Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8325

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
NL20.8138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie. Uiterste overdrachtstermijn opgeschort door uitspraak voorzieningenrechter. Opnieuw horen. Artikel 17 Dublinverordening. Zwangere echtgenote in Nederland. Psychische klachten. Arresten Tarakhel en C.K. tegen Slovenie. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8138


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2020 in Breda. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het bestreden besluit betreft een beslissing op de tweede asielaanvraag van eiser, die is ingediend op 13 maart 2020.

2. De eerdere asielaanvraag, ingediend op 8 augustus 2019, is bij besluit van 25 oktober 2019 met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vw1 niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat eiser eerder in dat land heeft gevraagd om internationale bescherming.2 Dit besluit staat in rechte vast.3

3. Op 10 februari 2020 heeft verweerder de overdracht van eiser aan Italië aangekondigd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 14 februari 2020 eisers overdracht hangende het daartegen ingediende bezwaar verboden.4 Verweerder heeft bij besluit van 24 maart 2020 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dat besluit staat in rechte vast.

4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag wederom met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vw niet in behandeling genomen omdat hij Italië nog steeds verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag. Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar het eerdere afwijzende asielbesluit van 25 oktober 2019. Verweerder vindt dat de termijn voor overdracht is opgeschort door de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020 en stelt dat de termijn weer is gaan lopen vanaf 24 maart 2020. Dat betekent dat overdracht aan Italië mogelijk is tot 24 september 2020. Verweerder acht de gezinsband met de in Nederland verblijvende gestelde echtgenote niet aannemelijk gemaakt en ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

5. Wat eiser daartegen in beroep aanvoert, wordt hieronder besproken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Allereerst staat ter beoordeling of de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van eisers asielaanvraag is geëindigd omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Eiser betoogt dat deze termijn niet is opgeschort door de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020, omdat geen sprake was van een gedwongen uitzetting. Subsidiair stelt eiser dat niet de overdrachtstermijn na de opschorting opnieuw is gaan lopen, maar slechts het restant daarvan.

7. In artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening staat:

De verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.

8. In artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening staat:

Voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat:

  1. het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of

  2. het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of

  3. de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven. Beslissingen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit worden gegeven binnen een redelijke termijn die evenwel een nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het opschortingsverzoek mogelijk maakt. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd.

9. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020 is gedaan naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar tegen het met een besluit gelijk te stellen feitelijk handelen, te weten de voorgenomen overdracht van eiser naar Italië. De uitspraak hield een verbod tot overdracht in en behelsde dus een opschorting van de uitvoering van het eerdere overdrachtsbesluit. Deze uitspraak valt dan ook onder artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening en heeft daarmee opschortende werking, als bedoeld in artikel 29, eerste lid. Deze termijn is opnieuw gaan lopen nadat op 24 maart 2020 is beslist op het bezwaar. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat geen sprake zou zijn van een gedwongen uitzetting: de voorgenomen overdracht had een gedwongen karakter en daarom heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. Ook de subsidiaire stelling van eiser, dat na afloop van de opschorting slechts het restant van de zesmaandentermijn is hervat, faalt. Uit de tekst van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is immers af te leiden dat de volledige termijn van zes maanden gaat lopen vanaf de definitieve beslissing op het bezwaar wanneer dit schorsende werking heeft.

10. De termijn van overdracht verstrijkt dus pas op 24 september 2020. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser niet nu al is geëindigd door het verstrijken van de overdrachtstermijn.

11. Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder eiser naar aanleiding van zijn opvolgende asielaanvraag had moeten horen. Eiser voert aan dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020 en de toelichtende brief van 5 maart 2020 bij de opvolgende asielaanvraag hadden moeten leiden tot een persoonlijk onderhoud. Eiser acht het bestreden besluit daarom in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.

12. In artikel 5, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening staat het volgende:

1. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker. Het onderhoud biedt de verzoeker tevens de mogelijkheid de overeenkomstig artikel 4 aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen.

2. Het persoonlijk onderhoud kan achterwege blijven indien de verzoeker:

  1. is ondergedoken, of

  2. na de in artikel 4 bedoelde informatie te hebben ontvangen, reeds op andere wijze de informatie heeft verstrekt die relevant is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. lidstaten die het onderhoud achterwege laten, bieden de verzoeker de gelegenheid om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, voordat er een besluit tot overdracht van de verzoeker aan de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 26, lid 1, wordt genomen.

13. In het bij het bestreden besluit gehandhaafde voornemen, heeft verweerder het standpunt ingenomen dat op het M35-O-formulier de redenen waren aangegeven voor de herhaalde aanvraag en dat daarom horen niet nodig was.

