Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8516369 RP VERZ 20-50286
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding arbeidsovereenkomst met de Staat (SZW) op grond van verstoorde arbeidsverhouding, terugvordering studiekosten overgangsrecht artikel 16 Ambtenarenwet 2017, opbouw IKB uren terecht gestopt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

HvBC/D

Rep.nr.: 8516369 RP VERZ 20-50286

Datum: 6 augustus 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de Staat der Nederlanden,

(hierna te noemen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afgekort SZW),

zetelend te Den Haag,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van de tegenverzoeken,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van de tegenverzoeken,

gemachtigde: mr. A.J.M. van der Meer.

Partijen worden aangeduid als SZW en [werkneemster] .

1 Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en de tegenverzoeken

1.1.

SZW heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van SZW niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren onder toekenning aan [werkneemster] van een transitievergoeding € 32.399,50 bruto.

1.2.

[werkneemster] heeft een verweerschrift, een tegenverzoek en een aanvullend tegenverzoek ingediend. Indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [werkneemster] (na aanvulling van haar verzoek) om de toekenning van een billijke vergoeding van een bruto bedrag van

€ 110.000,00 bruto.

Daarnaast verzoekt [werkneemster] de besluiten van SZW, op grond waarvan [werkneemster] de aan haar vergoede studiekosten ad € 2.060,00 aan SZW moet terugbetalen, te vernietigen en voor recht te verklaren dat deze terugvordering een toereikende grondslag in het recht ontbeert.

Ten slotte verzoekt [werkneemster] het besluit van SZW inhoudende dat zij vanaf 1 april 2020 geen IKB-uren meer opbouwt te vernietigen en voor recht te verklaren dat dit besluit een toereikende grondslag in het recht ontbeert.

1.3.

Op 15 juni 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [werkneemster] en haar raadsman zijn toen niet verschenen. Op 25 juni 2020 heeft het vervolg van de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. SZW werd toen vertegenwoordigd door haar raadsvrouwe, vergezeld door de dames [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3] . [werkneemster] is verschenen zonder haar raadsman en werd vergezeld door haar neef [naam neef] . Voorafgaand aan die mondelinge behandeling hebben partijen nog nadere stukken toegezonden. De raadsman van [werkneemster] heeft bij brief laten weten dat aan de kant van [werkneemster] is besloten dat zij alleen zou verschijnen en ook laten weten welke instructies [werkneemster] van haar raadsman had ontvangen.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en de tegenverzoeken

2.1.

[werkneemster] is geboren op [geboortedag] 1972.

2.2.

[werkneemster] is vanaf 4 augustus 1999 in dienst van de Staat der Nederlanden. Tot 15 juni 2006 werkte zij bij het Ministerie van OCW, tot 1 juni 2009 werkte zij vervolgens bij het Ministerie van LNV en vanaf 1 juni 2009 werkte zij bij het Ministerie van SZW.

2.3.

Van 1 juni 2009 tot maart 2017 werkte [werkneemster] bij SZW in de functie van [functie] , schaal 8 en vanaf maart 2017 in de functie van [functie] schaal 9 bij de directie Bestuursondersteuning (hierna ook: BO).

2.4.

Bij brief van 6 oktober 2011 zijn aan [werkneemster] studiefaciliteiten toegekend om een deeltijdopleiding Communicatie aan de Haagse Hogeschool te volgen, die bestonden uit vier uur scholingsverlof per week en 50% van de scholingskosten.

2.5.

In het M&M formulier dat op 28 januari 2016 door beide partijen is ondertekend staat, onder meer, het volgende vermeld:

“…

Werkafspraken

Terugblik: werkafspraken afgelopen periode

De werkzaamheden zijn niet geheel naar tevredenheid uitgevoerd. In de eerste plaats kwam [werkneemster] het afgelopen jaar regelmatig te laat op het werk. Zij voelde zich uitgeblust. Dit komt enerzijds omdat zij uit haar huidige functie is gegroeid en anderzijds omdat de werkdruk steeds hoger werd. Ook het soort werk spreekt haar minder aan. Hierdoor kwam het voor dat zij de prioriteiten van de dag niet altijd af kreeg.

