Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8483

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
SGR 20-766
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft tien beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht dan wel de eigen bijdrage voor een advocaat. De kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd zijn echter niet gemaakt en/of zullen tot nader order niet worden gemaakt omdat het beroep op betalingsonmacht in de onderliggende zaken (voorlopig) is gehonoreerd, dan wel omdat het onderliggende beroep is geëindigd met een niet-ontvankelijkheidsverklaring (en het daartegen gedane verzet ongegrond is verklaard). Omdat eiser het beoogde doel (het alsnog verkrijgen van bijzondere bijstand) niet kan bereiken, heeft hij geen procesbelang. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/795, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/1009, SGR 20/1181 en SGR 20/1256.

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht (SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/795, SGR 20/886 en SGR 20/887).

Op 19 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht (SGR 20/987 en SGR 20/989).

Op 19 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat (SGR 20/1009).

Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht (SGR 20/1181 en SGR 20/1256).

Verweerder heeft verweerschriften en aanvullende verweerschriften ingediend.

Op 25 juni 2020 en 30 juni 2020 heeft eiser zijn beroepschriften aangevuld en nadere stukken ingediend.

In de zaken met de zaaknummers SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/987, SGR 20/989 en SGR 20/1009, alsmede in de zaken met de zaaknummers SGR 18/6383, 18/7835, 18/8370, 18/8386, 19/1014, 19/1538, 19/2155, 19/2162, 19/2163 19/2169, 19/2772, 19/3941, 19/4738, 19/4741, 19/4743, 19/4811, 19/4991, 19/5340, 19/5525, 19/5832, 19/5833, 19/5834, 19/6088, 19/6089, 19/6090, 19/6288, 19/6292, 19/6441, 19/6443, 19/7248, 19/7115, 19/7122, 19/7417, 19/7787, 19/788, 19/7790, 19/7965, 19/7996, 20/311, 20/888, 20/990, 20/991, 20/1007, 20/1008 en 20/1010, zijn eiser, de heer [A] , directeur van de ISD Bollenstreek, en de heer [B] , wethouder van de gemeente Hillegom, bij brieven van 20 februari 2020 opgeroepen om te verschijnen op de regiezitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich tijdens deze regiezitting laten vertegenwoordigen door mr. V.L.T. van Roy. Voorts zijn namens verweerder [A] , [B] en de gemachtigde van verweerder, mr. D.F. Rosenbaum, verschenen. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven bereid te zijn om middels mediation te proberen tot een oplossing van het conflict te komen. Hiertoe heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken geschorst in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Op 30 maart 2020 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat het mediationtraject zonder onderlinge overeenstemming beëindigd is.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet (in de zaken met nummers SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/987, SGR 20/989 en SGR 20/1009) en heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Op deze zitting zijn tevens de zaken met nummers SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/795, SGR 20/1181 en SGR 20/1256 behandeld. Daarnaast is tijdens deze zitting van de meervoudige kamer tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 20/460, SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/747, SGR 20/791, SGR 20/802, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/888, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007, SGR 20/1008, SGR 20/1010, SGR 20/1179, SGR 20/1182, SGR 20/1183, SGR 20/1233, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239 en SGR 20/1243 behandeld, die bij afzonderlijke uitspraak worden beoordeeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Algemeen

Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.

Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.

Zoals ook opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’ heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.

Inhoudelijk

1. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht in de onderhavige beroepszaken. Dit beroep is bij brief van
23 juni 2020 voorlopig en ter zitting op 6 juli 2020 definitief gehonoreerd. Er bestaat daarom geen grond om de beroepen wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk te verklaren.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Op 30 september 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in een beroepsprocedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/6088 (SGR 20/766), SGR 19/6089 (SGR 20/787), en SGR 19/6090 (SGR 20/795). Op de aanvraagformulieren geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 174,- gaat. Bij de aanvragen heeft eiser een nota van het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) van 25 september 2019 gevoegd. Bij brieven van 29 november 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

2.2

Op 1 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in de beroepsprocedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/6288 (SGR 20/886) en SGR 19/6292 (SGR 20/887). Op

