Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8481

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
SGR 20-730
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft negen beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschriften tegen besluiten waarin zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht respectievelijk rechtsbijstand zijn afgewezen dan wel buiten behandeling zijn gesteld. De kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd hebben zich echter niet voorgedaan, omdat de beroepen van eiser zijn geëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring, een onbevoegdverklaring en omdat eiser geen advocaat heeft ingeschakeld. Omdat eiser het beoogde doel (het alsnog verkrijgen van bijzondere bijstand) niet kan bereiken, heeft hij geen procesbelang. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/791 en SGR 20/802.

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Op 17 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 29 augustus 2019, respectievelijk 30 augustus 2019 (SGR 20/736, SGR 20/743 en SGR 20/745) waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht is afgewezen (SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743 en SGR 20/745).

Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 30 augustus 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht buiten behandeling is gesteld (SGR 20/802).

Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 2 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand buiten behandeling is gesteld (SGR 20/791).

Verweerder heeft op 31 januari 2020 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 27 februari 2020 (zaaknummers SGR 20/729, SGR 20/731, SGR 20/733, SGR 20/735, SGR 20/738, SGR 20/742, SGR 20/744, SGR 20/746, SGR 20/790 en SGR 20/801) uitspraak gedaan op door eiser ingediende verzoeken om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerder besluiten had moeten nemen. De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder verzoeker per omgaande een voorschot op verbeurde dwangsommen van € 10.815,- betaalt.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.

Vervolgens heeft verweerder op 2 april 2020, 25 mei 2020 (SGR 20/791 en SGR 20/802) en 26 mei 2020 (SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745) aanvullende verweerschriften ingediend.

Op 25 juni 2020 en 30 juni 2020 heeft eiser zijn beroepschriften aangevuld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Tijdens deze zitting van de meervoudige kamer is tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 20/460, SGR 20/747, SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/795, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/888, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007, SGR 20/1008, SGR 20/1009, SGR 20/1010, SGR 20/1179, SGR 20/1181, SGR 20/1182, SGR 20/1183, SGR 20/1233, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239,
SGR 20/1243, SGR 20/1256 behandeld, die bij afzonderlijke uitspraken worden beoordeeld.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Algemeen

Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.

Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.

Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.

Inhoudelijk

1. Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht in alle onderhavige beroepszaken. Dit beroep is bij brief van 23 juni 2020 voorlopig en ter zitting op 6 juli 2020 definitief gehonoreerd. Er bestaat daarom geen grond om de beroepen wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank merkt daarbij op dat de voorzieningenrechter eiser – hoewel dat niet is opgenomen in de uitspraak van 27 februari 2020 – ook heeft vrijgesteld van het betalen van griffierecht in de voorlopige voorzieningenprocedures met zaaknummers SGR 20/729, SGR 20/731, SGR 20/733, SGR 20/735, SGR 20/738,

SGR 20/742, SGR 20/744, SGR 20/790, en SGR 20/801.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Op 15 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in een beroepsprocedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/4429 (SGR 20/730), SGR 19/4441 (SGR 20/732), SGR 19/4443 (SGR 20/734), SGR 19/4449 (SGR 20/736), SGR 19/4445 (SGR 20/739), SGR 19/4457 (SGR 20/743) en SGR 19/4459 (SGR 20/745). Op de aanvraagformulieren geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 170,- gaat. Op 8 augustus 2019 heeft eiser desgevraagd nota’s griffierecht van het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) van 13 juli 2019, ten bedrage van € 174,-, ingediend. Bij besluiten van 29 augustus 2019 (SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734 en SGR 20/739) respectievelijk 30 augustus 2019 (SGR 20/736, SGR 20/743 en SGR 20/745) heeft verweerder voornoemde aanvragen afgewezen. Eiser heeft op 1 oktober 2019 (SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734 en SGR 20/739) respectievelijk
2 oktober 2019 (SGR 20/736, SGR 20/743 en SGR 20/745) bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Op 10 oktober 2019 heeft eiser (behalve in SGR 20/743) zijn bezwaarschriften aangevuld. Vervolgens heeft eiser verweerder bij brieven van/op (SGR 20/734) 26 november 2019 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschriften.

2.2

Op 15 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht in de procedure bij deze rechtbank met zaaknummer SGR 19/3973 (SGR 20/802). Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat het om een bedrag van € 47,- gaat. Op 8 augustus 2019 heeft eiser desgevraagd een nota griffierecht van het LDCR van 26 juni 2019, ten bedrage van € 47,-, ingediend. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet alle gevraagde informatie verstrekt heeft. Op 2 oktober 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 29 november 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift.

2.3

Op 26 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand, namelijk advocaatkosten, ten behoeve van een strafrechtelijke procedure naar aanleiding van een op 30 november 2018 door mr. V.L.T. van Roy namens verweerder gedane aangifte wegens belediging. Op het aanvraagformulier geeft eiser aan dat het in totaal om een bedrag van € 1.500,- gaat. Op 8 augustus 2019 heeft eiser in reactie op het informatieverzoek van verweerder van 1 augustus 2019 een brief van de reclassering van 24 juli 2019 en e-mailcorrespondentie tussen eiser en de reclassering ingediend. Bij besluit van 2 september 2019 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet alle gevraagde informatie verstrekt heeft. Eiser heeft op 3 oktober 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 29 november 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift.

