Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8422

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
NL20.7081
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bnt, Dublin, overdrachtstermijn verstreken, NL verantwoordelijk, beslistermijn verstreken, maar igs prematuur, n-o

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7081


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 19 maart 2019 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag gedaan.

Op 26 april 2019 heeft verweerder Italië verzocht eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Nu Italië niet binnen de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 25, eerste lid, Dublinverordening op dit verzoek heeft gereageerd staat op grond van artikel 25, tweede lid, Dublinverordening de verantwoordelijkheid van Italië per 11 mei 2019 vast.

Bij brief van 26 november 2019 heeft verweerder meegedeeld dat eiser niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 29, tweede lid, Dublinverordening is overgedragen aan Italië en dat eiser daarom is toegelaten tot de nationale procedure.

Eiser heeft op 18 maart 2020 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 19 maart 2019.

Verweerder heeft op 15 april 2020 verzocht de behandeling van het beroep aan te houden omdat door de maatregelen die zijn getroffen om verspreiding van het coronavirus in te dammen verweerder in ernstige mate wordt beperkt in de mogelijkheden om te beslissen op de aanvraag van eiser.
Bij brief van 15 april 2020 heeft eiser op dit aanhoudingsverzoek gereageerd.

Bij brief van 20 mei 2020 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de zaak tot nader bericht wordt aangehouden omdat besluitvorming niet kan plaatsvinden door omstandigheden die samenhangen met de coronamaatregelen. Na versoepeling van de coronamaatregelen heeft de rechtbank de behandeling van de zaak hervat.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

5. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.

6. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.

In artikel 42, zesde lid, Vw is bepaald dat indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet in behandeling dient te worden genomen, vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.
7. Op grond van artikel 25, tweede lid, Dublinverordening is Italië per 11 mei 2019 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. De termijn van zes maanden, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, Dublinverordening waarbinnen eiser moet worden overgedragen is daarmee aangevangen op 11 mei 2019 en is geëindigd op 11 november 2019. Nu eiser niet binnen deze termijn aan Italië is overgedragen, is Nederland per 11 november 2019 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet op de beslistermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 42, eerste lid, Vw had verweerder uiterlijk op 10 mei 2020 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden.

8. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder bij brief van 14 januari 2020 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is. Uit hetgeen hiervoor is overwegen blijkt echter dat verweerder op 14 januari 2020 nog niet in gebreke was te beslissen op de aanvraag. Nu er geen sprake is van een geldige ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12 van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk.

9. Het beroep is niet ontvankelijk.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.