Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8265

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
NL20.15265
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15265


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).


Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Bij afzonderlijk besluit van 8 augustus 2020 heeft verweerder aan eiser de verplichting om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiser heeft zowel tegen de maatregel van bewaring als tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod beroep ingesteld en verzocht om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft partijen vanwege de uitzonderlijke omstandigheden in verband met het coronavirus verzocht in te stemmen met het achterwege blijven van een zitting. Daarbij is een termijn voor reactie gegeven. Partijen hebben ingestemd. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de behandeling van het beroep op de zitting achterwege blijft. Eiser heeft op 20 augustus 2020 beroepsgronden ingediend en verweerder heeft op 21 augustus 2020 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 24 augustus 2020.

Overwegingen

1. Eiser is van Georgische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

2. In het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Voor zover het beroep ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod, stelt de rechtbank vast dat eiser hiertegen geen gronden heeft ingediend. Eiser bestrijdt ook de grondslag van de maatregel van bewaring en de tegengeworpen zware en lichte gronden niet, zodat deze gronden de maatregel kunnen dragen.

4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat verweerder onvoldoende voortvarend handelt ten aanzien van de uitzetting. Bij de inbewaringstelling heeft verweerder het geldige reisdocument van eiser in beslag genomen en hij verzet zich niet tegen gecontroleerd vertrek. Niet valt in te zien waarom eiser pas 25 dagen na de inbewaringstelling op 2 september 2020 uitgezet kan worden.

4.1

Verweerder handelt naar het oordeel van de rechtbank niet onvoldoende voortvarend ten aanzien van de uitzetting van eiser. Zoals verweerder heeft betoogd, heeft verweerder op 13 augustus 2020 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is er op 14 augustus 2020 een vlucht aangevraagd. Op 18 augustus 2020 is er een vluchtakkoord ontvangen en er staat op 2 september 2020 een vlucht geboekt. Dat vanwege de maatregelen vanwege het coronavirus minder vluchten beschikbaar zijn en de eerst mogelijke vlucht op 2 september 2020 zal plaatsvinden, ligt buiten de invloedsfeer van verweerder en maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Tijdens het gehoor heeft eiser aangegeven dat hij zelfstandig wenst terug te keren en dat hij daarvoor ook de middelen kon bemachtigen. Hij beschikte immers over een paspoort en kon geld lenen van zijn ouders om een vliegticket te kopen. Eiser had dus de wil en de mogelijkheid om zelfstandig terug te keren en die mogelijkheid had verweerder hem moeten geven. Wat hierbij klemt is dat de geplande uitzetting pas op 2 september 2020 is gepland, terwijl eiser binnen twee dagen zelfstandig kon terugkeren.

5.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hij niet behoefde te volstaan met het toepassen van een lichter middel. Eiser heeft de lichte en zware gronden niet bestreden, waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht al volgt. Uit geen van de stukken in het dossier blijkt dat eiser heeft aangegeven dat hij zelfstandig wil terugkeren. Sterker nog, eiser heeft in het gehoor van 8 augustus 2020 verklaard dat hij vrijgelaten wil worden om nog wat te werken en geld te verdienen. Niet gebleken is dat eiser geld heeft om een vliegticket te kunnen betalen, noch dat hij enige acties hiertoe heeft ondernomen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.

De uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.