Vooruitblik : welke werkafspraken maak je met je manager voor de komende periode?

[werkneemster] geeft aan dat zij op zoek is naar een andere functie, omdat zij uit haar huidige functie is gegroeid. De werkdruk op het secretariaat van DG SZI is flink toegenomen, waardoor [werkneemster] de indruk heeft dat het werk vooral productiewerk is. Daarnaast is haar collega een periode ziek geweest waardoor [werkneemster] nog meer druk ervoer.

Ze voelt zich me, opgebrand en zij heeft last van concentratie problemen. Haar verantwoordelijkheidsgevoel houdt haar op de been.

[werkneemster] gaat de komende periode meer structuur inbouwen in haar werkzaamheden. [betrokkene 4] heeft inmiddels andere werkmogelijkheden voor [werkneemster] gevonden bij BO op het gebied van communicatie.

Het is de bedoeling dat [werkneemster] de kabinetswerkzaamheden van [betrokkene 5] gaat overnemen vanaf januari 2016.

…”

Het samenvattend oordeel luidde dat [werkneemster] aan de gestelde eisen voldeed.

2.6.

Op 3 februari 2017 is [werkneemster] aangesproken op de structuur en de planmatigheid van haar werk. Op 6 februari 2017 heeft [werkneemster] zich na een bezoek aan de bedrijfsarts ziek gemeld. Deze had haar geadviseerd een week rust te nemen en in een gesprek met haar afdelingshoofd [betrokkene 6] (hierna ook: [betrokkene 6] ) verder te bespreken hoe de zaken beter te structureren, zodat iedereen tevreden is en blijft.

2.7.

Vanaf medio 2017 is [werkneemster] begeleid door een jobcoach.

Op 18 december 2017 heeft een P-gesprek plaatsgevonden, waarin [werkneemster] is aangesproken op haar houding en gedrag. [werkneemster] heeft van haar kant in dat gesprek aangegeven een stap te willen zetten naar een hogere loonschaal. Aan haar wordt voorgesteld een loopbaananalyse te laten maken en haar wordt ook meegedeeld dat een hogere loonschool binnen BO niet mogelijk is (e-mail 20 december 2017 van Teamleider [betrokkene 7] , hierna ook [betrokkene 7] ).

2.8.

Op 19 december 2017 heeft [werkneemster] zich ziekgemeld.

Het advies van de bedrijfsarts van 4 januari 2018 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“…

Dat haar uitval gerelateerd is aan een verstoord geraakte vertrouwensrelatie met haar leidinggevende en dat dit kan worden beschouwd als een arbeidsconflict. Er zijn geen medische beperkingen, ergo geen arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Conform de “STECR” Werkwijzer Arbeidsconflicten” wordt geadviseerd ter oplossing van het gerezen conflict een korte interventieperiode voor bemiddeling c.q. mediation toe te passen.

…”

2.9.

Partijen hebben vervolgens een mediation gestart met als globale beschrijving van de kwestie : verstoorde arbeidsrelatie.

Deze mediation heeft als uitkomst opgeleverd dat zal worden ingezet op het zoeken naar een plek buiten BO voor [werkneemster] .

SZW heeft op zich genomen om -op detacheringsbasis- een werkplek bij de directie Organisatie, Bedrijfsvoering en Personeel (OBP) te regelen voor [werkneemster] .

[werkneemster] is daar op 5 maart 2018 begonnen. Daarnaast heeft zij naast het werk tijd gekregen voor een mobiliteitstraject met als begeleidster de mobiliteitsadviseur [betrokkene 8] (hierna ook: [betrokkene 8] ).

2.10.

