Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8243

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7298
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is ten onrechte niet in bezwaar gehoord. Bezwaar tegen afwijzing werkloosheidsuitekring terecht niet-ontvankelijk verklaard. Bijzondere bijstand terecht teruggevorderd. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7298


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: A.K. Nijland).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2019 (primair besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag van 18 oktober 2018 om een werkloosheidsuitkering afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2019 (primair besluit II) heeft verweerder op grond van de Participatiewet (Pw) aan eiser een bedrag van € 221,- aan bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht toegekend.

Bij besluit van 17 juni 2019 (primair besluit III) heeft verweerder primair besluit II ingetrokken.

Bij besluit van 28 juni 2019 (primair besluit IV) heeft verweerder een bedrag van € 221,- van eiser teruggevorderd en bepaald dat maandelijks een bedrag van € 55,25 op eisers bijstandsuitkering wordt ingehouden.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit I kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten II, III en IV kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 4 augustus 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1.1

Eiser ontvangt sinds 1999 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Pw. Op 18 oktober 2018 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om een werkloosheidsuitkering ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij primair besluit I afgewezen op de grond dat niet verweerder, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de Werkloosheidswet uitvoert.

2.1

Bij primair besluit II heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 221,-. Verweerder heeft daarbij vermeld dat de bijzondere bijstand kort na het nemen van primair besluit II op eisers bankrekening wordt overgemaakt en hij het bedrag alleen mag gebruiken voor het doel waarvoor de bijzondere bijstand is toegekend.

2.2

Bij e-mails van 30 en 31 mei 2019 heeft eiser aan verweerder bericht dat hij het griffierecht wegens intrekking van de beroepen niet heeft hoeven betalen. Hij heeft verweerder verzocht of hij de bijzondere bijstand in vier termijnen kan terugbetalen. Voor verweerder is dit aanleiding geweest voor het nemen van de primaire besluiten III en IV.

2.3

Verweerder heeft het bezwaar tegen primair besluit I kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar van 18 juli 2019 te laat is ingediend.

2.4

Verweerder heeft de bezwaren tegen de primaire besluiten II, III en IV kennelijk ongegrond verklaard. Aan eiser is het maximaal gevraagde toegekend en een meer begunstigende uitkomst is niet mogelijk. Omdat er niet langer een noodzaak bestond voor verstrekking van de bijzondere bijstand, heeft verweerder deze terecht ingetrokken en conform eisers verzoek in vier termijnen teruggevorderd. Eventuele kwijtschelding van de terugvordering is volgens verweerder niet aan de orde.

3.1

Eiser voert aan dat zijn bezwaren niet kennelijk ongegrond en niet-ontvankelijk zijn, zodat verweerder hem ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.

3.2

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting de indiener van een bezwaarschrift te horen, worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het geval van de bezwaren tegen de primaire besluiten I en IV geen sprake. Wat betreft het bezwaar tegen primair besluit I is daarbij van belang dat niet is gebleken dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit eiser heeft verzocht om de verzending van het eerdere bezwaarschrift aannemelijk te maken, dan wel heeft onderzocht of de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Er kon daarom niet worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk was (zie de uitspraak van de CRvB van 7 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3669). Wat betreft het bezwaar tegen primair besluit IV is daarbij van belang dat in eisers verzoek om kwijtschelding mogelijk dringende redenen zijn gelegen om van terugvordering af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat het bezwaar reeds aanstonds ongegrond was en over die conclusie redelijkerwijs geen twijfel mogelijk kon zijn (zie de uitspraak van de CRvB van 16 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:565).

3.4

Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb echter passeren omdat de rechtbank aannemelijk acht dat eiser daardoor niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep alsnog de gelegenheid gehad om zijn standpunt mondeling te verwoorden. Dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank ziet in dit gebrek wel aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

4.1

Eiser betoogt dat hij al eerder een bezwaarschrift had ingediend tegen primair besluit I, maar dat dit niet aangetekend is verzonden, omdat hij daar geen geld voor had. Verweerder komt bovendien zijn verplichtingen tegenover eiser niet na, zodat eiser ook niet aan verweerders eiser hoeft te voldoen.

