Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
NL20.9783
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, medische zorg ook in Italië toegankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.9783


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.M.E. Embregts),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.9784, plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is M. Idemudia verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1989.

Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 25 augustus 2016 in Italië en op 22 januari 2019 en

5 februari 2019 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij persisteert bij het standpunt dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Eiser verwijst nogmaals naar het SFH-rapport van Swiss Refugee Council van januari 2020 om dit te onderbouwen, omdat hieruit blijkt dat er talrijke systematische tekortkomingen zijn in het Italiaanse opvangsysteem voor asielzoekers en statushouders. Uit onafhankelijk en onpartijdig onderzoek volgt ook dat Dublin-terugkeerders meestal geen opvang ontvangen. Dit volgt ook uit de ervaringen van eiser zelf waarover hij heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor Dublin. Lidstaten moeten gezien deze omstandigheden afzien van het terugsturen van kwetsbare asielzoekers naar Italië. Eiser is van mening dat hij door zijn handicap ook als kwetsbaar gezien moet worden en daarom beroept hij zich op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 6 september 2019 M.T. t. Nederland. Eiser kan niet normaal lopen vanwege zijn handicap en heeft pijn aan zijn been en voet. In beroep zijn foto’s overgelegd van de driewielstoel die eiser als hulpmiddel gebruikt en is het medisch dossier overgelegd. Ook zijn er in beroep meerdere, deels vertaalde, Italiaanse stukken overgelegd over zijn medische situatie. Gezien de medische situatie van eiser dient hij niet, in ieder geval niet zonder extra garanties, te worden overgedragen aan Italië. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de persoonlijke feiten en omstandigheden van eiser en heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de omstandigheden voor asielzoekers in Italië.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn algemeenheid ervan uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan de internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als de vreemdeling aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eiser is hier niet in geslaagd.

4.2

De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131),

12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845), 12 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3138), 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848) waarin, met inachtneming van een aantal (recente) rapporten en andere bronnen, is geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog immer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het door eiser aangehaalde SFH-rapport van januari 2020 volgt naar het oordeel van de rechtbank weliswaar een zorgelijk beeld, maar het schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie van Dublinclaimanten dan al bekend was ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Voor dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986).

Verder is van belang dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden in Italië. Uit de afdelingsuitspraak van 5 augustus 2020 volgt dat hoewel de algemene situatie en de leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Italië geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen bestaan. De afdeling bevestigt in deze uitspraak nogmaals dat verweerder ook voor bijzonder kwetsbare vreemdelingen, zoals mensen die lijden aan ernstige lichamelijk aandoeningen, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Indien eiser van mening is dat Italië zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt, ligt het op zijn weg om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties.

4.3

Het betoog van eiser dat hij geen opvangplek zal krijgen of vanwege de zogenaamde revoca maatregel opvangvoorzieningen ingetrokken zullen worden voor hem als Dublin-terugkeerder, maakt niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De revoca maatregel ziet op asielzoekers die zich niet houden aan de huisregels of zonder voorafgaande kennisgeving uit de opvang vertrekken. Verweerder heeft over de maatregelen kunnen stellen dat hieruit enkel blijkt dat een eventuele intrekking van voorzieningen niets meer is dan een repercussie voor degenen die zich niet houden aan de huisregels en/of zonder voorafgaande kennisgeving van hun toegewezen opvangcentra vertrekken. Hieruit volgt niet dat Dublin-terugkeerders bij voorbaat opvangvoorzieningen zullen worden ontzegd. Daarnaast is van belang dat de Italiaanse autoriteiten hebben ingestemd met het claimverzoek, waarmee ze hebben laten weten dat het asielverzoek in behandeling zal worden genomen en eiser zullen opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. Het enkele beroep op de revoca maatregelen is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt onvoldoende concreet zodat daarmee onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat Italië hem bij terugkeer geen opvang zal verschaffen.

4.4

Verder voert eiser aan dat gezien zijn medische situatie zijn asielaanvraag in Nederland behandeld dient te worden. Eiser stelt dat, gezien zijn ernstige lichamelijke aandoening, de overdracht aan Italië zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand. Dit wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser in beroep zijn Nederlandse patiëntendossier en medische stukken uit Italië overgelegd heeft, waaruit onder andere blijkt dat eiser door zijn medische situatie niet zelfstandig kan lopen door een korter rechterbeen, hierdoor pijn heeft en assistentie van anderen nodig heeft. Eiser heeft daarom in Nederland een driewieler en speciale schoenen ontvangen. Uit de Italiaanse medische stukken blijkt dat eiser in Italië door een specialist is gezien en op de wachtlijst voor een chirurgische ingreep opgenomen was. Hieruit volgt dat eiser toegang tot medische zorg heeft gehad in Italië en dat er in Italië de specialistische behandeling kan worden geboden die hij nodig heeft. Verweerder wijst er verder terecht op dat Italië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen. Er is verder niet onderbouwd dat eiser bij terugkeer in Italië geen toegang meer zou hebben tot medische zorg, waardoor verweerder heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land is om zijn asielaanvraag te behandelen.

Verweerder heeft eveneens kunnen stellen dat met de overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een actuele ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zal inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. Eiser voldoet niet aan de hoge lat van het arrest C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127).

Bovendien heeft de Afdeling in zijn uitspraak van 8 april 2020 geoordeeld dat verweerder ook in het geval van kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het beroep van eiser op de uitspraak M.T. t. Nederland kan hieraan niet afdoen, aangezien die uitspraak ziet op een zwangere alleenstaande vrouw met twee kleine kinderen en medische complicaties en dit niet van toepassing is op de situatie van eiser. Verweerder heeft gezien de Afdelingsuitspraak van

29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1802) dan ook geen aanleiding hoeven zien om, gelet op de medische situatie van eiser, nader onderzoek te doen of aanvullende individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten.

4.5

Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken van belemmeringen voor de feitelijke overdracht van eiser aan de Italiaanse autoriteiten.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.