Op 11 juni 2018 is een definitief inschalingsadvies gegeven voor de functie die [werkneemster] uitoefende bij BO. Haar functie is ingeschaald in schaal 9. Dit wordt door [betrokkene 6] bij e-mail van 20 juni 2018 aan [werkneemster] meegedeeld.

2.11.

[betrokkene 3] heeft [werkneemster] bij brief van 5 oktober 2018 met als onderwerp Studiekosten meegedeeld aan [werkneemster] dat aan haar een studiekostenvergoeding wordt toegekend voor het afronden van het laatste studiejaar van de HBO-opleiding Communicatie deeltijd onder de navolgende voorwaarden:

“…

-Uw totale studiekosten bedragen €2.060,-. De directie Bestuursondersteuning zal 100% van uw studiekosten vergoeden.

-U dient de voornoemde studie succesvol af te ronden in het studiejaar 2018-2019. Als u de studie voortijdig beëindigt of niet succesvol kunt afronden, dan dient u de studiekostenvergoeding in het geheel terug te betalen.

-Zoals besproken wordt de vergoeding verleend in het kader van het versterken van uw arbeidsmarktpositie. Wij benadrukken daarbij de gemaakte afspraak met u dat de inspanningen erop gericht zijn om, zoals afgesproken in het gesprek 3 juli 2018 met [betrokkene 6] , het mobiliteitstraject uiterlijk 31 december 2018 succesvol af te ronden. Voor beide partijen is duidelijk dat terugkeer bij de directie Bestuursondersteuning niet wenselijk is.

…”

2.12.

Van 22 maart 2018 tot 13 december 2018 heeft [werkneemster] het vrijwillige mobiliteitstraject Workflow succesvol doorlopen. Daarvan is een verslag opgemaakt waarin, onder meer, is vermeld dat de communicatie aanvankelijk niet soepel verliep maar is verbeterd nadat dit was uitgesproken, dat [werkneemster] het lastig vindt om te focussen, breed geïnteresseerd is, hetgeen haar zoektocht naar ander werk bemoeilijkt. Jobsearch kan daarom niet worden ingezet waardoor de begeleiding langer duurde. Voorts is vermeld dat het [werkneemster] niet altijd lukte om op tijd op de afspraak te komen en de huiswerkopdrachten te maken.

2.13.

Op 19 december 2018 heeft een personeelsgesprek plaatsgevonden tussen het afdelingshoofd OBP en [werkneemster] . Daarvan is een door beide partijen geaccordeerd verslag gemaakt. Uit dit verslag volgt dat het afdelingshoofd OBP binnen zijn afdeling uiterst tevreden is over [werkneemster] .

In dit document zijn ook de afspraken opgenomen tussen [werkneemster] en haar nieuwe leidinggevende van BO mevrouw [betrokkene 2] (hierna ook: [betrokkene 2] ). Zij heeft [betrokkene 6] opgevolgd. Die afspraken komen er -kort gezegd- op neer dat de detachering van [werkneemster] bij OBP met een half jaar wordt verlengd, dat zij in die periode de gelegenheid krijgt om haar HBO studie Communicatie af te ronden en dat [werkneemster] per direct een mobiliteitstraject zal starten met een nieuwe mobiliteitsadviseur.

2.14.

Vanaf maart 2019 heeft [werkneemster] geen werkzaamheden meer verricht, zodat zij zich kon richten op het afronden van haar studie en het vinden van een andere baan.

2.15.

Op 11 april 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), directeur BO, de heer [betrokkene 9] (raadsman van SZW, hierna: [betrokkene 9] ), de heer [betrokkene 10] (HRM-adviseur) en [werkneemster] .

Daarvan is een verslag gemaakt waarin -kort samengevat- het volgende is vermeld.

