Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8639

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/09/593140 / KG ZA 20/435
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing conservatoir beslag. Derde-beslagene is niet gehouden aan beslaglegger informatie te verstrekken over beslagmogelijkheden die geen betrekking hebben op rechtsverhouding die derde-beslagene met beslagdebiteur heeft, ook niet als derde-beslagene onderdeel is van een groep en op grond daarvan er wetenschap van heeft dat er bij een andere rechtspersoon binnen de groep een beslagobject beschikbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/593140 / KG ZA 20/435

Vonnis in kort geding van 5 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser, sub 1] te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

2. [eiser, sub 2] te [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

3. [eiser, sub 3] te [plaats 2] ,

Eisers

advocaten mr. M.L.M. Bindels en mr. I.J.A. Tax te Rotterdam,

tegen:

1 [gedaagde, sub 1] te [plaats 3] ,

2. [gedaagde, sub 2] te [plaats 4] , gemeente [gemeente 2] .

gedaagden,

advocaat mr. D.J. Kap te Groningen.

Eisers worden hierna afzonderlijk aangeduid als respectievelijk ‘ [eiser, sub 1] ’, ‘ [eiser, sub 2] ’ en ‘ [eiser, sub 3] ’ en gezamenlijk als ‘ [eiser, sub 1 c.s.] ’. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [gedaagde, sub 1 c.s.] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden pleitnota’s van partijen;

- de op 4 juni 2020 – via beeldverbinding (‘Skype’) – gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Op 5 juni 2020 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 18 juni 2020.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser, sub 1] en [eiser, sub 2] maken onderdeel uit van een groep. Zij hebben dezelfde aandeelhouder, die tevens bestuurder is. [eiser, sub 3] is één van de twee gevolmachtigden van zowel [eiser, sub 1] als [eiser, sub 2] .

2.2.

[eiser, sub 1] is een bomen- en plantenkwekerij die zich ook richt op het verhandelen van grote partijen en het verpakken van tuin- en kamerplanten. [eiser, sub 2] houdt zich bezig het verhandelen van (versierde/verpakte) kerstbomen.

2.3.

Voor de kerstperiode van 2019 heeft [eiser, sub 2] een opdracht van Aldi Duitsland ontvangen voor het leveren van ongeveer 50.500 verpakte en versierde kerstbomen. Voor het verpakken en versieren heeft [eiser, sub 2] De Veenbouwte B.V. (hierna: ‘De Veenbouwte’) ingeschakeld. De werkwijze bij de uitvoering van deze opdracht was aldus dat [eiser, sub 2] kerstbomen, versiering en verpakking naar een loods aan de [adres] (hierna: ‘de loods’) bracht, waarna De Veenbouwte de kerstbomen versierde en inpakte. Met Aldi Duitsland was [eiser, sub 2] overeengekomen dat Aldi Duitsland de versierde en ingepakte bomen op 27 en 28 november 2019 zou ophalen bij de loods.

2.4.

[gedaagde, sub 1 c.s.] stellen een vordering te hebben op De Veenbouwte van in hoofdsom € 717.064,92, bestaande uit een lening (althans een verschuldigd gebleven koopsom) en uit vorderingen die zij uit hoofde van (onder meer) een recht van erfpacht dat aan De Veenbouwte is verstrekt, op de Veenbouwte hebben. In verband met al hetgeen [gedaagde, sub 1 c.s.] te vorderen hebben van De Veenbouwte, heeft De Veenbouwte bij hypothecaire akte van 8 oktober 2018 een recht van hypotheek gevestigd ten gunste van [gedaagde, sub 1 c.s.] op het recht van erfpacht.

2.5.

Op 6 november 2019 hebben [gedaagde, sub 1 c.s.] in verband met de inning van voormelde vordering executoriaal beslag gelegd op roerende en onroerende zaken van De Veenbouwte. Vervolgens heeft de betrokken deurwaarder op 20 november 2019 de heer [A] aangesteld als gerechtelijk bewaarder (hierna: de gerechtelijk bewaarder).

