Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8444

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
NL20.13436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De uitspraak richt zich op de beoordeling of de christelijke tatoeages van eiser (mogelijk) gevaren zullen opleveren bij een terugkeer naar Irak.

De rechtbank volgt de uitleg van de uitspraken van 31 mei 2018 waarin de Afdeling eerst overweegt dat van een vreemdeling wiens bekering ongeloofwaardig is geacht, in beginsel kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam geplaatste christelijke tatoeages bedekt en bedekt houdt. Vervolgens overweegt de Afdeling dat het in die zaken, en mede gelet op grootte en de locatie van die tatoeages, - in de ene zaak op de hand en in de andere zaak in de hals - niet aannemelijk is dat de vreemdelingen die tatoeages met kleding kunnen bedekken en na terugkeer onder alle omstandigheden bedekt kunnen houden.

De rechtbank stelt vast dat eiser verschillende tatoeages heeft, waaronder een tatoeage van een ketting met een kruis om zijn nek en borst en een tatoeage van een kruis op zijn rechterbovenarm. Gelet op de plaats en omvang van de tatoeages van eiser, in vergelijking met de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2018, is het aannemelijk dat hij deze kan bedekken en na terugkeer onder alle omstandigheden bedekt kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13436


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. H. Tadema),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.N. Schöning).


Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijdafgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder afgezien van het geven van een termijn voor vrijwillig vertrek en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Op 24 oktober 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.1

Op 21 november 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, het besluit van 29 juli 2019 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen.2

Bij besluit van 2 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder afgezien van het geven van een termijn voor vrijwillig vertrek en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1993. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend op 27 december 2015. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is opgegroeid bij buren van zijn oma. Deze familie voerde in hun eigen woning een bordeel en zo is eiser ook dit werk ingerold. Van juni 2014 tot april 2015 is hij ongeveer tien keer benaderd door de Badr militie om zich bij hen te voegen en deel te nemen aan de jihad. Hij heeft dit steeds geweigerd. In april 2015, de laatste keer dat hij werd benaderd, hebben leden van de militie eiser gewaarschuwd. De militie is er achter gekomen welke werkzaamheden hij verrichtte. Eind 2015 werd hij een aantal dagen in de gaten gehouden en op 5 december 2015 heeft de militie een inval in de woning van eiser en zijn (pleeg)familie gedaan en alle aanwezigen vermoord. Op dat moment was eiser niet thuis, omdat hij alcohol aan het halen was voor in de woning. Vervolgens is hij gevlucht. De door eiser ondervonden problemen van de zijde van sjiitische milities heeft verweerder niet geloofwaardig geacht en de aanvraag is afgewezen. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2016 in rechte vast komen te staan.3

Op 8 januari 2019 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft drie overlijdensaktes, een doopakte van de Kores kerk van 22 april 2018 en een aantal WhatsApp-berichten aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is van mening dat hij met de overlijdensaktes alsnog zijn problemen met de sjiitische milities geloofwaardig heeft gemaakt. Met de doopakte en de WhatsApp-berichten wil hij zijn bekering tot het christendom aannemelijk maken. Eiser heeft in deze procedure verklaard in Irak tot het christendom te zijn bekeerd. Hij heeft dromen gehad die hij heeft besproken met christelijke buren en heeft naar aanleiding daarvan, ongeveer een jaar voor zijn vertrek uit Irak, een tatoeage van een ketting met een kruis om zijn nek en borst gezet. Ook heeft eiser een kruis op zijn rechterbovenarm gezet. Hierover gaat dit beroep.

2. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met sjiitische milities;

- bekering tot het christendom en hieruit voortvloeiende problemen met stamgenoten; en

- christelijke tatoeages.

Verweerder acht de verklaringen over de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De gestelde problemen met de sjiitische milities en de bekering van eiser en de hieruit voortvloeiende problemen met stamgenoten acht verweerder ongeloofwaardig. Verder staat vast dat eiser christelijke tatoeages heeft. Volgens verweerder mag van eiser worden verwacht dat hij er alles aan doet om een eventueel risico op vervolging of een artikel 3 van het EVRM schending jegens hem te vermijden. Van eiser mag daarom worden verwacht dat hij, indien dat mogelijk is, zijn tatoeages bedekt houdt. Daarom komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor de door hem gevraagde asielvergunning.

