Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8311

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
NL20.12287
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk. Eritrese doopakte. Vergewisplicht Bureau Documenten. Bewonerspassen van gestelde ouders. Niet gehoord. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12287


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).


Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL20.12288, plaatsgevonden op 9 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Tsegai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en de Eritrese nationaliteit te bezitten.

2. Op 1 mei 2018 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 6 november 2018 is deze asielaanvraag afgewezen omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep daartegen is ongegrond verklaard in de uitspraak van deze rechtbank van 29 november 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:14292).

3. Vervolgens heeft eiser op 15 januari 2019 een opvolgende asielaanvraag ingediend, waarbij hij twee originele bewonerspassen van zijn gestelde ouders en een originele doopakte heeft overgelegd. Bij het bestreden besluit is eisers opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de bewonerspassen niet op de persoon van eiser zien en dat de doopakte geen identificerend document is. Voorts is een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

4. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van de doopakte niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Uit de verkorte verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 21 januari 2019 blijkt slechts dat er geen oordeel kan worden gegeven wegens een gebrek aan vergelijkingsmateriaal. Eiser stelt echter dat er voldoende vergelijkingsmateriaal voorhanden is voor het onderzoeken van Eritrese doopaktes, nu dit volgt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 28 mei 2020 (zaaknummer NL20.7669, niet gepubliceerd). Volgens eiser had verweerder daarom bij Bureau Documenten moeten nagaan hoe het oordeel in de verkorte verklaring van onderzoek tot stand is gekomen, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:628).

6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daartoe is redengevend dat de doopakte, ongeacht de vraag of deze echt is, niet kan gelden als identificerend document. Het enkele feit dat de door eiser gestelde woonplaats en kerk op deze akte vermeld staan, doet daaraan niet af. Daarbij betrekt de rechtbank het in rechte vast staande oordeel in de voornoemde uitspraak van 29 november 2018 dat een doopakte geen identificerend brondocument is, en dat eiser toerekenbaar geen enkel document heeft kunnen overleggen dat (een begin van) bewijs vormt van zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, zodat gelet daarop eisers verklaringen over zijn woonomgeving niet ten onrechte onvoldoende zijn geacht.

7. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat de echt bevonden bewonerspassen van zijn ouders zijn en daarmee indicatief zijn voor zijn eigen identiteit. Daarbij wijst eiser erop dat het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van 21 juni 2018 bewonerspassen benoemt als identificerende documenten. Volgens eiser maken de overgelegde documenten en de afgelegde verklaringen in samenhang bezien aannemelijk dat hij afkomstig is uit een Eritrese plaats en dat hij Eritrese ouders heeft.

8. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Het is namelijk geenszins aannemelijk gemaakt dat de op de bewonerspassen vermelde personen daadwerkelijk eisers ouders zijn. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat eiser Eritrese ouders heeft. Uit wat hiervoor is overwogen is al gebleken dat evenmin aannemelijk is geworden dat eiser uit een Eritrese plaats afkomstig is.

9. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag nieuwe documenten ten grondslag gelegd. Uit wat hiervoor is overwogen is gebleken dat verweerder deze heeft kunnen onderzoeken zonder eiser te horen. Er is immers sprake van stukken waarvan zonder horen kan worden vastgesteld dat deze niet leiden tot een ander oordeel dan in de eerdere asielprocedure. Anders dan eiser, is de rechtbank om die reden dan ook van oordeel dat verweerder hem niet had hoeven horen. Deze gang van zaken is in overeenstemming met artikel 42, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2013/32/EU (herziene Procedurerichtlijn).

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Omdat eiser niet heeft voldaan aan een eerder terugkeerbesluit, heeft verweerder op goede gronden tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Hoewel verweerder dit blijkens het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, betreft dit een bevoegdheid op grond van sub b van dit artikellid.

11. Het beroep is ongegrond. Van bijzondere op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden die noodzaken tot een andere beoordeling zoals bedoeld in artikel 83.0a van de Vw is de rechtbank niet gebleken.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.