2.6.

Op 21 november 2019 hebben [gedaagde, sub 1 c.s.] onder [eiser, sub 1] executoriaal derdenbeslag gelegd op al hetgeen De Veenbouwte te vorderen mocht hebben of krijgen op [eiser, sub 1] in verband met voormelde vordering van [gedaagde, sub 1 c.s.] op De Veenbouwte.

2.7.

Op 22 november 2019 heeft de gerechtelijk bewaarder medegedeeld een retentierecht uit te oefenen op alle zaken, voorraden en activa in (onder andere) de loods. De gerechtelijk bewaarder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij ook retentierecht uitoefende op de kerstbomen die zich in verband met de onder 2.3 omschreven opdracht in de loods bevonden.

2.8.

[eiser, sub 1] heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het gepretendeerde retentierecht onrechtmatig was en er is tussen de advocaat van [eiser, sub 1] (mr. Bindels voornoemd) en de gerechtelijk bewaarder en de deurwaarder op 22, 23 en 24 november 2019 contact geweest over de opheffing van het retentierecht.

2.9.

Op 22 november 2019 heeft de deurwaarder per e-mail als volgt aan de gerechtelijk bewaarder bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

De kerstbomen vallen niet onder het beslag en daardoor niet onder de bewaargeving. Wij hebben daarom ook derdenbeslag onder [eiser, sub 1] gelegd. Ons inziens heeft u niet het recht van retentie. Ons advies is om de kerstbomen vrij te geven.

(…)”

2.10.

Op 25 november 2019 heeft de advocaat van [eiser, sub 1] telefonisch aan de deurwaarder medegedeeld dat er op het moment van beslaglegging geen rechtsverhouding bestond tussen [eiser, sub 1] en De Veenbouwte. Op dezelfde dag heeft [eiser, sub 1] een verklaring derdenbeslag (hierna ook: ‘de derdenverklaring’) afgegeven, waarin zij heeft verklaard “dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen zal krijgen.”

2.11.

Op 27 november 2019 heeft de advocaat van [eiser, sub 1] c.s. als volgt bericht aan de advocaat van [gedaagde, sub 1 c.s.] , voor zover nu relevant:

“(…)

Na ons contact per telefoon en per e-mail van heden ochtend bevestig ik nog even waar wij op uit zijn gekomen. Ik begrijp dat u dit nog moet afstemmen met uw cliënten. Als volgt:

Client betaalt EUR 10.000,- (EUR 12.100 incl. BTW) als vergoeding voor gebruikmaking van de opslag. Daarmee heeft de betaling te gelden als een betaling op de vordering van de heren [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 1] op de Veenbouwte B.V.

Wanner wij overeenstemming bereiken zal het nog enige tijd kosten om een en ander te organiseren. Zoals aangegeven zal de betaling plaatsvinden vanaf onze derdengeldenrekening; zodra wij akkoord van uw cliënten hebben ontvangen zal ik aan u bevestigen dat wij die betaling in gang gaan zetten. Bij akkoord tussen partijen zal de uitlevering echter wel ongehinderd en onbelemmerd plaatsvinden - ook in afwachting van ontvangst van de betaling. lk begrijp dat uw cliënten dan nog geen rechten zullen vrijgeven. De uitlevering kan achter voor een zeer groot gedeelte plaatsvinden terwijl nog genoeg 'onderpand' achter zal blijven voor de relatief beperkte vordering waar uw cliënten pretenderen recht op te hebben.

Na voldoening van het voornoemde bedrag op uw derdengeldenrekening geven uw cliënten hun gepretendeerde rechten ten aanzien van de partijen kerstbomen onherroepelijk en onvoorwaardelijk vrij en zullen zij, noch de heer [A] , op enigerlei wijze de verdere uitlevering verhinderen of belemmeren,

Na voldoening van het voornoemde bedrag op uw derdengeldenrekening en uitlevering van de kerstbomen verlenen [eiser, sub 1] enerzijds en de heren [gedaagde, sub 2] en [gedaagde, sub 1] anderzijds elkaar finale kwijting voor al hetgeen zij over en weer te vorderen hebben uit hoofde van het derdenbeslag, het door uw cliënten uitgeoefende retentierecht en anderszins verband houdende met (de uitlevering van) de kerstbomen.

