Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8497

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
SGR 20/460, SGR 20/1010 en SGR 20/1179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

3 NTB-beroepen. Volgens eiser nog geen besluit op aanvragen bijzondere bijstand woonkostentoeslag/griffierecht/gemeentelijke belastingen. Inmiddels alsnog besluiten genomen door vw. Beroepen worden doorverwezen als bezwaarschriften. Beroepen zijn N-O.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/460, SGR 20/1010 en SGR 20/1179

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 15 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag (SGR 20/460).

Op 19 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht (SGR 20/1010).

Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de gemeentelijke belastingen van 2019

(SGR 20/1179).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

In de zaak met zaaknummer SGR 20/1010, alsmede in de zaken met de zaaknummers SGR 18/6383, 18/7835, 18/8370, 18/8386, 19/1014, 19/1538, 19/2155, 19/2162, 19/2163 19/2169, 19/2772, 19/3941, 19/4738, 19/4741, 19/4743, 19/4811, 19/4991, 19/5340, 19/5525, 19/5832, 19/5833, 19/5834, 19/6088, 19/6089, 19/6090, 19/6288, 19/6292, 19/6441, 19/6443, 19/7248, 19/7115, 19/7122, 19/7417, 19/7787, 19/788, 19/7790, 19/7965, 19/7996, 20/311, 20/886, 20/887, 20/888, 20/987, 20/989, 20/990, 20/991, 20/1007, 20/1008 en 20/1009, zijn eiser, de heer [B] , directeur van de ISD Bollenstreek, en de heer [A] , wethouder van de gemeente Hillegom, bij brieven van 20 februari 2020 opgeroepen om te verschijnen op de regiezitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich tijdens deze regiezitting laten vertegenwoordigen door mr. V.L.T. van Roy. Voorts zijn namens verweerder [B] , [A] en de gemachtigde van verweerder, mr. D.F. Rosenbaum, verschenen. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven bereid te zijn om middels mediation te proberen tot een oplossing van het conflict te komen. Hiertoe heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken geschorst in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Op 30 maart 2020 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat het mediationtraject zonder onderlinge overeenstemming beëindigd is.

Het onderzoek ter zitting inzake SGR 20/1010 is voortgezet en heeft plaatsgevonden op

6 juli 2020, op welke zitting tevens de zaken met nummers SGR 20/460 en SGR 20/1179 zijn behandeld. Tijdens deze zitting van de meervoudige kamer is tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734,

SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/747, SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/791, SGR 20/795, SGR 20/802, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/888, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007, SGR 20/1008, SGR 20/1009, SGR 20/1181, SGR 20/1182, SGR 20/1183, SGR 20/1233, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239, SGR 20/1243 en SGR 20/1256 behandeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Algemeen

Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.

Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.

Zoals ook opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’ heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.

Inhoudelijk

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Op 4 november 2019 heeft eiser bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aangevraagd. Bij brief van 31 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 15 januari 2020 een besluit heeft genomen waarin de aanvraag is afgewezen. Dit besluit stelt verweerder op 15 januari 2020 naar eiser te hebben verzonden.

1.2

Op 14 oktober 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in een beroepsprocedure bij de rechtbank Den Haag met zaaknummer
SGR 19/6443. Bij brief van 11 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 17 december 2019 een besluit heeft genomen waarin de aanvraag van eiser niet in behandeling is genomen. Dit besluit stelt verweerder op 18 december 2019 te hebben verzonden.

1.3

Op 4 november 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de gemeentelijke belastingen van 2019 ter hoogte van € 691,30. Bij brief van

31 december 2019 heeft eiser medegedeeld dat het bedrag inmiddels is opgelopen tot

€ 724,30 en heeft hij verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op

15 januari 2020 een besluit heeft genomen waarin de aanvraag van eiser niet in behandeling is genomen. Dit besluit stelt verweerder op 15 januari 2020 te hebben verzonden.

2. Eiser betwist dat hij de besluiten zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.3 heeft ontvangen.

3. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiser de besluiten niet heeft ontvangen. De afgelopen jaren is de insteek van eiser geweest om verweerder te dwarsbomen en het ambtelijk apparaat te ontwrichten, maar inmiddels lijkt eiser tot oogmerk te hebben om zoveel mogelijk ten onrechte dwangsommen te incasseren door de ontvangst van de tijdig genomen besluiten te ontkennen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Bij brieven van 11 maart 2020, 31 maart 2020 en 7 april 2020 heeft eiser een beroep gedaan op betalingsonmacht. De rechtbank heeft eiser bij brief van 23 juni 2020 voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Ter zitting van 6 juli 2020 is eiser medegedeeld dat hij in onderhavige zaken definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.

