Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8466

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
NL20.11890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Verweerder heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (ook) de Libische nationaliteit heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.11890


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. S. Thelosen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Slutzky).


Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de voorlopige voorzieningen zaak met zaaknummer NL20.11891, plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Partijen zijn verschenen en hebben zich laten bijstaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M. Abdalla.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 2 september 2018 onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij oorspronkelijk afkomstig is uit Tsjaad. Hij heeft echter weinig herinneringen aan dit land, omdat hij op vijfjarige leeftijd met zijn vader is gevlucht naar Libië. In Libië is hij opgegroeid en heeft hij gewoond totdat hij uiteindelijk in 2017, op vierentwintigjarige leeftijd, naar Europa is gevlucht. Eiser vreest om terug te keren naar Tsjaad, omdat zijn vader problemen heeft gehad met de autoriteiten in Tsjaad en hij daar wordt gezocht. Hij weet niet wat de redenen zijn dat zijn vader problemen heeft met de autoriteiten in Tsjaad. Eiser vreest voor eventuele problemen door zijn vader, hij is bang dat hij wordt opgepakt, mishandeld en/of wordt vermoord. Ook heeft eiser verklaard te vrezen terug te keren naar Libië. In Libië heeft eiser geweigerd om mee te vechten waardoor hij door de militie is opgepakt en gedetineerd. De broer van de baas van de gevangenis, [naam], heeft eiser legaal meegenomen om voor hem buiten de gevangenis te werken. Eiser is ontsnapt bij [naam] omdat hij zei dat hij na twee jaar werken terug moest naar de gevangenis.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst, en

2. problemen van zijn vader in Tsjaad.

4. Verweerder volgt eiser in zijn verklaringen over zijn Tsjadische identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij ook de Libische nationaliteit heeft verkregen. Ook heeft eiser bij zijn asielaanvraag in Italië opgegeven dat zijn nationaliteit Soedanees is hetgeen afbreuk doet aan zijn verklaringen over zijn Libische nationaliteit (zie claimakkoord van 5 oktober 2018). Nu volgens verweerder aannemelijk is dat eiser (in ieder geval) de Tsjadische nationaliteit heeft, wordt zijn aanvraag enkel getoetst aan terugkeer naar Tsjaad, het land van zijn nationaliteit. Verweerder acht de gestelde problemen van de vader van eiser met de autoriteiten in Tsjaad geloofwaardig.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft verweerder misleid over zijn nationaliteit en identiteit. Zo heeft eiser bij zijn asielaanvraag in Italië opgegeven dat hij de Soedanese nationaliteit heeft (claimakkoord 5 oktober 2018) en in Frankrijk dat hij is geboren op [geboortedatum] (claimreactie van 20 september 2018). Dit komt niet overeen met de gegevens die hij bij onderhavige aanvraag heeft overgelegd. Hij heeft ook geen enkel document overgelegd waaruit zijn ware identiteit en nationaliteit blijkt.

5. Eiser voert, samengevat, het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser de Libische nationaliteit bezit. Dit is in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient alsnog te onderzoeken of eiser recht heeft op een asielvergunning op basis van die Libische nationaliteit. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 augustus 2011, (ECLI:NL:RVS:2011:BR6660) volgt dat onbestreden verklaringen voor waar moeten worden gehouden. Verweerder heeft de gebeurtenissen in Libië niet bestreden, zodat verweerder van de juistheid hiervan moet uitgaan. Eisers migratie naar Libië op jonge leeftijd en zijn lange verblijf daar heeft verweerder niet betwist. Door de problemen in Libië kan eiser niet over documenten beschikken om zijn naturalisatie aan te tonen. Gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ligt de bewijslast om aan te tonen dat eiser de Libische nationaliteit niet bij hem. Eiser kon zich niet tot een Libisch consulaat wenden voor bewijsstukken vanwege zijn vrees voor vervolging en onmenselijke behandeling in Libië.