3. In beroep voert eiser aan dat verweerder nog altijd geen beslissing(en) heeft genomen op de bezwaarschriften vermeld in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3. Ter zitting heeft eiser desgevraagd gezegd dat het hem erom gaat dat hij alsnog bijzondere bijstand krijgt voor de griffierechten en de eigen bijdrage rechtsbijstand, dit omdat er al heel veel verloren is gegaan doordat hij de procedures waar het bij die aanvragen om gaat, niet heeft kunnen voeren.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De rechtbank dient eerst, ambtshalve, te beoordelen of de beroepen ontvankelijk zijn. Daarvoor is vereist dat er sprake is van (voldoende) procesbelang. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep1 is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

6.1

Het beroep met zaaknummer SGR 20/730 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4429. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.2 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.2

Het beroep met zaaknummer SGR 20/732 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4441. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.3 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.3

Het beroep met zaaknummer SGR 20/734 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4443. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.4 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.4

Het beroep met zaaknummer SGR 20/736 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4449. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.5 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.5

Het beroep met zaaknummer SGR 20/739 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4445. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.6 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.6

Het beroep met zaaknummer SGR 20/743 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4457. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.7 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.7

Het beroep met zaaknummer SGR 20/745 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4459. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat laatstgenoemde procedure is uitgemond in een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet (tijdige) voldoening van het griffierecht.8 Voorts is het de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser geen verzet heeft gedaan tegen deze uitspraak. Aangezien de niet tijdige voldoening van het griffierecht onder de gegeven omstandigheden niet kan worden hersteld, betekent dit dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich thans niet meer voordoen en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden.

6.8

Het beroep met zaaknummer SGR 20/791 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand, zijnde advocaatkosten, met betrekking tot een strafrechtelijke procedure als gevolg van een door mr. V.L.T. van Roy namens verweerder gedane aangifte wegens belediging. Ter zitting op 6 juli 2020 heeft eiser het volgende naar voren gebracht. Eiser is door de reclassering benaderd met de vraag of hij wilde meewerken aan het opstellen van de adviesrapportage. Hij heeft toen gezegd dit met een advocaat te willen bespreken alvorens toezeggingen hieromtrent te doen. Vervolgens heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de advocaatkosten. Aangezien verweerder geen bijzondere bijstand heeft verstrekt, heeft eiser geen advocaat in de arm genomen. Het voorgaande betekent dat de kosten waarvoor eiser in de onderhavige beroepsprocedure bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich niet hebben voorgedaan.

6.9

Het beroep met zaaknummer SGR 20/802 heeft betrekking op bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht ten aanzien van de procedure met zaaknummer SGR 19/3973. Laatstgenoemde zaak is een reeds afgedane belastingzaak, welke is uitgemond in een onbevoegdverklaring.9 Op grond van artikel 2.5, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 wordt geen griffierecht geheven indien de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van het beroepschrift. Dit betekent dat de kosten waarvoor eiser de bijzondere bijstand heeft aangevraagd in de onderhavige beroepszaak niet zijn gemaakt en ook niet meer gemaakt zullen worden.

7. Uit het voorgaande volgt dat de kosten waarvoor eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd in alle onderhavige beroepsprocedures niet zijn gemaakt en dat deze kosten ook niet meer gemaakt gaan worden, nu het onderliggende beroep geëindigd is met een niet-ontvankelijkverklaring en daartegen geen verzet is gedaan (SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743 en SGR 20/745), omdat eiser geen advocaat heeft ingeschakeld (SGR 20/791) of omdat het onderliggende beroep geëindigd is met een onbevoegdverklaring (SGR 20/802). Dit betekent dat eiser het door hem beoogde doel, namelijk het (alsnog) verkrijgen van bijzondere bijstand, niet kan bereiken. Een inhoudelijk oordeel van de rechtbank hierover kan voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer hebben. De beroepen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.

8. Uit artikel 4:18 van de Awb vloeit voort dat verweerder – nadat hij eisers ingebrekestellingen had ontvangen – van rechtswege de verschuldigdheid van een dwangsom bij beschikking had moeten vaststellen. Dit heeft verweerder niet gedaan. Eiser kan echter door de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen tegen het niet tijdig beslissen, zie hiervoor onder 7, geen oordeel meer verkrijgen over de vraag of verweerder als gevolg daarvan een dwangsom heeft verbeurd.10

9. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van eiser niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Ten overvloede wijst de rechtbank partijen erop dat als gevolg van deze uitspraak de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:1648) op grond van artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht komt te vervallen .

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 26 augustus 2020 gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en
mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1255.

2 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3162.

3 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3161.

4 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3163.

5 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3165.

6 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3164.

7 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3166.

8 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 10 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3167.

9 Zie de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3155.

10 Zie de uitspraak van de CRvB van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2250.