[werkneemster] heeft zelf om dit gesprek verzocht. Zij is vrijgesteld van werk om op 1 juli 2019 te kunnen afstuderen. [werkneemster] heeft zelf haar afstudeeropdracht gewijzigd, het afstudeertraject bij OBP stopgezet en dit niet meteen voorgelegd aan [betrokkene 2] .

De daaropvolgende twee gesprekken tussen [betrokkene 2] en [werkneemster] zijn niet goed verlopen, waarna [werkneemster] dit gesprek met [betrokkene 3] heeft aangevraagd.

In dit gesprek heeft [betrokkene 3] aangegeven dat het belang van de werkgever is dat [werkneemster] een andere baan vindt het dat afstuderen daarvoor een instrument is.

Afgesproken wordt dat [werkneemster] haar scriptievoorstel uiterlijk 19 april 2019 bij haar opleiding inlevert. Nadat de opleiding het scriptievoorstel heeft beoordeeld, zal gezamenlijk bekeken moeten worden hoe er verder wordt gegaan.

2.16.

In mei, juni en juli 2019 vinden tussen partijen diverse gesprekken plaats en in juli 2019 blijkt dat het de bedoeling is dat [werkneemster] in februari 2020 zal afstuderen en er inmiddels een nieuwe studiebegeleider is gevonden bij het Leer en ontwikkelplein (LOP) van SZW.

[betrokkene 3] heeft op 15 juli 2019 gereageerd op de studievoorstel van [werkneemster] met de mededeling dat hij bereid is om [werkneemster] tot eind 2019 vrij te stellen van werk onder de voorwaarde dat er eind 2019 een reële kans is op mobiliteit en dat het fijn is als [werkneemster] eind augustus 2019 een eigen plan heeft over welke stappen zij gaat nemen om mobiliteit te bewerkstelligen.

2.17.

Begin september 2019 is [betrokkene 3] door ziekte uitgevallen en is er bij BO een interim leidinggevende aangesteld te weten mevr. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).

Op 23 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 9] , [betrokkene 8] en [werkneemster] . [betrokkene 1] heeft de inhoud van dit gesprek per mail bevestigd. In dat bericht wordt door [betrokkene 1] herhaald dat [werkneemster] voor het eind van het jaar een nieuwe baan gevonden moet hebben, dat [werkneemster] om die reden is vrijgesteld van haar werkzaamheden, zodat [werkneemster] haar studie Communicatie kan afronden en op zoek kan gaan naar een nieuwe baan. Indien [werkneemster] geen andere baan vindt, dient zij zich op 1 januari 2020 te melden bij BO waar zij dan te werk zal worden gesteld.

Ten slotte schrijft [betrokkene 1] dat de tijd dringt, dat [werkneemster] zelf liever niet terug wil naar BO en dat [werkneemster] daarom als aanvulling op het traject in 2018 nog drie gesprekken aangeboden krijgt met [betrokkene 8] om [werkneemster] te helpen meer focus aan te brengen in haar zoektocht, welke gesprekken zijn gepland op 3, 17 en 24 oktober 2019.

[werkneemster] heeft diezelfde avond nog een e-mail gestuurd waarin zij in de kern aangeeft er een hard hoofd in te hebben of alle gemaakte afspraken voor haar haalbaar zijn. Ze zal kijken wat ze kan doen, studie, fit worden en tegelijkertijd mobiliteit.

2.18.

Op 16 oktober 2019 heeft [werkneemster] zich per e-mail aan [betrokkene 1] ziekgemeld en de tussen partijen gemaakt afspraak op 17 oktober 2019 afgezegd. [betrokkene 1] laat [werkneemster] per e-mail van 17 oktober 2019 weten dat er haars inziens sprake is van iets anders dan ziekte namelijk een arbeidsconflict, dat zij de ziekmelding van [werkneemster] niet accepteert en een spoedafspraak voor [werkneemster] heeft ingepland bij de bedrijfsarts.

2.19.