(…)”

In reactie op deze e-mail heeft de advocaat van [gedaagde, sub 1 c.s.] op dezelfde dag het volgende bericht:

“(…)

Mijn cliënten stemmen in met het voorstel zoals u dat hieronder en zojuist hebt vermeld. U kunt uw cliënte mededelen er verdere uitvoering aan te kunnen geven.

(…)”

Vervolgens zijn de kerstbomen vrijgegeven.

2.12.

De Veenbouwte is op 3 december 2019 failliet verklaard.

2.13.

Bij dagvaarding van 24 januari 2019 hebben [gedaagde, sub 1 c.s.] bij deze rechtbank naar aanleiding van de door [eiser, sub 1] afgegeven verklaring derdenbeslag een verklaringsprocedure (hierna: ‘de verklaringsprocedure’) op grond van artikel 477a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) tegen [eiser, sub 1] aanhangig gemaakt. [gedaagde, sub 1 c.s.] vorderen in deze procedure:

“primair

eisers te ontvangen in hun vorderingen die ertoe strekken dat [eiser, sub 1] in rechte een gerechtelijke verklaring aflegt betreffende de eerder door [eiser, sub 1] afgelegde verklaring buiten rechte;

[eiser, sub 1] te veroordelen tot betaling van hetgeen [eiser, sub 1] volgens uw Rechtbank aan eisers moeten toekomen, een en ander voor zover nodig vast te stellen bij staat;

subsidiair

Voor recht te verklaren dat [eiser, sub 1] middels het afgeven van een onvolledige respectievelijk niet correcte verklaring onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld en derhalve schadeplichtig is waarvan de omvang tenminste de schade is zoals onder het primaire deel van dit petitum is gesteld, nader op te maken bij staat;

(…)”

2.14.

In reactie op de dagvaarding van 24 januari 2019 heeft [eiser, sub 1] bij brieven van 28 januari 2020 en 6 februari 2020 aan [gedaagde, sub 1 c.s.] een nadere toelichting gegeven op de door haar afgegeven derdenverklaring en stukken overgelegd.

2.15.

Op 8 april 2020 heeft [eiser, sub 1] een conclusie van antwoord ingediend in de verklaringsprocedure.

2.16.

Op 6 mei 2020 is door de voorzieningenrechter in deze rechtbank aan [gedaagde, sub 1 c.s.] verlof verleend om ten laste van [eiser, sub 1] c.s. conservatoir beslag te leggen onder ABN-AMRO Bank ter verzekering van verhaal van een vordering die voorlopig is begroot op € 890.046,92. Ten aanzien van [eiser, sub 1] en [eiser, sub 2] is tevens verlof verleend om herhaald beslag te leggen, ten hoogste drie keer en binnen dertig dagen na het eerst gelegde beslag. In het beslagrekest waar dit verlof op is gegeven stellen [gedaagde, sub 1 c.s.] het volgende:

 [eiser, sub 1] en [eiser, sub 2] hebben meervoudig onrechtmatig gehandeld jegens [gedaagde, sub 1 c.s.] , waardoor [gedaagde, sub 1 c.s.] schade hebben geleden.

