Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8498

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Eiser heeft drie beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschriften tegen besluiten waarin zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor reiskosten dan wel de kosten van het griffierecht zijn afgewezen. Verweerder heeft inmiddels alsnog besloten op de bezwaarschriften. Nu eiser nog geen gronden heeft ingediend tegen deze beslissingen op bezwaar ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken alsnog beroepsgronden in te dienen. Verweerder krijgt daarna vier weken om hierop te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 5 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag is afgewezen (SGR 20/888).

Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 20 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor de procedure met zaaknummer SGR 19/4991 is afgewezen (SGR 20/1233).

Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 27 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor een dagvaardingsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag is afgewezen (SGR 20/1243).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

In de zaak met zaaknummer SGR 20/888, alsmede in de zaken met de zaaknummers SGR 18/6383, 18/7835, 18/8370, 18/8386, 19/1014, 19/1538, 19/2155, 19/2162, 19/2163 19/2169, 19/2772, 19/3941, 19/4738, 19/4741, 19/4743, 19/4811, 19/4991, 19/5340, 19/5525, 19/5832, 19/5833, 19/5834, 19/6088, 19/6089, 19/6090, 19/6288, 19/6292, 19/6441, 19/6443, 19/7248, 19/7115, 19/7122, 19/7417, 19/7787, 19/788, 19/7790, 19/7965, 19/7996, 20/311, 20/886, 20/887, 20/987, 20/989, 20/990, 20/991, 20/1007, 20/1008, 20/1009 en 20/1010, zijn eiser, de heer [A] , directeur van de ISD Bollenstreek, en de heer [B] , wethouder van de gemeente Hillegom, bij brieven van 20 februari 2020 opgeroepen om te verschijnen op de regiezitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich tijdens deze regiezitting laten vertegenwoordigen door mr. V.L.T. van Roy. Voorts zijn namens verweerder [A] , [B] en de gemachtigde van verweerder, mr. D.F. Rosenbaum, verschenen. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven bereid te zijn om middels mediation te proberen tot een oplossing van het conflict te komen. Hiertoe heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken geschorst in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Op 30 maart 2020 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat het mediationtraject zonder onderlinge overeenstemming beëindigd is.

Het onderzoek ter zitting inzake SGR 20/888 is voortgezet en heeft plaatsgevonden op

6 juli 2020, op welke zitting tevens de zaken met nummers SGR 20/1233 en SGR 20/1243 zijn behandeld. Daarnaast is tijdens deze zitting van de meervoudige kamer tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 20/460, SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/747, SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/791, SGR 20/795, SGR 20/802, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007, SGR 20/1008, SGR 20/1009, SGR 20/1010, SGR 20/1179, SGR 20/1181, SGR 20/1182, SGR 20/1183, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239 en SGR 20/1256 behandeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Algemeen

Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.

Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.

Zoals ook opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’ heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.

Inhoudelijk

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 7 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag. Bij besluit van 5 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 4 oktober 2019 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 3 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 12 december 2019 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 12 december 2019 naar eiser te hebben verzonden.

1.2

Op 8 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4991. Bij besluit van
20 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 1 november 2019 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 17 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 30 december 2019 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 30 december 2019 naar eiser te hebben verzonden.

1.3

Op 22 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht voor een dagvaardingsprocedure met zaaknummer 200.263.802/01

bij het Gerechtshof Den Haag. Bij besluit van 27 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft op 7 november 2019 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 23 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 2 januari 2020 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 2 januari 2020 naar eiser te hebben verzonden.

2. Eiser betwist dat hij de beslissingen op bezwaar zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.3 heeft ontvangen.

3. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiser de besluiten niet heeft ontvangen. De afgelopen jaren is de insteek van eiser geweest om verweerder te dwarsbomen en het ambtelijk apparaat te ontwrichten, maar inmiddels lijkt eiser tot oogmerk te hebben om zoveel mogelijk ten onrechte dwangsommen te incasseren door de ontvangst van de tijdig genomen besluiten te ontkennen. In de procedure met zaaknummer SGR 20/888 stelt verweerder zich voorts op het standpunt dat de reiskosten van eiser voortvloeien uit misbruik van recht als gevolg waarvan ook dit beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens misbruik van recht. In de procedure met zaaknummer SGR 20/1243 heeft verweerder zich op het standpunt dat eiser misbruik maakt van het rechtssysteem door lichtzinnig en zonder redelijk doel te procederen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Bij brieven van 24 maart 2020 en 7 april 2020 heeft eiser een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft eiser bij brief van 23 juni 2020 voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Ter zitting op 6 juli 2020 is eiser medegedeeld dat hij in onderhavige zaken definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.