Bij brief van 25 oktober 2019 met als onderwerp: “nieuwe afspraak, herhaalde oproep”, heeft [betrokkene 1] [werkneemster] opgeroepen voor een gesprek op 29 oktober 2019 omdat het gesprek op 17 oktober 2019 door [werkneemster] was afgezegd. In die brief wordt vermeld dat [werkneemster] op 23 oktober 2019 bij de bedrijfsarts is geweest en dat de bedrijfsarts in zijn advies heeft laten weten dat de klachten van [werkneemster] niet het gevolg zijn van ziekte maar van ervaren knelpunten in de arbeidssituatie. Ook staat in die brief dat [werkneemster] via de sociale raadsman had laten weten niet te zullen verschijnen op de gemaakte afspraak op donderdag 24 oktober 2019.

2.20.

Van het gesprek van 29 oktober 2019 is een gespreksverslag gemaakt dat niet is ondertekend en dat door [werkneemster] uitgebreid is geamendeerd.

Bij dat gesprek waren aanwezig: [werkneemster] , begeleid door haar moeder, [betrokkene 1] , [betrokkene 9] , de heer [betrokkene 11] van HRM en de heer [betrokkene 12] , gespreksleider van het Loket Conflictbemiddeling van UBR/Personeel, hierna [betrokkene 12] .

Uit de door [werkneemster] geamendeerde versie van dit verslag volgt dat [betrokkene 1] heeft aangegeven dat de ontstane situatie het gevolg is van een verstoorde werkrelatie en voorts dat de verwachtingen van partijen over het vervolg verschillend zijn, dat [werkneemster] het beëindigen van de arbeidsrelatie niet accepteert, omdat zij zich wel degelijk aan de afspraken heeft gehouden en dat [werkneemster] en [betrokkene 1] beide juridisch advies zullen inwinnen. Er wordt een vervolgafspraak gemaakt voor 19 november 2019.

2.21.

Op 18 november 2019 heeft [betrokkene 1] een evaluatie ontvangen van de drie extra gesprekken die [werkneemster] heeft gehad met de mobiliteitsadviseur [betrokkene 8] . Uit die evaluatie volgt dat aan [werkneemster] zijn zeven vacatures zijn voorgelegd. Het traject heeft geen resultaat opgeleverd.

2.22.

Op 15 november 2019 laat de toenmalige gemachtigde van [werkneemster] weten dat zij ziek is en wordt de afspraak van 19 november 2019 om die reden afgezegd.

2.23.

Op december 2019 vindt er een vervolg gesprek plaats. [betrokkene 12] deelt per e-mail van diezelfde dag de gemaakte afspraken mee aan de toenmalige gemachtigde van [werkneemster] :

“…

De communicatie gaat in het vervolg via de beide betrokken juristen

Werknemer vraagt met spoed een deskundigenoordeel aan en laat werkgever weten zodra de aanvraag is gedaan

Bij ontvangst van het deskundigenoordeel zendt werknemer dit per ommegaande aan werkgever

Na ontvangst van het deskundigenoordeel wordt met spoed een nieuwe gespreksafspraak gemaakt in dezelfde samenstelling als op 4 december

Er wordt door werkgever zo mogelijk een voorstel gedaan om op en na 2 januari 2020 re-integratiewerkzaamheden buiten BO te gaan verrichten. Hierover vindt te voren enig overleg plaats tussen de beide juristen

…”

2.24.

Op 9 december 2019 meldt de bedrijfsarts van SZW dat hij aan een collega bedrijfsarts een second opinion heeft gevraagd wat betreft zijn advies van 23 oktober 2019 en dat deze arts zijn oordeel van 23 oktober 2019 onderschrijft.

2.25.

[werkneemster] heeft 12 december 2019 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd dat op 5 februari 2020 wordt gegeven. Daarin staat, onder meer, het volgende:

“…

De door haar genoemde ernst van de klachten heb ik tijdens het gesprek niet echt kunnen objectiveren.