 [gedaagde, sub 1 c.s.] voeren daartoe aan dat [eiser, sub 1] – die dezelfde operationeel directeur heeft als [eiser, sub 2] , namelijk [eiser, sub 3] – wist dat [eiser, sub 2] debiteur van De Veenbouwte was. Door in de derdenverklaring niet kenbaar te maken aan [gedaagde, sub 1 c.s.] dat [eiser, sub 2] de debiteur van De Veenbouwte was, heeft [eiser, sub 1] zich schuldig gemaakt aan het uit het zicht houden van een verhaalsmogelijkheid, hetgeen in de gegeven situatie onrechtmatig is. [eiser, sub 1] heeft een zorgvuldigheidsnorm geschonden door de derdenverklaring niet te staven met bescheiden zoals bedoeld in artikel 476a lid 2f Rv juncto 476b lid 2 Rv. Gevolg hiervan is dat [eiser, sub 1] op de voet van artikel 6:162 BW juncto 6:163 BW aansprakelijk is voor de door [gedaagde, sub 1 c.s.] geleden schade.

 [gedaagde, sub 1 c.s.] stellen verder dat doordat [eiser, sub 1] haar derdenverklaring niet heeft gestaafd met bescheiden, met als doel – zo blijkt uit de correspondentie tussen de advocaten van partijen – om [eiser, sub 2] buiten het bereik van [gedaagde, sub 1 c.s.] te houden, [gedaagde, sub 1 c.s.] geen beslag onder [eiser, sub 2] hebben kunnen leggen. Gevolg hiervan was dat [eiser, sub 2] geen verklaring af heeft hoeven leggen, terwijl zij dat wel had moeten doen en wist dat de door haar achtergehouden informatie essentieel was voor [gedaagde, sub 1 c.s.] Door [eiser, sub 1] is in samenspanning met [eiser, sub 2] een situatie gecreëerd die vergelijkbaar is met artikel 477a lid 1 Rv.

 Daarnaast was er volgens [gedaagde, sub 1 c.s.] sprake van vereenzelviging en hebben [eiser, sub 1] en [eiser, sub 2] het groepsbelang van [eiser, sub 1] laten prevaleren boven het belang van de beslagleggers. [eiser, sub 2] heeft op 22 november 2019 de identiteit van [eiser, sub 1] aangenomen om onder de beslaglegging namens [gedaagde, sub 1 c.s.] uit te komen. Vervolgens is [eiser, sub 1] ná het weekend van 23 en 24 november 2019 de identiteit van [eiser, sub 2] blijven innemen, terwijl zij er – volgens haar eigen stelling – in dat weekend achter was gekomen dat niet zij maar [eiser, sub 2] de debiteur van De Veenbouwte was.

 [eiser, sub 1] c.s. zijn, aldus nog steeds [gedaagde, sub 1 c.s.] , aansprakelijk voor de door [gedaagde, sub 1 c.s.] als gevolg van dit misbruik van identiteitsverschil geleden schade aansprakelijk.

2.17.

Op 11 mei 2020 hebben [gedaagde, sub 1 c.s.] op grond van voormeld verlof ten laste [eiser, sub 1] c.s. conservatoir beslag gelegd onder ABN-AMRO Bank

3 Het geschil

3.1.

[eiser, sub 1] c.s. vorderen, zakelijk weergegeven:

i. – primair de op verzoek van [gedaagde, sub 1 c.s.] op of omstreeks 11 mei 2020 gelegde conservatoire derdenbeslagen op te heffen, althans

- subsidiair de vorderingen van [gedaagde, sub 1 c.s.] zoals vermeld in het beslagverlof van 6 mei 2020 opnieuw te begroten en te verlagen tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag en te bepalen dat [gedaagde, sub 1 c.s.] op straffe van een dwangsom gehouden zijn de beslagen op te heffen als voor dat nader begrootte bedrag zekerheid wordt verstrekt in de vorm van een bankgarantie;

[gedaagde, sub 1 c.s.] te verbieden voor de door haar in haar beslagrekest van 5 mei 2020 vermelde vorderingen nogmaals beslag te leggen ten laste van één of meer van eisers, althans te bepalen dat [gedaagde, sub 1 c.s.] gehouden zullen zijn bij het vragen van verlof daarvoor een afschrift van dit vonnis over te leggen, althans te bepalen dat de betreffende eiser(s) op dat verzoek om verlof zullen worden gehoord, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[gedaagde, sub 1 c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de (forfaitair berekende) kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijk rente bij niet tijdige betaling.

