Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8451

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 426
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil toekenning extra uren Wet op de Rechtsbijstand. Beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.T. Verweijen),

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van mr. P.T. Verweijen om toekenning van 30 extra uren voor rechtsbijstand aan eiser afgewezen.

Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van eiser heeft daarop gereageerd.

Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen, heeft de zitting van 19 maart 2020 geen doorgang kunnen vinden. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank uitspraak doet zonder zitting.

Overwegingen

1. Op 7 augustus 2018 heeft mr. P.T. Verweijen (hierna: rechtsbijstandverlener/ gemachtigde) een verzoek ingediend om vergoeding voor 30 uren extra rechtsbijstand toe te kennen. Aan het verzoek is – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat het een omvangrijk dossier is met een ontkennende verdachte. Het betreft een evident bewerkelijke zaak waarbij de gemachtigde van eiser stelt dat de uren doelmatig zijn besteed.

2. Verweerder heeft het verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat uit de stukken niet blijkt dat sprake is van een bijzondere rechtsvraag of van een zodanig juridisch relevant feitencomplex dat de zaak in redelijkheid niet binnen de tijdgrens kan worden afgehandeld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

3. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en stelt – samengevat weergegeven – als volgt. In de eerste plaats is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, nu ten onrechte is overwogen dat 150 pagina’s aan het dossier zijn toegevoegd, terwijl het ongeveer 450 pagina’s betreffen. Reeds bij de aanvraag was duidelijk dat het een nog lopende strafzaak betrof, waarbij te verwachten viel dat het dossier nog aanzienlijk zou worden uitgebreid.

Voorts stelt eiser dat de in deze zaak verrichte werkzaamheden voldoen aan het begrip doelmatigheid als bedoeld in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (hierna: Bvr). De behandeling van de strafzaak kan in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens van 24 uur worden afgerond. Niet alleen beslaat het gehele dossier inmiddels bijna 800 pagina’s, maar is onder meer ook veel tijd besteed aan het voorbereiden en bijwonen van drie zittingen over de voorlopige hechtenis, het uitkijken van beelden en het bijwonen van een gehoor van een getuige bij de rechter-commissaris. Bovendien wordt de doelmatigheid van de werkzaamheden door verweerder niet betwist en heeft verweerder ten onrechte niet alle omstandigheden in samenhang bezien.

Eiser wijst er voorts op dat verweerder er gelijk in heeft dat gemachtigde verplicht is rechtsbijstand te verlenen, maar dit heeft in de praktijk tot gevolg dat gemachtigde vele uren extra onbetaald werk moet verrichten en het kantoor zelfs moet betalen om nog door te kunnen werken in deze zaak. De gemachtigde van eiser heeft door voornoemde problematiek inmiddels de verdediging neergelegd in afwachting van de uitspraak van de bestuursrechter over de aangevraagde extra uren.

4. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De reden daarvan is dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Het bezwaar is namelijk gemaakt door de rechtsbijstandverlener/gemachtigde zelf. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is.

5. Eiser heeft in reactie op dit primaire verweer gesteld dat het vanzelfsprekend is dat het bezwaarschrift namens hem is ingediend. Immers de rechtshulpverlener/gemachtigde is zelf helemaal geen partij in dezen en dat is eiser natuurlijk wel. Zonder extra uren heeft eiser geen advocaat in een zaak waarin een jarenlange gevangenisstraf op het spel staat.

6.1.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.2.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

6.3.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 is het in zaken over de Wet op de Rechtsbijstand van belang dat er duidelijkheid bestaat over wie bezwaar en beroep heeft ingesteld omdat in sommige gevallen alleen de rechtsbijstandverlener en in andere gevallen alleen de rechtzoekende belanghebbende is, terwijl zich ook situaties kunnen voordoen waarin beiden belanghebbende zijn.

6.4.

Niet in geschil is dat het beroepschrift is ingediend door de gemachtigde van eiser namens eiser, zoals ook uitdrukkelijk in dat beroepschrift is vermeld. Het bezwaarschrift van 25 september 2018 is ondertekend door de rechtsbijstandverlener/gemachtigde op eigen naam en is in de ‘ik’-vorm opgesteld. Het bezwaarschrift bevat niet de vermelding dat het namens of mede namens eiser wordt ingediend. De enkele vermelding in de kop van het bezwaarschrift dat het de zaak [eiser] /OM betreft onder vermelding van het toevoegingsnummer [nummer] is onvoldoende om eiser als mede bezwaarmaker aan te merken. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij duidelijk aangeeft namens wie hij optreedt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het bezwaarschrift uitsluitend door de rechtsbijstandverlener/gemachtigde namens hemzelf is ingediend.

6.5.

De rechtbank volgt eiser overigens niet in zijn betoog dat alleen hij, en niet de rechtsbijstandverlener, belanghebbende is bij het besluit op een aanvraag om extra uren. Uit vaste rechtspraak volgt dat zowel de rechtzoekende als de rechtsbijstandverlener belanghebbende zijn, zolang althans de strafzaak niet is afgerond. Indien de strafzaak wel is afgerond vervalt het belang van de rechtzoekende, indien het al dan niet toekennen van extra uren geen financiële of andere gevolgen voor de rechtzoekende heeft.2

6.6.

Nu vaststaat dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt en de situatie dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten zich niet voordoet, dient het beroep van eiser op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden niet toekomt.

6.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 28 augustus 2020 gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Uitspraken van 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8815 en 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2889

2 Uitspraken van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2905 en 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1114