Uit de thans ter beschikking staande gegevens blijkt, dat er al langere tijd klachten zijn, gerelateerd aan de situatie op het werk, dus geen medische arbeidsongeschiktheid, ongeveer 2 jaar geleden heeft al een mediation plaatsgevonden. Hierop is nu ook al diverse malen aangedrongen, tot op heden heeft dit niet plaatsgevonden.

Gezien het feit dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid, wordt door diverse bedrijfsartsen de richtlijnen van STECR gevolgd, m.i. terecht.

Weknemer en werkgever kan nog wel in overweging worden gegeven om alsnog een mediation gesprek aan te gaan met een onafhankelijke adviseur.

De klant is er per geschildatum 01-01-2020 geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.”

2.26.

In de periode van 12 november 2019 tot 18 maart 2020 hebben partijen overleg gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen.

2.27.

Bij brief van 17 april 2020 deelt [betrokkene 3] aan [werkneemster] mee dat hij heeft geconstateerd dat [werkneemster] niet heeft voldaan aan de voorwaarden van het besluit van 5 oktober 2018 (zie randnummer 2.11), omdat zij zonder dringende reden en ondanks de vrijstelling van werk de studie niet heeft afgerond in het studiejaar 2018-2019.

Dat betekent dat door SZW de studiekosten voor 100% worden teruggevorderd tot een bedrag van € 2.060,00.

2.28.

Bij brief van eveneens 17 april 2020 deelt [betrokkene 3] namens SZW aan [werkneemster] , onder meer, het volgende mee:

“…

Vanaf januari 2020 tot eind maart 2020 is geprobeerd om met u een vertrekregeling te treffen. Tot mijn spijt ben ik niet met u tot overeenstemming gekomen.

Dat betekent dat ik genoodzaakt ben een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen bij de kantonrechter.

Tot aan de uitspraak van de kantonrechter geef ik u op grond van paragraaf 4.3 van de CAO Rijk met ingang van 1 april 2020 langdurig verlof. Gedurende dit verlof ontvangt u uw maandinkomen. Vanaf 1 april 2020 krijgt u op grond van paragraaf 9.1 van de cao Rijk, echter geen IKB-uren meer.

…”

3 Het verzoek en de grondslag ervan

3.1.

SZW verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt SZW ten grondslag dat sprake is van -zakelijk weergegeven- een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van SZW redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3.Ter onderbouwing daarvan heeft SZW een beroep op voormelde feiten gedaan.

4 Het verweer en het tegenverzoek en het verweer daartegen

4.1.

[werkneemster] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.

Zij voert daartoe -kort samengevat- aan dat er geen sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat van SZW niet meer gevergd zou kunnen worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. [werkneemster] stelt zich op het standpunt dat zij door opvolgende leidinggevenden in een verkeerd daglicht is gesteld en dat zij stelselmatig is overbelast met werk in combinatie met studie en coaching activiteiten.

4.2.

Voor zover de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, verzoekt [werkneemster] bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding van € 110.000,00, ongeveer twee jaarsalarissen bruto.

4.3.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door [werkneemster] verder verzocht om de besluiten van SZW op grond waarvan [werkneemster] de aan haar vergoede studiekosten ad € 2.060,00 aan SZW moet terugbetalen te vernietigen en voor recht te verklaren dat deze terugvordering een toereikende grondslag in het recht ontbeert en voorts om het besluit van SZW inhoudende dat zij vanaf 1 april 2020 geen IKB-uren meer opbouwt te vernietigen en voor recht te verklaren dat dit besluit een toereikende grondslag in het recht ontbeert.

4.4.

Op de verweren van SZW tegen de tegenverzoeken wordt hierna -voor zover nodig- ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De verzoeken lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Het gaat in deze zaak allereerst om het antwoord op de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Indien dat verzoek wordt toegewezen, moet vervolgens worden beoordeeld of aan [werkneemster] een transitievergoeding en daarnaast een billijke vergoeding dient te worden toegekend.