6.1

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2265) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal de ontvangst van het besluit slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien het bestuursorgaan daarvoor nader bewijs levert. Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader overweegt de rechtbank het volgende.

6.2

Verweerder heeft tijdens de zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending als volgt toegelicht. In het gebouw van verweerder staat op elke afdeling een postvak waar de medewerkers van verweerder de te verzenden post in leggen. Nadat de medewerker het poststuk in het postvak heeft gelegd, wordt het werkproces afgesloten dat bij de beschikking hoort en wordt de datum in het systeem geregistreerd. De medewerker zet op een kopie van de beschikking een datumstempel bij het kopje “verzonden”. Eens per dag haalt de conciërge de post op in heel het gebouw. De post van de afdeling Juridische Zaken wordt apart gehouden van de post van de overige afdelingen, omdat de post van Juridische Zaken door PostNL wordt verstuurd en de post van de overige afdelingen door de MareGroep. De post die door de MareGroep wordt bezorgd gaat in een kistje. Van de post die via PostNL wordt bezorgd, wordt een pakketje gemaakt dat op het kistje wordt gelegd. Om vier uur ’s middags (in ‘coronatijd’ om twee uur ’s middags) wordt de post door de MareGroep bij verweerder opgehaald. De post van Juridische Zaken wordt door de MareGroep naar het sorteercentrum van PostNL in Sassenheim gebracht en het kistje wordt vervolgens naar de MareGroep in Voorhout gebracht.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschreven wijze van verzenden niet dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. In dat verband acht de rechtbank het van belang dat uit deze werkwijze blijkt dat geen aantekening in het systeem of registratie wordt bijgehouden van de daadwerkelijk uitgaande post door overdracht aan de MareGroep en dat bovendien geen registratie wordt bijgehouden van de overdracht van de post aan PostNL. Daardoor is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Dat het juiste adres is vermeld en verweerder in de regel nooit problemen ervaart met de postverwerking is onvoldoende om de feitelijke verzending van de besluiten aannemelijk te achten. Het betoog van verweerder dat eiser misbruik van recht maakt, dan wel te kwader trouw handelt door in strijd met de waarheid te stellen dat verweerder geen besluiten heeft genomen slaagt niet, nu bij gebrek aan een deugdelijke verzendadministratie niet is vast te stellen of de besluiten feitelijk zijn verzonden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om in te gaan op het bewijsaanbod van verweerder om directeur mr. [B] en consulent H.G. van Duijn te laten getuigen over de verzending van de besluiten. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending toegelicht en de rechtbank ziet niet in hoe een verklaring van de directeur of de consulent daar iets aan toe zou kunnen voegen.

6.4.

Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de besluiten niet op de voorgeschreven wijze aan eiser zijn bekendgemaakt.

6.5

Nu evenwel vaststaat dat desalniettemin reële besluiten op de aanvraag zijn genomen door verweerder, welke besluiten in het kader van deze procedure in het geding zijn gebracht en eiser daarvan kennis heeft genomen, heeft eiser gekregen wat hij met zijn beroepen beoogde en is sprake van een situatie analoog aan het bepaalde in artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ingestelde beroep is als gevolg daarvan mede gericht tegen de reële besluiten van 17 december 2019 en 15 januari 2020, nu deze niet geheel aan eiser tegemoetkomen omdat de aanvragen van eiser daarbij niet zijn ingewilligd. Aangezien dit primaire besluiten zijn waartegen bezwaar openstond, acht de rechtbank het wenselijk dat deze in een bezwaarprocedure worden behandeld. Voor zover de beroepen op de reële besluiten zijn gericht, zal de rechtbank ze dan ook met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

6.6

Nu eiser voor het overige enkel verzocht heeft om proceskosten – welk verzoek hieronder zal worden beoordeeld – is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb en bestaat geen belang meer bij het alsnog gegrond verklaren van het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit onderdeel van het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

7. De rechtbank ziet in hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 6.1 tot en met 6.4 aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 17,02 aan reiskosten. Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb kan ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op de in dat artikel genoemde kosten. Het onbekende bedrag aan incassokosten dat eiser heeft vermeld op het formulier proceskosten valt daar niet onder. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

niet-ontvankelijk;

- verwijst de beroepen voor zover gericht tegen de reële besluiten van

17 december 2019 en 15 januari 2020 naar verweerder ter behandeling als bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 17,02.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020 en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste rechter.

griffier oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.