Volgens verweerder doet het feit dat eiser de Soedanese nationaliteit zou hebben opgegeven in Italië afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn Libische nationaliteit. Verweerder motiveert dit echter niet nader. Bovendien heeft eiser niet de Soedanese nationaliteit opgegeven in Italië. Zijn nationaliteit is in Italië niet juist geregistreerd. Dat kan eiser niet worden tegengeworpen (zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:414).

Eiser weet niet wat er is gebeurd met zijn Tsjadische nationaliteit. Verweerder verwijst naar een letterlijke verklaring uit het eerste gehoor, zonder de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor te betrekken. De verduidelijking die is gemaakt bij pagina 3 van het verslag van het eerste gehoor maakt duidelijk dat eiser niet weet wat er is gebeurd met zijn Tsjadische nationaliteit. In dat licht moet ook zijn verklaring op pagina 19 worden gelezen.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser in het aanmeldgehoor op 19 september 2018 op pagina 3 verklaart hij dat hij in 2009 de Libische nationaliteit heeft gekregen.

6.1

Tijdens het eerste gehoor op 14 januari 2020 heeft eiser, voor zover hier relevant, het volgende verklaard.

Pagina 3:

Ik heb begrepen dat u de Tsjadische nationaliteit heeft. Klopt het dat u vanaf 2009 ook de Libische nationaliteit had?

Ja, die heb ik.

Is daarmee uw Tsjadische nationaliteit komen te vervallen of had u vanaf 2009 twee nationaliteiten?

Nee, ik heb alleen nog de Libische nationaliteit.

Hoe komt het dat u nu geen Tsjadische nationaliteit meer heeft?

Op mijn vijfjarige leeftijd heb ik samen met mijn vader Tsjaad verlaten en ik heb toen ook geen andere papieren meegenomen uit Tsjaad.”

Pagina 8

“Na 2009, toen ik de Libische nationaliteit kreeg, ging ik pas naar school, maar ik ben niet ver gekomen, Ik heb wel wat leren lezen en schrijven.”

Pagina 11

“Tot wanneer had u dit document in uw bezit? (toevoeging rechtbank: Het document waarover wordt gesproken, betreft een geboorteakte uit Tsjaad).

In ieder geval totdat we naar Libië gingen, maar ik vond het niet zo belangrijk.

Op een gegeven moment is het zoek geraakt, want ik kreeg ook de Libische nationaliteit.”

Pagina 19:

“Begrijp ik goed dat u zegt dat u niet weet of de Tsjadische nationaliteit is komen te vervallen?

Ik kom oorspronkelijk uit Tsjaad, maar ben naar Libië gegaan en daar heb ik de nationaliteit van gekregen, maar ik ben mijn oorspronkelijke land niet vergeten.

Ik probeer even helder of u wel of niet weet of uw Tsjadische nationaliteit is vervallen?

Nee, die ben ik niet kwijtgeraakt.

Als ik u vraag: waarop baseert u dat de Tsjadische nationaliteit nog heeft, wat zegt u dan?

Nou, dat voel ik zo aan. Dat is mijn oorsprong ook. Dat kan ik niet zomaar vergeten.”

6.2

In de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor van 15 januari 2020 heeft de gemachtigde van eiser op pagina 1, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“P.3, vierde alinea van onderen, verduidelijking; cliënt weet niet wat er is gebeurd met zijn Tsjadische nationaliteit, zoals hij verderop in het gehoor ook aangeeft. Hij gaat ervan uit dat hij alleen de Libische nationaliteit heeft.”

6.3

Eiser heeft tijdens het nader gehoor op 15 januari 2020, voor zover hier relevant, het volgende verklaard.

Pagina 11:

“U verklaarde dat u problemen in Libië heeft ondervonden vanwege uw nationaliteit. U zei dat ze zagen dat u oorspronkelijk niet afkomstig bent uit Libië. Welke problemen heeft u ondervonden?