4.2

Verweerder heeft het bezwaar tegen primair besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens een te late indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat eiser de ontvangst van primair besluit I niet betwist en evenmin betwist dat het bezwaar van 18 juli 2019 te laat is ingediend. In een geval als dit ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij het gestelde eerdere bezwaarschrift ter post heeft bezorgd, dan wel bij verweerder heeft afgegeven (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:649). Uit het dossier blijkt niet van een eerder en tijdig ingediend bezwaarschrift. Eiser heeft ook geen objectieve en verifieerbare stukken ingediend om de verzending van een eerder bezwaarschrift te onderbouwen.

4.3

De rechtbank gaat daarom uit van 18 juli 2019 als datum van de indiening van het bezwaarschrift. Gelet op de datum van primair besluit I, 27 maart 2019, is dit bezwaar lang na het verstrijken van de bezwaartermijn bij verweerder ingekomen. Van redenen om de overschrijding van de bezwaartermijn op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten, is niet gebleken. Dat eiser niet het geld had om het eerdere bezwaarschrift aangetekend te verzenden, is niet een dergelijke reden. Het maken van bezwaar is immers kosteloos en een aangetekende verzending van het bezwaarschrift is niet verplicht. Dat verweerder volgens eiser zijn verplichtingen jegens hem niet nakomt – wat daar verder ook van zij – is evenmin een dergelijke reden. Dit ontslaat eiser niet van zijn verplichting om tijdig bezwaar te maken.

4.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit I terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.1

Eiser brengt wat betreft de primaire besluiten II, III en IV – samengevat weergegeven – naar voren dat verweerder aan eiser een betaalspecificatie van de bijzondere bijstand had moeten verstrekken. Daarnaast heeft verweerder de bijzondere bijstand te snel uitbetaald. Hierdoor heeft eiser de bijzondere bijstand ongemerkt besteed. Verweerder moet de bijzondere bijstand daarom kwijtschelden.

5.2

Omdat eiser geen inhoudelijke gronden tegen de toekenning en intrekking van de bijzondere bijstand heeft aangevoerd, vat de rechtbank het beroep zo op dat eiser zich beperkt tot de vraag of verweerder de bijzondere bijstand terecht heeft teruggevorderd.

Niet in geschil is dat de bijzondere bijstand achteraf gezien ten onrechte aan eiser is verleend, omdat hij het betreffende griffierecht niet heeft hoeven betalen. Dat betekent dat verweerder dit op grond van artikel 58, tweede lid aanhef en onder a en vierde lid, van de Pw van eiser mocht terugvorderen.

5.3

De rechtbank begrijpt het betoog van eiser dat hij bij gebrek aan een afzonderlijke betaalspecificatie en door de spoedige betaling door verweerder de bijzondere bijstand ongemerkt heeft besteed zo dat hij daarmee een beroep doet op het bestaan van dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw. Op grond van vaste rechtspraak kunnen dringende redenen als bedoeld in dit artikel slechts gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen zal die redenen aannemelijk moeten maken (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:832). Van dergelijke dringende redenen is niet gebleken. Uit hetgeen eiser heeft betoogt blijkt niet dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen voor hem heeft. Voor zover eiser het oog heeft gehad op de financiële gevolgen van de terugvordering, overweegt de rechtbank dat deze gevolgen zich pas zullen voordoen op het moment dat daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Bovendien kan eiser zich dan beroepen op de beslagvrije voet, zoals geregeld in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Eiser vindt dat verweerder zijn verplichting om hem te helpen bij het vinden van werk niet nakomt. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling valt buiten het kader van de bestreden besluitvorming. Dit valt daarom buiten de grenzen van het onderhavige geschil.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Gelet op 3.4 bestaat er aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen voor zover deze zich voordoen. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is echter niet gebleken. Voor zover eiser stelt dat de tijd die hij heeft besteed aan het opstellen van het beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komt, overweegt de rechtbank dat tijdsverzuim voor bijvoorbeeld het opstellen van processtukken geen verletkosten zijn zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dit komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking (zie de uitspraak van de CRvB van 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:415).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2020 door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

de griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.