Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8485

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1181
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht. Het beroep van eiser in de procedure waarvoor hij het griffierecht heeft aangevraagd is reeds door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Het aanvragen van en procederen over bijzondere bijstand voor het griffierecht in een procedure waarin reeds is vastgesteld dat eiser misbruik van recht maakt, moet naar het oordeel van de rechtbank eveneens worden aangemerkt als misbruik van recht. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1182

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 11 februari 2020 heeft eiser een beroepschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 18/8091.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Tijdens deze zitting van de meervoudige kamer is tevens het beroep behandeld in de zaken met zaaknummers:

SGR 20/460, SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739,

SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/747, SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/791,

SGR 20/795, SGR 20/802, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/886, SGR 20/887,

SGR 20/888, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007,

SGR 20/1008, SGR 20/1009, SGR 20/1010, SGR 20/1179, SGR 20/1181, SGR 20/1183, SGR 20/1233, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239, SGR 20/1243 en SGR 20/1256, die bij afzonderlijke uitspraak worden beoordeeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Algemeen

Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.

Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.

Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.

Inhoudelijk

1. Op 15 november 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 18/8091.

2. Bij brief van 15 januari 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

3. Verweerder stelt op 27 januari 2020 een besluit te hebben genomen waarin de aanvraag van eiser niet in behandeling is genomen. Dit besluit stelt verweerder op

27 januari 2020 te hebben verzonden.

4. Eiser betwist dat hij het besluit van 27 januari 2020 heeft ontvangen.

5. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiser het besluit niet heeft ontvangen. De afgelopen jaren is de insteek van eiser geweest om verweerder te dwarsbomen en het ambtelijk apparaat te ontwrichten, maar inmiddels lijkt eiser tot oogmerk te hebben om zoveel mogelijk dwangsommen te incasseren door de ontvangst van tijdig genomen besluiten te ontkennen. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat het beroep van eiser met zaaknummer SGR 18/8091 reeds op 4 november 2019 niet-ontvankelijk is verklaard door de rechtbank wegens misbruik van recht. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van

8 mei 2020 bevestigd.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van
8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1587), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

8.1

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de procedure (SGR 18/8091), waarvoor eiser bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht heeft aangevraagd, een procedure is in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Deze rechtbank heeft meermaals geoordeeld dat eiser de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen gebruikt zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, zodanig dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:9862) en

4 november 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11676, in de procedure met zaaknummer SGR 18/8091 waar eiser bijzondere bijstand voor heeft aangevraagd). Deze uitspraken heeft de Afdeling bevestigd in de uitspraken van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2817) en
8 mei 2020 (zaaknummer 201909023/2/A3).

8.2

In deze uitspraken is – samengevat weergegeven – overwogen dat eiser een langlopend conflict heeft met verweerder en geen redelijke verklaring of belang heeft gegeven voor het door hem ingediende grote aantal Wob-verzoeken, bezwaren, beroepen en klachten tegen verweerder. De Afdeling ziet blijkens de uitspraak van 21 augustus 2019 ook niet in waarom eiser vanwege eerdere afwijzingen van zijn Wob-verzoeken gedwongen was om telkens nieuwe verzoeken te doen. De Afdeling heeft voorts overwogen dat niet gebleken is dat eiser daadwerkelijk iets doet met de van verweerder verkregen documenten. In de uitspraak van 8 mei 2020 heeft de Afdeling in dit verband onder meer van belang geacht dat eiser op 5 februari 2020 987 werkprocessen op zijn naam heeft staan bij verweerder, 84 lopende beroepsprocedures heeft bij de rechtbank, 5 hoger beroepsprocedures bij de Afdeling en 3 bij de Centrale Raad van Beroep. Waar een gemiddelde klant 3 contactmomenten per jaar heeft, overschrijdt eiser dat aantal regelmatig op één dag zonder hiervoor een redelijke verklaring te geven.

8.3

Nu reeds meerdere malen is vastgesteld dat eiser te kwader trouw Wob-procedures voert zonder redelijk doel of met een ander doel dan waartoe zij gegeven is, is de rechtbank van oordeel dat het aanvragen van bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in deze Wob-procedure – en het procederen daarover – eveneens moet worden aangemerkt als misbruik van recht. Daarnaast past het aanvragen van bijzondere bijstand voor de Wob-procedures in het patroon van ontwrichting door verweerder te overbelasten met verzoeken, klachten en procedures, zoals dat ook is weergegeven in rechtsoverweging 8.2.

9. Het beroep is niet-ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 26 augustus 2020 gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en

mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.