5.2.

Uitgangspunt is dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz) en de Ambtenarenwet 2017, zoals deze zaak, het bewijsrecht, zoals dat volgt uit het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

5.3.

Verder is van belang dat uit artikel 7:669, eerste lid BW volgt dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [werkneemster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669, derde lid BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling). Voor [werkneemster] als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017 is dat niet anders.

5.4.

De hiervoor onder 2 vastgestelde feiten en omstandigheden, voor zover die betrekking hebben op de periode na januari 2016 leveren een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

Redengevend voor dit oordeel is het volgende.

Vanaf januari 2016 blijkt dat het tussen partijen in toenemende mate gaat schuren, dat partijen elkaar steeds minder gaan vertrouwen en ten slotte wordt een vertrouwensbreuk en een daaruit voorvloeiend arbeidsconflict tussen partijen manifest.

Bij de mondelinge behandeling van 25 juni 2020 is nogmaals duidelijk geworden dat de arbeidsverhouding tussen partijen onherstelbaar is verstoord. [werkneemster] is van mening dat zij steeds haar uiterste best heeft gedaan en zich volledig heeft ingezet maar dat zij is overladen met werk, zodat zij haar werk niet (meer) aan kon, zeker niet in combinatie met haar coaching traject en met het afronden van haar HBO studie Communicatie.

SZW op zijn beurt is van mening dat hij [werkneemster] op alle fronten heeft gefaciliteerd met studiefaciliteiten, coaching en vrijstelling van werkzaamheden, nadat onderling in goed overleg was afgesproken dat [werkneemster] op zoek zou gaan naar een nieuwe werkplek buiten BO. Dat het [werkneemster] niet is gelukt om af te studeren en een andere baan te vinden is niet aan SZW te wijten, aldus SZW.

Deze feiten en omstandigheden vanaf januari 2016 in onderling verband en samenhang bezien, laten geen andere conclusie toe dan dat thans vastgesteld moet worden dat tussen partijen inmiddels sprake is van een dusdanig onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, dat van SZW niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Het is van belang om hier uitdrukkelijk te vermelden dat bij deze vaststelling het antwoord op de vraag aan wie deze situatie te verwijten is géén rol speelt.

5.5.

In de rede ligt dat herplaatsing van [werkneemster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is, gezien op de onder 2. vastgestelde feiten en omstandigheden en de daaruit blijkende pogingen om [werkneemster] elders geplaatst te krijgen, zowel binnen als buiten SZW.

5.6.

Het verzoek van SZW tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal daarom worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 9, BW worden ontbonden met ingang van 7 september 2020.

Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met dien verstande dat tenminste de termijn van één maand resteert na dagtekening van de ontbindingsbeslissing.

5.7.

SZW heeft zelf verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 september 2020 aan [werkneemster] een transitievergoeding toe te kennen. Volgens SZW is zij dan een transitievergoeding verschuldigd van € 32.399,50. SZW heeft het brutosalaris bij die berekening op op € 4.611,97. [werkneemster] heeft deze berekening als grondslag voor de toe te wijzen transitievergoeding niet weersproken. Dit bedrag zal mede daarom als transitievergoeding worden toegewezen.

5.8.

Er is geen aanleiding om aan [werkneemster] een billijke vergoeding toe te kennen. Op grond van artikel 7:671b lid 9, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van SZW. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt, die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor omdat er geen te objectiveren feiten en omstandigheden zijn gesteld die -indien bewezen- het oordeel kunnen wettigen dat SZW grovelijk haar verplichtingen niet is nagekomen dan wel een valse grond voor ontslag aanvoert. [werkneemster] denkt daar heel anders over, blijkens hetgeen zij aanvoert. Dat komt omdat zij de hiervoor onder 2 vastgestelde feiten en omstandigheden op haar eigen wijze duidt. Zij wijst met name op het gedrag van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , die haar als leidinggevenden in de hoek zouden hebben gedreven en het persoonlijk op haar gemunt zouden hebben gehad. Die door [werkneemster] uit de feiten en omstandigheden getrokken conclusies, zijn echter niet te objectiveren en leveren daarmee geen ernstige verwijten op die aan SZW zijn toe te rekenen.