7 oktober 2019 heeft eiser nota’s van het LDCR van 3 oktober 2019 ingediend. Hieruit blijkt dat het om een bedrag van € 47,- gaat. Bij brieven van 2 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

2.3

Op 14 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/3973 (SGR 20/987) en SGR 19/6441 (SGR 20/989). Op de aanvraagformulieren geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 47,- gaat. Bij de aanvraag heeft eiser een nota van het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) van 11 september 2019 (SGR 20/987) respectievelijk 10 oktober 2019 (SGR 20/989) gevoegd. Bij brieven van 11 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

2.4

Op 15 oktober 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat ten behoeve van het indienen van een bezwaarschrift (SGR 20/1009). Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 145,- gaat. Bij brief van 13 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

2.5

Op 4 november 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/6909 (SGR 20/1256). Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 47,- gaat. Bij de aanvraag heeft eiser een nota van het LDCR van

5 november 2019 gevoegd. Bij brief van 31 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

2.6

Op 15 november 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/6985 (SGR 20/1181). Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 174,- gaat. Bij de aanvraag heeft eiser een nota van het LDCR van

6 november 2019 gevoegd. Bij brief van 15 januari 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag.

3. In beroep voert eiser aan dat verweerder nog altijd geen beslissing(en) heeft genomen op de aanvragen vermeld in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden kan worden toegekomen, dient de rechtbank eerst, ambtshalve, te beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Daarvoor is vereist dat er sprake is van (voldoende) procesbelang. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep1 is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

6.1

Het beroep met zaaknummer SGR 20/766 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6088. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/1834. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser de nota griffierecht voor de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6088 niet binnen de gestelde termijn betaald heeft. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt. Verder is de rechtbank ambtshalve bekend dat eisers beroep op betalingsonmacht in de procedure met zaaknummer SGR 19/1834 op voorhand gehonoreerd is door de griffier, zodat vooralsnog geen griffierecht wordt geïncasseerd.

6.2

Het beroep met zaaknummer SGR 20/787 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6089. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/1679. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser de nota griffierecht voor de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6089 niet binnen de gestelde termijn betaald heeft. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt. Voorts is de rechtbank ambtshalve bekend dat de procedure met zaaknummer SGR 19/1679 is uitgemond in een niet-ontvankelijk-verklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.2 Het tegen deze uitspraak gedane verzet is ongegrond verklaard.3 Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand in dat geval is aangevraagd niet zijn gemaakt en ook niet meer zullen worden gemaakt.

6.3

Het beroep met zaaknummer SGR 20/795 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6090. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/2050. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser de nota griffierecht voor de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6090 niet binnen de gestelde termijn betaald heeft. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt. Voorts is de rechtbank ambtshalve bekend dat de procedure met zaaknummer SGR 19/2050 is uitgemond in een niet-ontvankelijk-verklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.4 Het tegen deze uitspraak gedane verzet is ongegrond verklaard.5 Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand in dat geval is aangevraagd niet zijn gemaakt en ook niet meer kunnen worden gemaakt.

6.4

Het beroep met zaaknummer SGR 20/886 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6288. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eisers beroep op betalingsonmacht in laatstgenoemde procedure op voorhand gehonoreerd is door de griffier, zodat vooralsnog geen griffierecht wordt geïncasseerd.

6.5

Het beroep met zaaknummer SGR 20/887 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6292. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eisers beroep op betalingsonmacht in laatstgenoemde procedure op voorhand gehonoreerd is door de griffier, zodat vooralsnog geen griffierecht wordt geïncasseerd.

6.6

Het beroep met zaaknummer SGR 20/987 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/3973. Laatstgenoemde zaak is een reeds afgedane belastingzaak, welke is uitgemond in een onbevoegdverklaring. Op grond van artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 wordt geen griffierecht geheven indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt en ook niet meer gemaakt zullen worden.

6.7

Het beroep met zaaknummer SGR 20/989 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/6441. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op de terugvordering van de reeds verstrekte bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 18/8370. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser de nota griffierecht voor de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/6441 tot op heden niet voldaan heeft en dat hij een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak (nog) niet zijn gemaakt en afhankelijk zijn van een nadere beslissing van de rechtbank. Voorts is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser in de procedure met zaaknummer SGR 18/8370 ter zitting op 20 januari 2020 definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Dit betekent dat de kosten voor dit griffierecht ook niet zijn gemaakt en ook niet meer gemaakt zullen worden.

