Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8517

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PKV-toekenning. Anders dan verweerder bepleit, geen sprake van samenhangende zaken. En gewicht van de zaken is gemiddeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7543

uitspraak van de enkelvoudige van 3 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W.G.H. van de Wetering),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. M de Weger).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft verweerder eisers aanvraag van

8 mei 2018 om een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft verweerder van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. De beroepen, SGR 18/6968, SGR 18/7544, SGR 18/7543 en SGR 19/1252 zijn gevoegd behandeld.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [A] en [B] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst voor het doen van afzonderlijke uitspraak.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 26 september 2019 overwogen dat verweerders standpunt ten aanzien van de nieuwe bijstandsaanvraag van 8 mei 2018 geen stand kan houden en het bestreden besluit derhalve een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kent. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder bij brief van 18 februari 2020 een gewijzigd besluit van 14 februari 2020 toegezonden. Verweerder heeft daarbij het besluit van 16 augustus 2018 tot afwijzing van de aanvraag van 8 mei 2018 ingetrokken. Verweerder heeft in dit besluit besloten dat eiser bijstand krijgt voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud per 8 mei 2018.

Eiser heeft daarop bij brief van 25 maart 2020 de rechtbank bericht dat blijkens het emailbericht van verweerder van 24 maart 2020 ook het besluit van 8 januari 2019 door het toekenningsbesluit van 14 februari 2020 is vervallen dan wel ingetrokken. Eiser trekt vervolgens het beroep in met gelijktijdig het verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2020 aangegeven dat bij een proceskostenveroordeling rekening moet worden gehouden dat ten aanzien van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 17 oktober 2018 alle punten een wegingsfactor van 0,5 dienen te hebben. Hoewel er geen sprake is van samenhangende zaken ten aanzien van de bezwaarprocedures, is er wel sprake van een eenvoudige zaak. De procedure gericht tegen het besluit van 17 oktober 2018 is nagenoeg een herhaling van de procedure gericht tegen het besluit van 16 augustus 2018 ten aanzien van het feitencomplex en de gronden. De beroepsprocedures zijn, zoals in het verzoek reeds genoemd is, gevoegd behandeld ter zitting en daarmee kan worden gesproken van samenhangende zaken.

Eiser heeft hierop bij brief van 25 mei 2020 gereageerd.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, op verzoek van de indiener gedaan bij de intrekking van het beroep, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van die wet veroordelen in de proceskosten.

2. Eiser heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder in de besluitvorming na de bestuurlijke lus aan eiser is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

3. Anders dan door verweerder bepleit acht de rechtbank beide zaken (18/7543 en 19/1252) niet zodanig met elkaar verweven dat sprake is van samenhangende zaken. Het gaat om twee afzonderlijke besluiten die elkaar weliswaar raken en/of opvolgen, maar niet gezegd kan worden dat het voor de hoeveelheid werk van de gemachtigde van betrokkene niet of nauwelijks uitmaakte dat het om twee afzonderlijke besluiten ging waarvan betrokkene in bezwaar en beroep is gekomen. Wat betreft het gewicht van de zaken in bezwaar is de rechtbank van oordeel dat deze – eveneens anders dan door verweerder bepleit – gemiddeld is.

4. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zal de rechtbank de kosten van eiser voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststellen op € 2.362,50,--. Hierbij heeft de rechtbank 1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de brieven van eisers gemachtigde, die in dit geval als een zienswijze na de bestuurlijke lus worden beschouwd, toegekend (met een waarde per punt van € 525,-) met een gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten toe tot een bedrag van € 2.362,50,- en veroordeelt verweerder tot betaling van dit bedrag aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2020 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak

mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.