Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8446

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
NL20.15465
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grensbewaring. De toegangsweigering is niet de grondslag voor de grensbewaring. Kan daarom niet leiden tot onrechtmatigheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15465


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).


Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2020 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft de maatregel van bewaring opgeheven op 18 augustus 2020.

Partijen hebben toestemming gegeven voor een schriftelijke behandeling.

Eiser heeft op 21 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 21 augustus 2020 een reactie ingediend. Eiser heeft vervolgens op 24 augustus 2020 gereageerd en verweerder op 25 augustus 2020. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft Syrische nationaliteit de en is geboren op [geboortedag] 1976.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser voert aan het volgende aan. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning asiel met een geldigheid tot 22 oktober 2020. De intrekking van deze verblijfsvergunning bij beslissing van 26 november 2018 is echter niet aan eiser bekend gemaakt waardoor hij pas op de hoogte is gesteld bij zijn inreis op 26 juli 2020. De rechtsmiddelentermijn is dan ook pas op 26 juli 2020 gaan lopen en in deze periode zijn de rechtsgevolgen van het besluit opgeschort zodat eiser niet de toegang mocht worden geweigerd. De daaropvolgende vrijheidsontnemende maatregel is daarom van aanvang af onrechtmatig. Verder betoogt eiser dat de rust- en voorbereidingstijd is verlengd naar zeventien dagen waarvoor geen basis is te vinden in de wet. Hem is gelet op deze verlenging ten onrechte de vrijheid ontnomen. Tevens is het eiser tot 10 augustus 2020 onmogelijk gemaakt om zich te laten bijstaan door een raadsman omdat hem tot 10 augustus 2020 fysiek contact met hulpverleners is onthouden. Subsidiair vraagt eiser om iedere beslissing aan te houden totdat is beslist op het beroepschrift (in de zaak met nummer NL20.15349) over de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel.

4. In reactie op het verweerschrift betwist eiser dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1451) waar verweerder naar heeft verwezen, volgt dat de uitgestelde toegangsweigering niet kan worden aangevochten en niet de grondslag is voor de bewaring. Eiser betoogt verder dat de (bekendmaking van de) intrekking van de asielvergunning niet conform de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft plaatsgevonden. Tot slot stelt eiser dat hij in de rust- en voorbereidingstijd geen rechtsbijstand, ook niet via beeldbellen, heeft kunnen ontvangen en dat het verlengen van de rust- en voorbereidingstijd niet bedoeld is voor medische redenen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. In de hiervoor genoemde uitspraak van 3 juni 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat het uitstellen van het besluit over de toegang tot Nederland valt aan te merken als een handeling in de zin van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht en dat daarom geen sprake is van een besluit waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit deze uitspraak van de Afdeling volgt dat het uitstellen van het besluit over de toegang niet de grondslag is voor de toepassing van de grensprocedure. Krachtens artikel 3, derde lid, van de Vw is voor de toepassing van de grensprocedure slechts vereist dat sprake is van een aan de buitengrens geuite asielwens. Het uitstellen van het besluit over de toegang is evenmin de grondslag voor de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, derde lid, van de Vw. Voor toepassing van de maatregel is slechts vereist dat de grensprocedure wordt toegepast.

7. Nu het toepassen van de grensprocedure wegens een aan de buitengrens geuite asielwens de grondslag is van de vrijheidsontnemende maatregel, kan het betoog van eiser gericht tegen deze uitgestelde toegangsweigering niet leiden tot de onrechtmatigheid van de maatregel. De beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd tegen de uitgestelde toegangsweigering – zijn stellingen dat hij niet op de hoogte was van de intrekking van zijn verblijfsvergunning, dat de intrekking pas op 26 juli 2020 bekend is gemaakt en dat de rechtsgevolgen van die beschikking zijn opgeschort – slagen daarom niet.

8. Ook de beroepsgrond dat geen deugdelijke wettelijke grondslag bestaat voor de verlenging van de rust- en voorbereidingstijd en dat eiser gedurende deze periode geen toegang had tot rechtsbijstand, slaagt niet. De maatregel van grensdetentie is gebaseerd op de omstandigheid dat eiser aan de grens een asielverzoek heeft ingediend dat in de grensprocedure wordt behandeld. Gronden gericht tegen de wijze waarop de asielprocedure is ingericht en de voortgang daarvan, dient eiser naar voren te brengen in het beroep tegen een eventuele afwijzing van het asielverzoek dan wel in een klachtenprocedure bij verweerder. De rechtbank wijst in dat verband op de uitspraak van de Afdeling van

3 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1452), welke recent nog is bevestigd in de uitspraak van

1 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1505). De rechtbank is in de onderhavige procedure belast met de toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel, zodat in deze procedure een beroepsgrond over de asielprocedure niet kan worden beoordeeld. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat hij ten aanzien van de vrijheidsontnemende maatregel is belemmerd in de contacten met zijn gemachtigde is dit niet onderbouwd. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat eiser in zijn verdediging is geschaad.

9. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om deze procedure aan te houden totdat is beslist op het beroepschrift over de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.