Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8269

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
NL20.9275
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italië, gezin, eiseres zwanger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.9275


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer 1]

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer 2]

mede namens hun minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015

Samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Bij besluiten van 21 april 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.9276, plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eisers hebben de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en eiseres is geboren op [geboortedag] 1993.

Uit EU-Vis is gebleken dat eisers door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Baku in het bezit zijn gesteld van (Schengen)visa, geldig van 15 maart 2019 tot en met

6 april 2019. Met behulp van de visa zijn eisers via Hongarije naar Duitsland gereisd. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 7 april 2019 in Duitsland en op 17 oktober 2019 in Italië een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend.

1.2

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat eiseres op 13 augustus 2020 is bevallen van een zoon. Gezien deze ontwikkeling is er een aanvraag om uitstel van vertrek met toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Uit de overgelegde brief, gedateerd 15 juli 2020, blijkt dat verweerder uiterlijk op

8 september 2020 op deze aanvraag zal beslissen.

2. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eisers voeren in beroep aan dat de overdracht aan Italië in strijd is met het C.K. arrest. Eisers zijn kwetsbare asielzoekers en de overdracht is hierdoor in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Italië is namelijk absoluut niet in staat om hen passende opvang te bieden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn algemeenheid ervan uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan de internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als de vreemdeling aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Eisers zijn hier niet in geslaagd.

4.2

De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131),

22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845), 12 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3138), 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848) waarin, met inachtneming van een aantal (recente) rapporten en andere bronnen, is geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog immer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de afdelingsuitspraak van 5 augustus 2020 volgt dat hoewel de algemene situatie en de leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Italië geen aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en in de opvangvoorzieningen bestaan. De afdeling bevestigt in deze uitspraak nogmaals dat verweerder ook voor bijzonder kwetsbare vreemdelingen, zoals gezinnen met minderjarige kinderen, van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

4.3

Eisers hebben geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder stelt niet ten onrechte dat dit eveneens niet volgt uit het persoonlijk relaas van eisers, aangezien zij in Italië een verzoek om internationale bescherming hebben kunnen indienen en opvang hebben gekregen. Daarnaast is van belang dat de Italiaanse autoriteiten hebben ingestemd met het claimverzoek, waarmee ze hebben laten weten dat het asielverzoek in behandeling zal worden genomen en eisers zullen opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. Indien eisers van mening zijn dat Italië zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt, ligt het op hun weg om daarover in Italië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Hoewel eisers hebben verklaard dat zij in Italië hebben geklaagd bij medewerkers van de opvang en Questuran, hebben zij dit niet met documenten onderbouwd. Eveneens hebben eisers niet met documenten onderbouwd dat zij niet bereid waren om eisers te helpen. Verweerder heeft hierdoor kunnen stellen dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteit eisers niet zouden kunnen of willen helpen.

4.4

Eisers beroepen zich op het arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, C.K. tegen Slovenië. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:560), uitleg gegeven aan het arrest en uit deze uitspraken volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Uit het arrest volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting bevestigd dat er tijdens de procedure geen medische documenten zijn overgelegd die zien op de gezondheidstoestand van eisers. Er is dan ook niet gebleken dat de gezondheidstoestand van hen allen of van één van hen zo ernstig is dat overdracht aan Italië kan leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen. Hierdoor slaagt deze beroepsgrond niet.

4.5

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat de recent ingediende aanvraag tot het verlenen van uitstel van vertrek op medische gronden (in verband met de bevalling van eiseres op 13 augustus 2020) gezien het beleid zal worden ingewilligd. Verweerder zal uiterlijk op 8 september 2020 op deze aanvraag beslissen en de gemachtigde van eisers wijst erop dat de overdrachtstermijn van zes maanden dan al is verlopen. Gezien deze omstandigheden stelt de gemachtigde van eisers dat de overdracht aan Italië niet plaats kan vinden en dat eisers in de nationale procedure opgenomen dienen te worden. Hij heeft ter zitting de rechtbank verzocht om de zaak aan te houden tot hierover meer duidelijkheid bestaat.

4.6

De rechtbank overweegt dat op de aanvraag tot het verlenen van uitstel van vertrek op medische gronden nog niet is beslist door verweerder en dat niet op voorhand duidelijk is dat deze aanvraag zal leiden tot het verlenen van uitstel van vertrek. Eisers hebben geen stukken overgelegd om deze stelling te onderbouwen. Verweerder heeft hierdoor terecht gesteld dat de stelling van gemachtigde dat eisers niet kunnen worden overgedragen voor de overdrachtstermijn verloopt, een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Er bestaat dan vooralsnog geen aanleiding om eisers nu al op te nemen in de nationale procedure of om de zaak aan te houden tot er op de aanvraag tot het verlenen van uitstel van vertrek is beslist.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E. Maas, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.