Ik werd opgepakt door de militie en toen vroegen zij mij naar mijn documenten. Ik moest deze afgeven. Ze zagen dat ik was geboren in Tsjaad. Ze stelden mij vragen hierover. Ik vertelde dat ik op vijfjarige leeftijd naar Libië ben vertrokken. Ik ben in 2009 genaturaliseerd. Ze zeiden dat het corrupte regime van Khadaffi mij de nationaliteit heeft gegeven.”

(…)

U bent geboren in Tsjaad. Waarom gaf dat u problemen vanwege nationaliteit in Libië?

Dat weet ik niet. Misschien omdat ik in Tsjaad ben geboren en ik de Libische

nationaliteit heb verkregen.”

7. De rechtbank stelt voorop dat ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser bij geboorte de Tsjadische nationaliteit heeft verkregen. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat deze nationaliteit geloofwaardig is bevonden, omdat eiser en zijn ouders in Tsjaad zijn geboren. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat eiser geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn Tsjadische nationaliteit, noch ter onderbouwing van zijn Libische, maar dat dit voor het geloofwaardig achten van zijn Tsjadische nationaliteit niet van doorslaggevend belang is geweest omdat eiser en zijn ouders in Tsjaad zijn geboren.
Tussen partijen is echter in geschil van welke nationaliteit verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser heeft moeten uitgaan.

7.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gedurende de asielaanvraag het aan eiser is om middels verklaringen en/of documenten aannemelijk te maken welke nationaliteit hij bezit. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld (pagina 4 van het bestreden besluit) dat eiser zelf heeft verklaard, waar volgens verweerder in de correcties en aanvullingen niet op terug is gekomen, dat hij de Tsjadische nationaliteit niet heeft verloren (pagina 19 van het eerste gehoor). Verweerder gaat uit van de verklaringen van eiser nu hij ook geen documenten heeft overgelegd waaruit zijn Libische nationaliteit blijkt, noch documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de Tsjadische nationaliteit is verloren. Daarnaast zijn er verder geen andere bewijzen en/of indicaties dat eiser de Tsjadische nationaliteit heeft verloren, aldus verweerder.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (ook) de Libische nationaliteit heeft verkregen. De rechtbank stelt vast dat eiser reeds in zijn aanmeldgehoor op 19 september 2018 verklaart dat hij in 2009 de Libische nationaliteit heeft gekregen en deze verklaring herhaalt in zijn eerste en nader gehoor. Op pagina 19 van het eerste gehoor verklaart eiser niet alleen dat hij de Tsjadische nationaliteit niet heeft verloren, maar ook dat hij naar Libië is gegaan en de Libische nationaliteit heeft verkregen en dat hij zijn oorspronkelijke land niet is vergeten. Na het eerste gehoor verduidelijkt zijn gemachtigde in de correcties en aanvullingen op het eerste gehoor dat eiser ervan uitgaat dat hij alleen de Libische nationaliteit heeft. Nu eiser zijn verklaring bij gelegenheid van de correcties en aanvullingen heeft voorzien van een nadere toelichting, heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Libische nationaliteit heeft verkregen. Dat niet van de Libische nationaliteit wordt uitgegaan, omdat eiser in Italië zou hebben doorgegeven dat hij de Soedanese nationaliteit heeft, acht de rechtbank, gelet op eisers verklaringen én het feit dat verweerder wel uitgaat van de Tsjadische nationaliteit, een onvoldoende motivering.

Naar het oordeel van de rechtbank werpt verweerder eiser bovendien ten onrechte tegen dat hij zich tot een Libisch consulaat had kunnen wenden voor bewijsstukken ter onderbouwing van zijn Libische nationaliteit, nu eiser stelt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en onmenselijke behandeling in Libië.

De beroepsgrond slaagt.

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.
De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.