14. Overwogen wordt dat eiser reeds in het kader van zijn eerste asielaanvraag is gehoord over zijn bezwaren om naar Italië te worden teruggestuurd.5 Verder heeft eiser in het M35-O-formulier de redenen van zijn opvolgende aanvraag uiteengezet, alsmede daarbij een toelichtende brief met een toelichting en een aantal bijlagen gevoegd, in totaal 60 pagina’s. Eiser had dus alle volgens hem relevante informatie voor zijn opvolgende aanvraag schriftelijk aangeleverd. Om die reden mocht verweerder op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening afzien van een persoonlijk onderhoud. Er is dan ook geen sprake van schending van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.

15. Gelet op de beroepsgronden, zoals nader toegelicht ter zitting, moet vervolgens worden beoordeeld of verweerder met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

16. Eiser betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2020, dat hij niet kan worden gescheiden van zijn zwangere echtgenote [Naam 2] en dat hij ook vanwege zijn medische toestand afhankelijk is van zijn echtgenote die in Nederland verblijft en rechtmatig verblijf heeft hangende haar asielberoep.

17. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel is. Verder heeft hij erop gewezen dat eiser slechts een kopie van een huwelijksakte en van een uittreksel uit het huwelijksregister heeft overgelegd en dat eiser tijdens het gehoor in de vorige procedure heeft verklaard dat hij op traditionele wijze is gehuwd in Italië en dat geen van beiden daarbij aanwezig zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende gemotiveerd dat eiser zijn gezinsband niet met authentieke stukken, noch met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser niet ten onrechte aangemerkt als een alleenstaande man.

18. De rechtbank begrijpt dat eiser zijn medische toestand mede aanvoert ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. Op 14 augustus 2020 heeft eiser een patiëntendossier overgelegd dat is bijgewerkt tot 14 augustus 2020. Daaruit blijkt dat het laatste contact op 13 augustus 2020 met de arts of praktijkondersteuner van het Asielzoekerscentrum plaatsvond. Naar aanleiding daarvan is opgemerkt dat ‘de stemmen’ niet meer aanwezig zijn, dat eiser gespannen is, en dat psychotische klachten niet op de voorgrond staan. Onder ‘actieve medicatie’ staat dat eiser vanaf 12 augustus 2020 het medicijn Olanzapine voorgeschreven heeft gekregen.

19. Naar aanleiding van dit in beroep overgelegde stuk heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet is gebleken dat bij eiser sprake is van medisch-specialistische behandeling. Evenmin acht verweerder eiser bijzonder kwetsbaar. Verder vindt verweerder dat de situatie van eiser niet zodanig bijzonder is dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de medisch-psychische toestand van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om vanwege bijzondere hardheid met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken.

21. Evenmin heeft verweerder eiser vanwege zijn medisch-psychische toestand als ‘bijzonder kwetsbaar’ hoeven aanmerken, als bedoeld in het Tarakhel-arrest.6 Dat betekent dat verweerder geen aanvullende garanties heeft hoeven vragen aan de Italiaanse autoriteiten voorafgaande aan de voorgenomen overdracht.

22. Voor zover eisers betoog over zijn medisch-psychische toestand mede moet worden opgevat als een beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië7 wordt het volgende overwogen. Eiser heeft met het overgelegde patiëntendossier niet aannemelijk gemaakt dat overdracht naar Italië een reëel en bewezen risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand.

23. Tot slot heeft eiser betoogd dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vanwege het bestaan van ernstige, aan het systeem gerelateerde gebreken in de asielopvang in dat land. Eiser wijst op de voortdurende corona-crisis en stelt dat de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, daardoor zijn betekenis heeft verloren.

24. De rechtbank volgt dat standpunt van eiser niet. In de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling wordt op basis van de beschikbare actuele informatie over de toestand voor asielzoekers in Italië geoordeeld dat verweerder nog steeds, net zoals bij de bestendige eerdere jurisprudentie van de Afdeling, mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is gelet daarop aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt niet meer opgaat. Eiser heeft geen actuele landeninformatie overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. Dat de coronacrisis voortduurt, is daartoe ontoereikend. In een andere Afdelingsuitspraak die ook van 8 april 2020 dateert, met nummer ECLI:NL:RVS:2020:1032, is geoordeeld dat de coronacrisis moet worden aangemerkt als een tijdelijk, feitelijk beletsel dat niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit. De rechtbank ziet in het tijdsverloop sinds die uitspraak geen aanleiding om daarover anders te oordelen.

25. Het beroep is ongegrond.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Artikel 18, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3 Door de uitspraak van deze zittingsplaats van deze rechtbank van 14 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13690, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, en uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 11 december 2019 waarbij de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep is bevestigd.

4 ECLI:NL:RBNHO:2020:1107.

5 Het Dublingehoor van 4 oktober 2019.

6 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

7 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.