3.2.

Daartoe voeren [eiser, sub 1] c.s. – kort samengevat – het volgende aan. De gepretendeerde vordering van [gedaagde, sub 1 c.s.] op [eiser, sub 1] c.s. is om verschillende, in de dagvaarding nader uiteen gezette, redenen ondeugdelijk en daarom moet het beslag worden opgeheven. Daarnaast moet het beslag worden opgeheven omdat [gedaagde, sub 1 c.s.] bij het indienen van het beslagrekest hebben gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv door verschillende relevante feiten te verzwijgen en door te verzuimen om de conclusie van antwoord van [eiser, sub 1] in de verklaringsprocedure bij het verzoekschrift te voegen. [gedaagde, sub 1 c.s.] hebben daarmee de gegevens die noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing aan de voorzieningenrechter onthouden. Daarmee hebben [gedaagde, sub 1 c.s.] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv en dat gebrek vormt een zelfstandige grond voor opheffing van de beslagen.

3.3.

[gedaagde, sub 1 c.s.] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het meest verstrekkende verweert van [gedaagde, sub 1 c.s.] houdt in dat [eiser, sub 1] c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij het spoedeisend belang van haar vorderingen niet heeft onderbouwd. Dit verweer wordt gepasseerd. Een vordering tot opheffing van conservatoir beslag is naar zijn aard spoedeisend, te meer indien beslag gelegd is op bankrekeningen. Indien dit beslag moet worden opgeheven, hetgeen hierna beoordeeld zal worden, hebben [eiser, sub 1] c.s. er belang bij dat dit zo spoedig mogelijk gebeurt.

4.2.

[gedaagde, sub 1 c.s.] hebben verder gesteld dat in de verklaringsprocedure tussen hen en [eiser, sub 1] en in de nog aanhangig te maken bodemprocedure tussen hen en [eiser, sub 1] c.s. de gehele kwestie en de daaraan gelieerde rechtsvragen aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is volgens [gedaagde, sub 1 c.s.] niet zinvol en passend om de geschillen in dit kort geding over te doen. Ook dit verweer wordt gepasseerd. Voor zover [gedaagde, sub 1 c.s.] hiermee bedoelen te stellen dat de verklaringsprocedure en/of de bodemprocedure aan een vordering in kort geding tot opheffing van de beslagen in de weg staan, merkt de voorzieningenrechter op dat artikel 705 lid 1 Rv uitdrukkelijk de mogelijkheid creëert om – daargelaten de mogelijkheid om in de verklaringsprocedure en/of de bodemprocedure de tussen partijen spelende geschillen aan de rechter voor te leggen – bij de voorzieningenrechter die verlof tot het leggen van beslag heeft gelegd, de opheffing van dat beslag te vorderen. Voor zover dit past bij een beoordeling in kort geding – die naar zijn aard beperkter is dan een beoordeling in een bodemprocedure – kunnen daarbij tevens gronden die in een bodemprocedure aan de orde worden gesteld worden getoetst.

4.3.

Op grond van artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ten laste van [eiser, sub 1] c.s. gelegde conservatoire beslagen moeten worden opgeheven en overweegt daartoe als volgt.

4.5.

[gedaagde, sub 1 c.s.] betwisten niet (meer) dat de derdenverklaring juist is afgegeven in die zin dat daarin terecht is opgenomen dat er – kort gezegd – tussen [eiser, sub 1] en De Veenbouwte op het moment van beslaglegging geen sprake was (en evenmin is geweest) van een rechtsverhouding op grond waarvan De Veenbouwte nog iets van [eiser, sub 1] had te vorderen. [gedaagde, sub 1 c.s.] vinden dat [eiser, sub 1] c.s. desondanks schadeplichtig zijn, onder meer omdat [eiser, sub 1] in haar derdenverklaring – of de daarbij te verstrekken stukken – niet heeft aangegeven dat er een rechtsrelatie bestond tussen [eiser, sub 2] en De Veenbouwte.

