Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8437

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5075
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding Pw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/5075

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.F. Cheung),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Boere).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering te verlenen afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat verzoeker en zijn ex-partner [A] een gezamenlijk huishouding voeren. Verzoeker is daarom geen zelfstandig subject van de bijstand. Het inkomen van [A] is volgens verweerder hoger dan de gehuwdennorm.

3. Verzoeker stelt dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner [A] . Zij hadden geen gezamenlijke verzekeringen of bankrekeningen, zorgden voor hun eigen maaltijden en deden geen gezamenlijke activiteiten, zoals vakanties of boodschappen. Verzoeker verbleef op maandag tot en met donderdag in de woning van [A] , omdat hij dakloos was. Vanwege de coronacrisis kon hij nergens anders terecht en was zijn hulp nodig voor de verzorging en het thuisonderwijs van hun kinderen.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening aanwezig. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomsten heeft en dat op korte termijn een financiƫle noodsituatie kan ontstaan.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

5. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (Pw) is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vierde lid, aanhef en onder b, is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

5.1.

Vast staat dat uit de relatie van verzoeker en [A] twee kinderen zijn geboren. Dit betekent dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend is of verzoeker en [A] tijdens de in geding zijnde periode van 22 april 2020 tot 7 juli 2020 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

5.2.

Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1221) ligt het hoofdverblijf van een betrokkene daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Hierbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

5.3.

Verweerder heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn hoofdverblijf had in de woning van [A] . Verzoeker woonde hier het grootste deel van de week en hielp dan bij het verzorgen van de kinderen en het geven van thuisonderwijs. Van vrijdag tot zondag had verzoeker geen vast adres en verbleef hij op verschillende plekken bij vrienden, familie en scharrels. Verzoeker heeft op zitting verklaard dat hij persoonlijke spullen en kleding in de woning van [A] bewaarde en dat hij hier ook post kreeg van de verzekering en het UWV. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat het zwaartepunt van het leven van verzoeker lag in de woning van [A] . Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijk gevoerde huishouding in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw op hen van toepassing is.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.