperkingen staan in artikel 6.18 van diezelfde wet. Op de belastingplichtige rust de last aannemelijk te maken dat hij aan de in dit artikel per uitgave vermelde voorwaarden voldoet.

10. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat erflater recht heeft op aftrek specifieke zorgkosten. Naast het door eisers of diens gemachtigde ingevulde formulier “Uitgaven specifieke zorgkosten 2016”, waarin, uitgesplitst naar verschillende categorieën, een totaal bedrag aan specifieke zorgkosten staat vermeld van

€ 45.703,75 en het door eisers op 4 oktober 2019 aan verweerder toegezonden handgeschreven overzicht met eveneens een uitsplitsing naar verschillende categorieën, zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Het door eisers eerst in beroep overgelegde document “rekening en verantwoording” uit het bewind, waarin onder meer het totaal van de (zorg)kosten is opgenomen die tijdens het bewind over de periode van 1 januari 2016 tot het overlijden op 3 november 2016 zijn gemaakt, kan volgens de rechtbank ook niet als onderbouwing dienen. Het feit dat de kantonrechter bij deze rekening en verantwoording geen aanleiding zag op- of aanmerkingen te maken en het feit dat door de kantonrechter – gelet op het overlijden – het dossier werd gesloten omdat het bewind eindigde, maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt hierbij dat de controle die de kantonrechter in het kader van bewind uitvoert, globaal is (vgl. Hof ’s-Gravenhage, 24 maart 20091) en daardoor ongeschikt om aannemelijk te maken dat de specifieke zorgkosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Aan het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt over de verhouding tussen inkomen en kosten die volgt uit deze verantwoording over het bewind, komt de rechtbank hierdoor niet meer toe.

Vertrouwensbeginsel

11. Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat zij erop mocht vertrouwen dat de specifieke zorgkosten voor aftrek in aanmerking kwamen, omdat in eerdere jaren deze aftrek ook was toegestaan, overweegt de rechtbank als volgt. Of eisers een gerechtvaardigd beroep op opgewekt vertrouwen kunnen doen, is afhankelijk van de omstandigheden die bij eisers de indruk hebben kunnen wekken dat een door verweerder gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling, zoals het doen van een toezegging. Het feit dat in eerdere jaren aftrek is verleend omdat de aangifte zonder nader onderzoek is gevolgd, is hiervoor onvoldoende (vgl. Hof Amsterdam 13 augustus 20192). Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat van een bewuste standpuntbepaling door verweerder sprake is, acht de rechtbank het beroep ook op dit punt ongegrond.

Belastingrente

12. Eisers hebben tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen gronden ingebracht. Niet gebleken is dat de belastingrente tot een te hoog bedrag is berekend.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Wel vindt de rechtbank, in het feit dat verweerder eisers schrijven van 4 oktober 2019 niet heeft betrokken bij het doen van uitspraak op bezwaar, aanleiding om verweerder op te dragen aan eisers het voor deze zaak betaalde griffierecht te vergoeden.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.

1 ECLI:NL:GHSGR:2009:BH9022

2 ECLI:NL:GHAMS:2019:2947