4.6.

De voorzieningenrechter is met [eiser, sub 1] c.s. van oordeel dat [eiser, sub 1] niet gehouden was bij het afgeven van de derdenverklaring informatie te verschaffen over de rechtsverhouding tussen [eiser, sub 2] en De Veenbouwte. Weliswaar maken [eiser, sub 1] en [eiser, sub 2] deel uit van dezelfde groep, maar het zijn afzonderlijke rechtspersonen. Uit de wet (artikel 476a lid 2 onder a Rv) volgt (voor zover nu relevant) slechts dat de derde-beslagene met redenen omkleed en zoveel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden (artikel 476b lid 2 Rv) opgave moet doen of hij wel of niet iets verschuldigd is of zal worden aan de geëxecuteerde. Uit deze artikelen of anderszins volgt niet dat de derde-beslagene gehouden is om aan de beslaglegger informatie te verstrekken over beslagmogelijkheden die geen betrekking hebben op de rechtsverhouding die de derde-beslagene zelf met de beslagdebiteur heeft. Anders dan [gedaagde, sub 1 c.s.] menen kan dit ook niet worden afgeleid uit artikel 476a lid 2 onder f Rv, waarin is bepaald dat de derdenverklaring verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn moet bevatten. Niet valt in te zien waarom een derde-beslagene op grond van dit artikel informatie moet verschaffen over rechten die betrekking hebben op een derde en niet op haarzelf. De voorzieningenrechter is met [eiser, sub 1] c.s. van oordeel dat dit niet anders is als de derde-beslagene onderdeel is van een groep en op grond daarvan er wetenschap van heeft dat er bij een andere rechtspersoon binnen die groep een beslagobject beschikbaar is. Dit neemt immers niet weg dat er sprake is van twee verschillende, zelfstandig handelende rechtspersonen. Met [eiser, sub 1] c.s. is de voorzieningenrechter van oordeel dat een derde-beslagene in strijd zou kunnen handelen met zorgplichten die deze jegens de beslagdebiteur heeft indien de derde-beslagene toch informatie zou verstrekken over een rechtsverhouding tussen de beslagdebiteur en een derde.

4.7.

