Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8266

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
NL20.15264
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15264


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).


Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en daarbij verzocht om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft partijen vanwege de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het coronavirus verzocht in te stemmen met het achterwege blijven van een zitting. Daarbij is een termijn voor reactie gegeven. Partijen hebben ingestemd. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de behandeling van het beroep op de zitting achterwege blijft. Eiseres heeft op 20 augustus 2020 beroepsgronden ingediend en verweerder heeft op 21 augustus 2020 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 24 augustus 2020.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Chileense nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van haar reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de grondslag van de maatregel van bewaring en de tegengeworpen zware en lichte gronden niet bestrijdt, zodat deze gronden de maatregel kunnen dragen.

4. Eiseres voert allereest aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat op dit moment niet aannemelijk is dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is omdat er vanwege de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus geen lijnvluchten naar Chili gaan. Onbekend is hoeveel chartervluchten er gaan.

Subsidiair voert eiseres aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat verweerder onvoldoende voortvarend handelt met betrekking tot haar uitzetting. Verweerder heeft pas na elf dagen een laisser-passer (LP) aangevraagd. Hoewel eiseres bij haar strafrechtelijke aanhouding op 6 augustus 2020 de identiteit van haar zusje heeft opgegeven, heeft zij dat in paniek gedaan en heeft zij op 8 augustus 2020 via haar gemachtigde alsnog haar werkelijke identiteit kenbaar gemaakt door kopieën van haar paspoorten te overleggen. Op 10 augustus 2020 heeft de gemachtigde van eiseres naar de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) gemaild dat de moeder van eiseres het originele paspoort van eiseres heeft opgestuurd. Nu het onduidelijk is wanneer dit paspoort in Nederland aankomt, is het onvoldoende voortvarend van verweerder om pas op 18 augustus 2020 een LP aan te vragen.

4.1

De rechtbank overweegt, zoals verweerder heeft betoogd, dat het gegeven dat niet alle chartervluchten op dit moment bekend zijn, niet maakt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) waarin is geoordeeld dat de maatregelen die wereldwijd door overheden getroffen zijn wegens de uitbraak van het coronavirus op dit moment nog aan te merken zijn als een tijdelijke belemmering. Het is weliswaar niet uit te sluiten dat de situatie nog enige tijd zal voortduren, maar op dit moment kan nog niet worden geoordeeld dat dit zo lang zal zijn dat de uitzetting niet meer binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Bovendien heeft eiseres haar paspoort niet overgelegd en dient de LP-aanvraag afgewacht te worden alvorens een reisdocument beschikbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2

De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat hij voldoende voortvarend handelt ten aanzien van de uitzetting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in eerste instantie valse persoonsgegevens heeft opgegeven, op 8 augustus 2020 kopieën van haar twee paspoorten met verschillende afgiftedata heeft overgelegd en op 10 augustus 2020 heeft aangegeven dat er een origineel paspoort zou worden overgelegd. In het vertrekgesprek van 13 augustus 2020 verklaart zij echter dat zij geen origineel paspoort kan overleggen omdat beide paspoorten zijn kwijtgeraakt. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat het onvoldoende voortvarend is van verweerder om op 18 augustus 2020 een LP-aanvraag te doen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.