2.1.

In de genoemde uitspraak van 24 oktober 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, geoordeeld dat de door eiser overgelegde overlijdensaktes het in de eerdere procedure ongeloofwaardig geachte asielrelaas van eiser niet onderbouwen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat eiser een jaar voor zijn vertrek uit Irak al tot het christendom was bekeerd en een tatoeage van een kruis had laten zetten. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser daardoor in Irak geen problemen heeft ondervonden en dat dit geen reden voor eiser is geweest om Irak te verlaten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiser om die reden te vrezen heeft voor vervolging of bij terugkeer naar Irak een risico op ernstige schade loopt. Dit heeft hij volgens de rechtbank evenmin met de overgelegde WhatsApp-berichten aannemelijk gemaakt. Eiser heeft volgens de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak gevaar te duchten heeft vanwege zijn tatoeages.

2.2.

In de genoemde uitspraak van 21 november 2019 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, onder verwijzing naar haar uitspraken van 31 mei 20184, waarin is geoordeeld dat een tatoeage niet onder alle omstandigheden bedekt kan worden gehouden.

2.3.

Zoals ter zitting bevestigd, richt het huidige beroep zich op de beoordeling of de christelijke tatoeages van eiser (mogelijk) gevaren zullen opleveren bij een terugkeer naar Irak.

Christelijke tatoeages

3. Eiser voert aan dat hij christelijke tatoeages draagt en hij verwacht hierdoor problemen te krijgen bij terugkeer naar Irak, omdat daardoor voor de autoriteiten zichtbaar is dat hij zich heeft bekeerd. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling waarmee het eerder genomen besluit is vernietigd. Daarin is geoordeeld dat een tatoeage niet onder alle omstandigheden bedekt kan worden gehouden, zodat een drager van een tatoeage met christelijke betekenis in Irak problemen heeft te verwachten waartegen de vreemdeling beschermd hoort te worden. Daarom is het bestreden besluit volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd.

3.1.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 april 2015 overwogen dat van een vreemdeling wiens gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig is bevonden, kan worden gevergd dat hij uitingen van dat geloof van internet verwijdert en verwijderd houdt om een eventueel risico bij terugkeer te voorkomen. Dat van een vreemdeling gevergd wordt dergelijke geloofsuitingen te verwijderen kan niet worden aangemerkt als het betrachten van terughoudendheid bij het uitdrukking geven aan een geloofsovertuiging, omdat die overtuiging ongeloofwaardig is.5

Vervolgens heeft de Afdeling in de twee genoemde uitspraken van 31 mei 2018 geoordeeld dat uit deze rechtspraak volgt dat van een vreemdeling wiens bekering ongeloofwaardig is geacht, in beginsel kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam geplaatste christelijke tatoeages bedekt en bedekt houdt. Mede gelet op de grootte en locatie van de tatoeage - in de ene zaak op de hand en in de andere zaak in de hals - achtte de Afdeling het echter niet aannemelijk dat de vreemdeling die tatoeage met kleding kon bedekken en na terugkeer naar het land van herkomst onder alle omstandigheden bedekt kon houden, om zo de behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, te voorkomen. Dat gold ook voor de eerst ter zitting bij de Afdeling door de staatssecretaris geopperde mogelijkheid dat de vreemdeling zijn tatoeage met, periodiek opnieuw aan te brengen, make-up maskeert.

3.2.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van deze uitspraken. Eiser betoogt dat geen enkele tatoeage onder alle omstandigheden bedekt kan blijven, ook de zijne niet. Het risico bestaat immers dat autoriteiten of milities hem zullen dwingen zich te ontkleden. Eiser wijst er daarbij op dat de Afdeling ook specifiek in zijn zaak, in de uitspraak van
21 november 2019, heeft overwogen dat een tatoeage niet onder alle omstandigheden bedekt kan worden gehouden. Verweerder betoogt dat uit de uitspraken van de Afdeling slechts volgt dat beoordeeld moet worden of, mede gelet op de grootte en locatie van de tatoeage, aannemelijk is dat een tatoeage bedekt kan worden en kan worden gehouden.

3.3.