Het vorenstaande wordt niet anders door de omstandigheid dat [eiser, sub 1] direct na de beslaglegging heeft gehandeld alsof het beslag onder haar wél doel had getroffen. Zoals [eiser, sub 1] c.s. gemotiveerd hebben toegelicht, verkeerde [eiser, sub 1] op dat moment nog in de veronderstelling dat zij een rechtsverhouding had met De Veenbouwte en is zij eerst in het weekend van 23 en 24 november 2019 tot de ontdekking gekomen dat [eiser, sub 2] een rechtsverhouding met De Veenbouwte had. Dit is vervolgens – dat is tussen partijen niet in geschil – op 25 november 2019 direct aan de betrokken deurwaarder medegedeeld en op diezelfde dag is de derdenverklaring waaruit dit blijkt afgegeven. Dat [eiser, sub 1] vervolgens alsnog een schikking heeft getroffen met [gedaagde, sub 1 c.s.] over de kerstbomen waarop de bewaarder stelde een retentierecht uit te oefenen werpt evenmin een ander ligt op de zaak. Er was sprake van een situatie waarin duidelijk was dat het beslag geen doel had getroffen. [eiser, sub 1] had de rechtmatigheid van het door de deurwaarder uitgeoefende retentierecht op de kerstbomen al gemotiveerd betwist en de deurwaarder had aan de bewaarder bericht dat hij niet het recht van retentie had en hem geadviseerd de kerstbomen vrij te geven. De gerechtelijk bewaarder bleek desondanks niet bereid afstand te doen van het retentierecht dat hij uitoefende op de kerstbomen en om de kerstbomen vrij te geven. In het licht van die omstandigheden kan het [eiser, sub 1] c.s. niet worden verweten dat zij – ter bescherming van het belang van de groep waar zij deel van uitmaakt – alsnog deze schikking heeft willen treffen. Het lag daarbij ook niet op de weg van [eiser, sub 1] om bij de totstandkoming van deze schikking zelfstandig informatie te verstrekken aan [gedaagde, sub 1 c.s.] over de rechtsverhouding tussen [eiser, sub 2] en De Veenbouwte, dit te minder omdat [gedaagde, sub 1 c.s.] . er door middel van de derdenverklaring zelf al van op de hoogte waren dat er geen rechtsverhouding was tussen [eiser, sub 1] en De Veenbouwte en ook [gedaagde, sub 1 c.s.] desondanks deze schikking hebben willen treffen.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde, sub 1 c.s.] voldoende aannemelijk is, voor zover deze vordering is gegrond op de stelling dat [eiser, sub 1] heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 476a lid 2 onder f Rv en 476 b lid 2 Rv. Anders dan [gedaagde, sub 1 c.s.] menen, hoefde [eiser, sub 1] dan ook in de derdenverklaring (of de daarbij te verstrekken tot staving dienende bescheiden) geen informatie te verstrekken waaruit de rechtsverhouding tussen [eiser, sub 2] en De Veenbouwte zou blijken. Hiermee ontvalt ook de grond onder de stellingen dat [eiser, sub 1] en/of [eiser, sub 1] c.s. door het niet verstrekken van de informatie over de rechtsverhouding tussen [eiser, sub 2] en De Veenbouwte onrechtmatig heeft (hebben) gehandeld. Uit het vorenstaande volgt eveneens dat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is geweest onrechtmatig handelen door samenspanning, vereenzelviging en/of misbruik van identiteitsverschil door [eiser, sub 1] c.s. Van de summierlijke ondeugdelijkheid van de daarop gebaseerde vordering is derhalve eveneens gebleken.

4.9.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Ook als het vorenstaande anders zou moeten worden beoordeeld zou dat er nooit toe leiden dat [gedaagde, sub 1 c.s.] als gevolg van onrechtmatig handelen van [eiser, sub 1] c.s. (of één van hen) schade zou lijden tot de omvang waarvoor nu beslag is gelegd. Een situatie als bedoeld in artikel 477a lid 1, eerste volzin Rv (op grond waarvan de derde-beslagene kan worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar) is niet aan de orde, aangezien [eiser, sub 1] na het uitbrengen van de dagvaarding in de verklaringsprocedure alsnog nadere informatie heeft verstrekt. Met die nadere informatie heeft zij in elk geval – dat erkennen [gedaagde, sub 1 c.s.] ook – aan haar verklaringsplicht voldaan. Een veroordeling tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd als ware [eiser, sub 1] zelf schuldenaar is dan niet meer aan de orde. Verder geldt dat indien voor [gedaagde, sub 1 c.s.] direct duidelijk was geweest dat niet [eiser, sub 1] maar [eiser, sub 2] een rechtsverhouding had met De Veenbouwte en zij beslag had gelegd onder [eiser, sub 2] , deze beslaglegging dan had doel getroffen voor hooguit € 31.447,59 (de hoogte van vordering die De Veenbouwte – volgens onweersproken stelling van [eiser, sub 1] c.s. – op dat moment op [eiser, sub 2] had). De schade die [gedaagde, sub 1 c.s.] stelt te hebben geleden doordat zij door het volgens haar onrechtmatige handelen van [eiser, sub 1] c.s. geen beslag heeft kunnen leggen ten laste van [eiser, sub 2] bedraagt derhalve ten hoogste een bedrag van € 31.447,59. Voorshands is voldoende aannemelijk dat alsdan op dit bedrag nog een bedrag van € 12.100,= in mindering zou worden gebracht, zijnde het bedrag dat uit hoofde van de bereikte schikking reeds aan [gedaagde, sub 1 c.s.] is uitbetaald, zodat van een schade aan de zijde van [gedaagde, sub 1 c.s.] van hooguit € 19.347,59 sprake zou kunnen zijn. Van een noodzaak voor het leggen van beslag voor een zo beperkt bedrag is de voorzieningenrechter niet gebleken, zodat ook indien [gedaagde, sub 1 c.s.] worden gevolgd in hun stellingen dat [eiser, sub 1] informatie had moeten verstrekken over de rechtsverhouding tussen De Veenbouwte en [eiser, sub 2] het beslag zou worden opgeheven.