6.8

Het beroep met zaaknummer SGR 20/1009 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor een advocaat ten behoeve van het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen een besluit van verweerder van 30 juli 2019 met kenmerknummer 50318/541583. Uit het aanvullende verweerschrift van 17 juni 2020 blijkt dat eiser de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand vraagt, niet heeft gemaakt. Het bezwaarschrift is namelijk niet geschreven door een advocaat maar door eiser zelf en is ook door eiser ingediend bij verweerder. Het voorgaande heeft eiser ter zitting op 6 juli 2020 bevestigd.

6.9

Het beroep met zaaknummer SGR 20/1181 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/6985. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser de nota griffierecht voor de laatstgenoemde beroepsprocedure tot op heden niet voldaan heeft en dat hij een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak (nog) niet zijn gemaakt en afhankelijk zijn van een nadere beslissing van de rechtbank.

6.10

Het beroep met zaaknummer SGR 20/1256 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer
SGR 19/6909. Laatstgenoemde zaak is een reeds afgedane belastingzaak, welke is uitgemond in een onbevoegdverklaring.Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Voorts geldt dat op grond van artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 geen griffierecht wordt geheven indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift. Dit betekent dat de kosten waarvoor de bijzondere bijstand is aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt en ook niet meer gemaakt zullen worden.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand in de onderhavige beroepsprocedures heeft aangevraagd niet zijn gemaakt en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden, althans dat deze tot nader order in ieder geval nog niet behoeven te worden voldaan en onzeker is of deze op een later tijdstip alsnog in rekening worden gebracht. Dit aangezien een beroep op betalingsonmacht (in de onderliggende beroepszaak) is gedaan dan wel (voorlopig) gehonoreerd is (SGR 20/766, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/989 en SGR 20/1181), het onderliggende beroep geëindigd is met een niet-ontvankelijkverklaring en het daartegen gedane verzet ongegrond is verklaard (SGR 20/787 en SGR 20/795), het onderliggende beroep is geëindigd in een onbevoegdverklaring (SGR 20/987), het onderliggende beroep geëindigd is met een onbevoegdverklaring en daartegen geen verzet is gedaan (SGR 20/1256) of omdat eiser geen advocaat heeft ingeschakeld maar daarvoor wel bijzondere bijstand heeft aangevraagd (SGR 20/1009). Dit betekent dat eiser het door hem ter zitting van 6 juli 2020 genoemde doel, namelijk het (alsnog) verkrijgen van bijzondere bijstand, niet kan bereiken. Hieruit volgt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een oordeel over de vraag of verweerder al dan niet tijdig beslist heeft op de aanvragen. Een oordeel van de rechtbank hierover kan voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer hebben. De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

8. Uit artikel 4:18 van de Awb vloeit voort dat verweerder – nadat hij eisers ingebrekestellingen had ontvangen – van rechtswege de verschuldigdheid van een dwangsom bij beschikking had moeten vaststellen. Dit heeft verweerder niet gedaan. Eiser kan echter door de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen tegen het niet tijdig beslissen, zie hiervoor onder 7, geen oordeel meer verkrijgen over de vraag of verweerder als gevolg daarvan een dwangsom heeft verbeurd.6

9. De rechtbank overweegt ten slotte dat in deze zaken reële besluiten inmiddels onderdeel uitmaken van het dossier. De onderhavige beroepen zijn dan ook mede gericht tegen deze besluiten op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu dit evenwel geen verschil maakt voor de beantwoording van de vraag of eiser bij de huidige stand van zaken nog procesbelang heeft bij de beoordeling van deze beroepen, volstaat de rechtbank hier met deze vaststelling en bestaat geen aanleiding ze in zoverre te verwijzen naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

10. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van eiser niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 26 augustus 2020 gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en
mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1255.

2 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 30 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10168.

3 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:289.

4 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 30 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10163.

5 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:284.

6 Zie de uitspraak van de CRvB van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2250.