Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8686

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8078
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exploitatievergunning, bestemmingsplan, detailhandel, gemengde functie lichte horeca

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/8079

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] )

en

de burgemeester van Midden-Delfland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.B. van Doorn).

Procesverloop

Na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waarbij [eiser 1] een zienswijze heeft ingediend, heeft verweerder bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) aan [A] (h.o.d.n. Bakkerij van [A] ) (hierna: Bakkerij) voor het exploiteren van een openbare inrichting met terras een vergunning onder voorschriften verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020.

[eiser 1] is verschenen, mede als gemachtigde van de andere twee eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Nu [eiser 2] en [eiseres] geen zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit ten aanzien van de Bakkerij, dient hun beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. [eiser 1] (hierna: eiser) heeft wel een zienswijze ingediend, zodat zijn beroep ontvankelijk is.

2. Eiser is bewoner van een gebouw waarin ook de Bakkerij ( [adres 1] [nummer 4] ) is gevestigd. Hij vreest hinder van de inrichting door verlening van de exploitatievergunning.

3. Op 30 augustus 2016 is voor het gebouw een omgevingsvergunning verleend voor planologisch strijdig gebruik van units 1, 7 en 8 van detailhandel naar horecabestemming. Dit ziet volgens de omgevingsvergunning op de adressen [adres 1] [nummer 1] , [adres 2] [nummer 2] en [adres 2] [nummer 3] . Op 19 juli 2018 is ook een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van terrassen bij commerciële ruimten met een horecafunctie. Het gaat hierbij volgens de omgevingsvergunning om dezelfde drie adressen en om [adres 1] [nummer 4] .

4. In artikel 2:28, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Midden-Delfland 2010 (hierna: APV) staat:

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

5.
Eiser betoogt dat de verleende vergunning in strijd is met het bestemmingsplan ‘’t Spreeuwennest’. Hij voert daartoe aan dat met de vergunningverlening aan onder meer de Bakkerij het uit het bestemmingsplan te herleiden percentage van 30% voor de ruimten op de eerste bouwlaag dat mag worden gebruikt voor horeca wordt overschreden.

Voorts betoogt eiser dat de vergunning op grond van artikel 2.28, derde lid, van de APV geweigerd had moeten worden, omdat de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast. Hij vreest voor geluidsoverlast als gevolg van bezoekers met auto’s en voor parkeeroverlast. Voorts stelt eiser dat ten onrechte in de vergunning voor het terras geen rookverbod is opgenomen en geen voorschrift dat de ramen en deuren in de gevel in beginsel gesloten dienen te zijn.

Verder wijst eiser erop dat uit de stukken niet is gebleken dat de aanvrager van de vergunning een Verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) heeft overgelegd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Strijdigheid met het bestemmingsplan?

7.1

Verweerder heeft ter zitting erop gewezen dat in het bestemmingsplan voor het pand een ‘gemengde functie’ is vastgesteld. Hieronder valt op grond van artikel 3.1 van het bestemmingsplan voor uitsluitend de eerste bouwlaag onder meer detailhandel, maatschappelijke dienstverlening en horecabedrijven uit categorie 1 zoals genoemd onder 1.21. In artikel 1.21 van het bestemmingsplan wordt onder de categorie 1 ‘Lichte horeca’ begrepen. Dit betreffen bedrijven die in beginsel alleen overdag en ’s avonds behoeven te zijn geopend en zich in hoofdzaak bezig houden met verstrekking van etenswaren en maaltijden, en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat, gelet op de gemengde functie, in alle winkels ‘Lichte horeca’ als nevenfunctie is toegestaan. Dit geldt ook voor de Bakkerij. Daarvoor is geen exploitatievergunning vereist. Indien het terras wordt uitgezet is er, gelet op de omvang daarvan, geen sprake meer van een nevenactiviteit van de winkelactiviteit. Wanneer het terras wordt uitgezet is daarom een exploitatievergunning nodig. Bij besluit van 19 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Midden Delfland een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van het terras. Daarmee is strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven. In de omgevingsvergunning is ten aanzien van het terras aan de [adres 1] [nummer 4] in de voorwaarden opgenomen dat het terras wordt gebruikt ten behoeve van ‘detailhandel met ondergeschikte horeca’: het terras wordt alleen gebruikt tijdens de openingstijden van de winkel, in hoofdzaak voor het nuttigen van etenswaren door de klanten van de horeca. De exploitatievergunning ziet dan ook op het terras van de Bakkerij.