4.10.

In het vorenstaande is nog onbesproken gebleven wat de gevolgen zijn van het faillissement van De Veenbouwte – waardoor alle beslagen zijn komen te vervallen en alle stellingen van [eiser, sub 1] c.s. omtrent de vordering van [gedaagde, sub 1 c.s.] op De Veenbouwte, die volgens [eiser, sub 1] c.s. geen, althans niet in volle omvang, stand kan houden. Dit alles kan in het licht van het vorenstaande verder onbesproken blijven.

4.11.

Slotsom is dat de beslagen zullen worden opgeheven en dat aldus de primaire vordering onder 1 en de vordering onder 2 op na te melden wijze worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het opleggen van een verbod tot het leggen van nieuwe beslagen. Indien [gedaagde, sub 1 c.s.] opnieuw verlof zouden verzoeken, dan dient dat verzoek alsdan op zijn merites te worden beoordeeld. [gedaagde, sub 1 c.s.] dienen daarbij wel, dit volgt ook uit artikel 21 Rv, een afschrift van dit vonnis te overleggen, omdat [gedaagde, sub 1 c.s.] gehouden zijn alle relevante feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. [gedaagde, sub 1 c.s.] hebben in het verzoekschrift van 5 mei 2020 ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met artikel 21 Rv hebben gehandeld, door onder meer, de voorzieningenrechter onder meer niet te informeren over het faillissement van De Veenbouwte en niet de conclusie van antwoord van [eiser, sub 1] in de verklaringsprocedure over te leggen, of anderszins op deugdelijke wijze het verweer van [eiser, sub 1] c.s. – dat hun in elk geval deels uit voormelde conclusie van antwoord bekend was – aan de voorzieningenrechter kenbaar te maken. In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding op dit punt een veroordeling van [gedaagde, sub 1 c.s.] uit te spreken.

4.12.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissingen ten aanzien van het opnieuw gebruiken van het beslagverlof en het overleggen van dit vonnis bij een eventueel nieuw beslagrekest, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.13.

[gedaagde, sub 1 c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- heft op de op verzoek van [gedaagde, sub 1 c.s.] op of omstreeks 11 mei 2020 ten laste van [eiser, sub 1] c.s. gelegde conservatoire derdenbeslagen;

- verbiedt [gedaagde, sub 1 c.s.] op grond van het op basis van het op 6 mei 2020 verleende verlof voor repeterend beslag om nogmaals beslag te leggen ten laste van [eiser, sub 1] c.s. , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,= ineens per overtreding en € 1.000,= per dag dat deze overtreding voortduurt, de laatstgenoemde dwangsom tot een maximum van € 100.000,=;

- bepaalt dat [gedaagde, sub 1 c.s.] gehouden is bij het vragen van een nieuw verlof om beslag te mogen leggen voor dezelfde vorderingen als waarvoor op 6 mei 2020 verlof tot het leggen van beslag is verleend, een afschrift van dit vonnis over te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,= ineens per overtreding en € 1.000,= per dag dat deze overtreding voortduurt, de laatstgenoemde dwangsom tot een maximum van € 100.000,=;

- veroordeelt [gedaagde, sub 1 c.s.] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan [eiser, sub 1] c.s. te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiser, sub 1] c.s. begroot op € 1.719,38, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 656,-- aan griffierecht en € 83,38 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

- bepaalt dat [gedaagde, sub 1 c.s.] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet op 5 juni 2020.

idt