5.9.

Ten aanzien het verzoek van [werkneemster] om de besluiten van SZW op grond waarvan [werkneemster] de aan haar vergoede studiekosten ad € 2.060,00 aan SZW moet terugbetalen te vernietigen en voor recht te verklaren dat deze terugvordering een toereikende grondslag in het recht ontbeert, geldt het volgende.

Het besluit om [werkneemster] een studiekosten vergoeding toe te kennen en de daaraan te verbinden voorwaarden is genomen op 5 oktober 2018, dus voor 1 januari 2020. Op grond van artikel 16 van de Ambtenarenwet 2017 behoudt dit besluit van voor de datum van inwerkingtreding van de wet normalisering rechtspositie ambtenaren zijn geldigheid.

Daarop blijft -kort gezegd- de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing wat betreft de mogelijkheden van beroep en bezwaar tegen dit besluit. Een mogelijke verrekening door SZW op de voet artikel 7: 632 BW komt pas bij een eventuele executie van deze beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de orde. Daarbij wordt nog opgemerkt dat op grond van de Awb overheidsorganen in beginsel ook langs civielrechtelijk mogen invorderen. Op de manier waarop SZW de bij brief van 17 april 2020 meegedeelde terugvordering eventueel zal uitvoeren kan niet worden vooruitgelopen. De kantonrechter moet in dit geding van de geldigheid van het betreffende besluit uitgaan. Er heeft immers via de Awb een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan voor [werkneemster] om de geldigheid van dat besluit aan te tasten. Tussen partijen staat verder vast dat [werkneemster] niet heeft voldaan aan de in dat besluit gestelde voorwaarde om tijdig af te studeren. Het in werking treden van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten transitievergoeding per 1 juli 2020 maakt dat niet anders. Daaruit volgt dat SWZ die studiekosten mogelijk in mindering kan brengen op de transitievergoeding maar verplicht SZW daartoe niet. In de omstandigheden van dit geval voegt de mededeling van 17 april 2020 dus niets toe aan de reeds op grond van het BW bestaande wettelijke bevoegdheid van de werkgever, in dit geval SZW, om tot verrekening over te gaan bij het einde van de arbeidsovereenkomst.

5.10.

Het verzoek van [werkneemster] om het besluit van SZW van 17 april 2020, inhoudende dat zij vanaf 1 april 2020 geen IKB-uren meer opbouwt, te vernietigen en voor recht te verklaren dat dit besluit een toereikende grondslag in het recht ontbeert, is evenmin voor toewijzing vatbaar. Dit betreft immers geen besluit in de zin van de Awb maar een mededeling dat de SZW als werkgever de toepasselijke algemeen verbindend verklaarde cao Rijk toepast binnen de tussen partijen geldende arbeidsverhouding. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die -indien bewezen- de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat SZW in dit geval heeft gehandeld in strijd met de wet, de cao Rijk of niet heeft gehandeld als een goed werkgever betaamt.

5.11.

Gelet op de uitkomsten van deze procedure en de onderlinge samenhang tussen de verzoeken, zal de kantonrechter de proceskosten in de zaken van het verzoek en de tegenverzoeken telkens zodanig compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 7 september 2020;

6.2.

veroordeelt SZW om aan [werkneemster] een transitievergoeding te betalen van € 32.399,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 september 2020 tot aan de dag van de gehele voldoening;

6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak van de tegenverzoeken

6.1.

wijst de verzoeken af;

6.2.

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken ter openbare zitting van 6 augustus 2020.