7.2

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vergunningverlening niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat artikel 2:28, tweede lid, van de APV dan ook niet in de weg staat aan de vergunningverlening.

Ontoelaatbare nadelig beïnvloeding van het woon- en leefklimaat?

8.1

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling; zie de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:822) dat de uit de Wet milieubeheer en het op basis daarvan vastgestelde Activiteitenbesluit milieubeheer voortvloeiende geluidsnormen niet met zich brengen dat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag om een horeca-exploitatievergunning aan geluidshinderaspecten voorbij kan gaan. Geluid maakt deel uit van de uitstraling van de inrichting en is dus mede bepalend voor de woon- en leefsituatie in de omgeving. Zoals de Afdeling echter eveneens in die uitspraak van 21 augustus 2013 heeft overwogen, zijn de uit de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer voortvloeiende geluidsnormen een gegeven en zal bij de beoordeling van een aanvraag om een horeca-exploitatievergunning ervan uit moeten worden gegaan dat aan die normen wordt voldaan. Als niet aan die normen wordt voldaan, dan zal gebruik moeten worden gemaakt van de aan de milieuwetgeving te ontlenen bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders om aan een schending van de normen een einde te maken.

De rechtbank heeft ten aanzien van de door eiser aangevoerde geluidshinder in haar uitspraak van 10 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:9423; rechtsoverwegingen 6.4 tot en met 7.12) reeds overwogen dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een onaanvaardbare achteruitgang van het woon- en leefklimaat. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze procedure daarover anders te oordelen. Derhalve biedt de door eiser aangevoerde geluidshinder geen grond voor weigering van de door de Bakkerij gevraagde vergunning.

8.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid mocht aannemen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de Bakkerij niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Verweerder mocht daarbij betrekken dat het betrokken gebouw is gelegen in het centrumgebied van het dorp [dorp] , dat om die reden onrustiger is dan een woongebied buiten het centrum. Voorts mocht verweerder bij zijn beoordeling van de woon- en leefsituatie betrekken dat het hier gaat om lichte horeca. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat hij in de vergunning voorschriften heeft opgenomen om de nadelige beïnvloeding – die er in enige mate wel is – te beperken. De rechtbank acht het niet in strijd met de rechtszekerheid dat in de vergunning aan de Bakkerij geen rookverbod is opgenomen, terwijl dit in de voorschriften bij de vergunning aan bijvoorbeeld [bedrijf] wel is opgenomen. Immers het balkon van eiser ligt direct boven het bij [bedrijf] behorende terras en niet boven het terras bij de Bakkerij dat verderop ligt. Nu eiser op zijn balkon geen last kan ondervinden van rokers op het terras bij de Bakkerij, zo daarvan sprake zou zijn, heeft verweerder er in redelijkheid van af kunnen zien dezelfde voorschriften te verbinden aan de exploitatievergunning voor de Bakkerij.

8.3

In het betoog van eiser dat hij parkeeroverlast ervaart doordat er regelmatig wordt geparkeerd op plekken die niet zijn ingericht als parkeerplaatsen is geen grond gelegen om de exploitatievergunning te weigeren. Daartegen kan handhavend worden opgetreden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat het regelmatig voor hem lastig is om een parkeerplaats te vinden wordt veroorzaakt door de verleende vergunning en dat dit leidt tot een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefomgeving.

Overig

9.1

Het betoog van eiser dat niet is gebleken dat bij de aanvraag voor de exploitatievergunning een VOG is overgelegd die uiterlijk drie maanden voor de indiening van de aanvraag is afgegeven kan, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden, omdat het overleggen van een recente VOG beoogt het algemeen belang te bescherming en eisers belangen niet zodanig verweven zijn met dit algemeen belang dat vereiste van het overlegging van een VOG ook moet worden geacht te strekken tot bescherming van zijn belangen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiser 2] en [eiseres] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser 1] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.