Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8274

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
AWB 19/6400
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is EU-burger (Kroatië). Eiser heeft Nederland inmiddels verlaten. Omdat eiser Nederland heeft verlaten, is de noodzaak tot het maken van een belangenafweging om te bepalen of tot eisers verwijdering kon worden overgegaan (ook) komen te vervallen. Voor zover eiser naar voren brengt dat hij belang heeft bij de beoordeling van de vraag of hij ten tijde van het primaire besluit rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan omdat hij en zijn partner, indien dit in hun voordeel uitvalt, daarmee aanspraak kunnen maken op bepaalde voorzieningen, levert dat geen procesbelang op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/6400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Het procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Daartegen heeft eiser op 13 november 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 januari 2018 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard. Nadat eiser beroep had ingesteld heeft verweerder op 11 maart 2019 het besluit van 4 januari 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 25 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op 22 augustus 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1994 en bezit de Kroatische nationaliteit.

2. Verweerder heeft in het primaire besluit vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehad en hem meegedeeld dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten en, als hij dat niet doet, hij kan worden uitgezet. Omdat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad, heeft verweerder geen belangenafweging gemaakt om te bepalen of tot verwijdering kon worden overgegaan.

3. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser sinds 15 januari 2019 rechtmatig verblijf heeft gehad als werknemer.1 Volgens verweerder is dit verblijfsrecht op 26 juni 2019 verloren gegaan omdat eiser sinds die datum niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), maar staat geregistreerd op een adres in Italië. Een burger van de Unie met de status van rechtmatig verblijvend gemeenschapsonderdaan, die Nederland verlaat is immers direct deze status kwijt. Omdat geen sprake is van een verwijderingsbesluit, heeft verweerder geen belangenafweging gemaakt om te bepalen of tot eisers verwijdering kon worden overgegaan.

4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Namens eiser is namelijk niet weersproken dat eiser Nederland inmiddels heeft verlaten. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 december 20192 volgt dat, als blijkt dat een vreemdeling Nederland intussen heeft verlaten, hij met zijn beroep niet kan bereiken dat hij alsnog rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft. Dat leidt ertoe dat het beroep van een vreemdeling, voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van verweerder dat hij geen rechtmatig verblijf heeft, hem niet in een gunstiger positie kan brengen. In zoverre heeft een vreemdeling geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

5. Namens eiser is betoogd dat verweerder gehouden was om bij het primaire besluit een belangenafweging te maken om te bepalen of tot eisers verwijdering kon worden overgegaan. Eiser wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018.3 Als verweerder na het maken van de belangenafweging tot de conclusie komt dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt, leidt dit ertoe dat eiser ten tijde van het primaire besluit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Dat heeft weer gevolgen voor de reeds genomen besluiten van andere instanties. Zo heeft de Belastingdienst bepaald dat eisers partner over het jaar 2018 geen recht had op zorgtoeslag, omdat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Daarom heeft eiser er een groot belang bij dat verweerder een belangenafweging maakt als bedoeld in de genoemde uitspraak van de Afdeling.

6. De rechtbank is van oordeel dat eiser ook in zoverre geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Uit de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat bij het nemen van een verwijderingsbesluit een belangenafweging moet plaatsvinden. Uit die uitspraak volgt niet dat ook een belangenafweging moet plaatsvinden als een vreemdeling het land al heeft verlaten en er dus geen verwijderingsbesluit wordt genomen. Omdat eiser Nederland heeft verlaten, is de noodzaak tot het maken van een belangenafweging (ook) komen te vervallen.

Voor zover eiser naar voren brengt dat hij belang heeft bij de beoordeling van de vraag of hij ten tijde van het primaire besluit rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan omdat hij en zijn partner, indien dit in hun voordeel uitvalt, daarmee aanspraak kunnen maken op bepaalde voorzieningen, levert dat geen procesbelang op. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser of zijn partner zich voor (de aanspraak op) die voorzieningen dient te wenden tot de verstrekkende instanties. De vraag of eiser destijds rechtmatig verblijf had als gemeenschapsonderdaan en vanwege die verblijfsstatus aanspraak maakt op een bepaalde voorziening, kan daar aan de orde worden gesteld.4 Bij de beoordeling van dit beroep zijn immers de feiten en omstandigheden van belang zoals die bekend waren ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in deze uitspraak geen oordeel wordt gegeven over (de vaststelling van) eisers verblijfsstatus in het verleden. Op grond van deze uitspraak komt hierover dan ook niets in rechte vast te staan.

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 24 augustus 2020

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).

1 Artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

2 ECLI:NL:RVS:2019:4377.

3 ECLI:NL:RVS:2018:3584.

4 Zie bijvoorbeeld ook r.o. 4.5.1 en 4.5.2. in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:69.