De rechtbank volgt deze laatste uitleg. In de uitspraken van 31 mei 2018 overweegt de Afdeling namelijk eerst dat van een vreemdeling wiens bekering ongeloofwaardig is geacht, in beginsel kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam geplaatste christelijke tatoeages bedekt en bedekt houdt. Vervolgens overweegt de Afdeling dat het in die zaken, en mede gelet op grootte en de locatie van die tatoeages, niet aannemelijk is dat de vreemdelingen die tatoeages met kleding kunnen bedekken en na terugkeer onder alle omstandigheden bedekt kunnen houden. Het betreft dus die specifieke zaken en de grootte en locatie van die specifieke tatoeages. Daarmee verhoudt zich niet de lezing van eiser dat de uitspraken betrekking zouden hebben op alle tatoeages. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze uitspraken dan ook zo worden begrepen dat het in sommige gevallen, mede gelet op de plaats en omvang van een tatoeage, niet aannemelijk is dat de vreemdeling die tatoeage met kleding kan bedekken en na terugkeer onder alle omstandigheden bedekt kan houden. In een dergelijk geval is het aan verweerder om te motiveren waarom van de vreemdeling kan worden verwacht dat hij op zijn lichaam aangebrachte tatoeages verwijdert of aanpast. Dit laatste is echter slechts aan de orde als niet aannemelijk is dat de tatoeage met kleding bedekt kan worden.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat eiser verschillende tatoeages heeft, waaronder een tatoeage van een ketting met een kruis om zijn nek en borst en een tatoeage van een kruis op zijn rechterbovenarm. Gelet op de plaats en omvang van de tatoeages van eiser, in vergelijking met de uitspraken van de Afdeling van 31 mei 2018, is het aannemelijk dat hij deze kan bedekken en na terugkeer onder alle omstandigheden bedekt kan houden. Daar komt bij dat eiser, zowel tijdens het gehoor opvolgende aanvraag en op zitting, heeft verklaard de tatoeages al één jaar voor zijn vertrek uit Irak te hebben gezet.6 Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij zijn christelijke tatoeages verborg onder een T-shirt.7 Ook was de omgeving van eiser bekend met zijn christelijke tatoeages en heeft eiser niet verklaard problemen te hebben ondervonden vanwege zijn tatoeages.8 Zoals ook door verweerder op de zitting opgemerkt heeft eiser overigens in zijn eerste procedure verklaard dat zijn tatoeages, hij heeft onder meer nog tatoeages van een skelet en van een vrouw, verder geen betekenis hebben en dat hij deze hobbymatig heeft laten aanbrengen.9 Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser door zijn christelijke tatoeages in Irak geen gegronde vrees heeft voor vervolging en dat hij geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dus met dergelijke tatoeages niet kan terugkeren.

3.5.

Verder ziet de rechtbank ook geen aanleiding om, zoals ter zitting door eiser is aangevoerd, verweerder op te dragen hem nader te horen over zijn (gestelde) problemen in Irak. De beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod

4. Eiser kan zich niet verenigen met het inreisverbod.

4.1.

Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid van de Vw 2000. Op grond van het achtste lid van deze bepaling, kan verweerder om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

4.2.

Eiser voert geen gronden aan tegen het feit dat hem door verweerder een vertrektermijn is onthouden. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, naar aanleiding van hetgeen overwogen onder 3.4, geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Van overige (humanitaire) redenen op grond waarvan verweerder in redelijkheid had moeten afzien van het inreisverbod is de rechtbank niet gebleken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

De inhoud van eerder aangevoerde stukken en correspondentie

5. Daarnaast heeft eiser voor het overige verzocht hetgeen in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in de bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser nagestreefde resultaat. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Samenvattend betekent dit dat naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor de door hem gevraagde asielvergunning.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.M. van den Assem, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Zaaknummer: NL19.17749 (niet gepubliceerd).

2 ECLI:NL:RVS:2019:3941.

3 201607213/1/V2.

4 ECLI:NL:RVS:2018:1802 en ECLI:NL:RVS:2018:1803.

5 ECLI:NL:RVS:2015:1336.

6 Zie pagina 7 van het rapport Gehoor opvolgende aanvraag.

7 Zie pagina 4 van het rapport Gehoor opvolgende aanvraag.

8 Zie pagina 8 van het rapport Gehoor opvolgende aanvraag.

9 Zie pagina 11 van het rapport Nader Gehoor.