6. Verweerder stelt zich in het beroep met zaaknummer SGR 20/888 op het standpunt dat de door eiser gemaakte reiskosten voorvloeien uit misbruik van recht. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Dat de beroepen van eiser in de onderliggende procedures deels niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens misbruik van recht, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het indienen van het wrakingsverzoek en het bijwonen van de zitting van de wrakingskamer ook als misbruik van recht moeten worden aangemerkt. Dat het wrakingsverzoek uiteindelijk niet-ontvankelijk is verklaard, doet daar niet aan af. Voor zover verweerder zich in het beroep met zaaknummer SGR 20/1243 op het standpunt stelt dat eiser misbruik maakt van het rechtssysteem door lichtzinnig en zonder redelijk doel te procederen, overweegt de rechtbank het volgende. Dat de vorderingen van eiser in eerste instantie door de kantonrechter zijn afgewezen en eiser is veroordeeld in de proceskosten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser in die procedure misbruik van recht maakt. Gelet op het vorenstaande zal eiser worden ontvangen in zijn beroepen. Voor zover verweerder in zijn algemeenheid heeft gesteld dat eiser misbruik maakt van recht door de ontvangst van de beslissingen op bezwaar te ontkennen, verwijst de rechtbank naar hetgeen wordt overwogen in rechtsoverweging 7.3.

7.1

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2265) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal de ontvangst van het besluit slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien het bestuursorgaan daarvoor nader bewijs levert. Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader overweegt de rechtbank het volgende.

7.2

Verweerder heeft tijdens de zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending als volgt toegelicht. In het gebouw van verweerder staat op elke afdeling een postvak waar de medewerkers van verweerder de te verzenden post in leggen. Nadat de medewerker het poststuk in het postvak heeft gelegd, wordt het werkproces afgesloten dat bij de beschikking hoort en wordt de datum in het systeem geregistreerd. De medewerker zet op een kopie van de beschikking een datumstempel bij het kopje “verzonden”. Eens per dag haalt de conciërge de post op in heel het gebouw. De post van de afdeling Juridische Zaken wordt apart gehouden van de post van de overige afdelingen, omdat de post van Juridische Zaken door PostNL wordt verstuurd en de post van de overige afdelingen door de MareGroep. De post die door de MareGroep wordt bezorgd gaat in een kistje. Van de post die via PostNL wordt bezorgd, wordt een pakketje gemaakt dat op het kistje wordt gelegd. Om vier uur ’s middags (in ‘coronatijd’ om twee uur ’s middags) wordt de post bij verweerder opgehaald door de MareGroep. De post van Juridische Zaken wordt door de MareGroep naar het sorteercentrum van PostNL in Sassenheim gebracht en het kistje wordt vervolgens naar de MareGroep in Voorhout gebracht.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschreven wijze van verzenden niet dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. In dat verband acht de rechtbank het van belang dat uit deze werkwijze blijkt dat geen aantekening in het systeem of registratie wordt bijgehouden van de daadwerkelijk uitgaande post door overdracht aan de MareGroep en dat bovendien geen registratie wordt bijgehouden van de overdracht van de post aan PostNL. Daardoor is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Dat het juiste adres is vermeld en verweerder in de regel nooit problemen ervaart met de postverwerking is onvoldoende om de feitelijke verzending van de besluiten aannemelijk te achten. Het betoog van verweerder dat eiser misbruik van recht maakt, dan wel te kwader trouw handelt door in strijd met de waarheid te stellen dat verweerder geen besluiten heeft genomen slaagt niet, nu bij gebrek aan een deugdelijke verzendadministratie niet is vast te stellen of de besluiten feitelijk zijn verzonden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om in te gaan op het bewijsaanbod van verweerder om directeur mr. [A] en consulent H.G. van Duijn te laten getuigen over de verzending van de besluiten. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending toegelicht en de rechtbank ziet niet in hoe een verklaring van de directeur of de consulent daar iets aan toe zou kunnen voegen.

7.4

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het ervoor moet houden dat verweerder de beslissingen op bezwaar niet tijdig bekend heeft gemaakt.

8. Nu vaststaat dat reële besluiten op bezwaar zijn genomen door verweerder, welke besluiten in het kader van deze procedure in het geding zijn gebracht en waarvan eiser kennis heeft genomen, heeft eiser gekregen wat hij met zijn beroepen tegen het niet tijdig beslissen beoogde en is sprake van een situatie analoog aan het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb. De beroepen zijn als gevolg daarvan mede gericht tegen de reële besluiten op bezwaar van 12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020, nu deze niet geheel aan eiser tegemoetkomen omdat de aanvragen van eiser daarbij niet zijn ingewilligd.

9. Eiser heeft in de van rechtswege ontstane beroepszaken tegen de reële besluiten op bezwaar nog geen gronden ingediend. De rechtbank zal eiser in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. Gelet daarop zal de rechtbank het onderzoek heropenen, bepalen dat eiser vier weken de gelegenheid krijgt om beroepsgronden in te dienen tegen de reële besluiten op bezwaar, en bepalen dat verweerder daarna vier weken de gelegenheid krijgt om te reageren. Daarna zal de rechtbank handelen zoals haar geraden voorkomt.

10. De rechtbank zal de overige geschilpunten thans nog niet bespreken. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    heropent het onderzoek;

  • -

    stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak beroepsgronden in te dienen tegen de beslissingen op bezwaar van

12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020;

  • -

    bepaalt dat verweerder, nadat de beroepsgronden van eiser zijn ontvangen, vier weken de gelegenheid krijgt om verweerschriften in te dienen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020 en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste rechter.

griffier oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak.