Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8231

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
AWB 20-2284
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering LVV

Het beleid betreffende de toegang tot de LVV moet aangemerkt worden als buitenwettelijk begunstigend beleid. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor opvang in de LVV, vanwege zwaar inreisverbod. Niet is gebleken dat verweerder zijn beleid niet consistent toepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/2284

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 15 november 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het formulier van

8 november 2019 waaruit blijkt dat eiser niet is toegelaten tot de LVV1. Het bezwaar is bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 18 maart 2020 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te laten weten of zij op een zitting willen worden gehoord. Geen van partijen heeft laten weten dat te willen, waarna de rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft in beroep gesteld dat het hem vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning niet is toegestaan in Nederland te werken of een uitkering te ontvangen en dat hij niet over middelen van bestaan beschikt. De rechtbank acht dit aannemelijk en is daarom van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

2. Eiser is een ongedocumenteerde vreemdeling. Op 5 november 2019 heeft eiser zich in persoon gemeld bij het LOA2 en verzocht om toegang tot de LVV. Eiser heeft op dezelfde dag een formulier met de regels voor de LVV ondertekend. Op 8 november 2020 is dit hersteld en heeft eiser een formulier ontvangen waaruit blijkt dat hij niet is toegelaten tot de LVV. Tegen dit formulier heeft eiser bezwaar gemaakt.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor de LVV, aangezien aan hem een zwaar inreisverbod is opgelegd. Ook wijst verweerder eiser erop dat hij zich kan melden op de VBL3 onder de voorwaarde dat hij meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. In de VBL zal worden beoordeeld of hij in aanmerking komt voor plaatsing. Verweerder kan volstaan met dit aanbod voor onderdak in de VBL volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Van een schending van artikelen 3 en 8 van het EVRM4 is dan ook geen sprake, aldus verweerder.

4. Eiser voert aan dat verweerder de procedure zoals omschreven in het Convenant5 en het Programma Vreemdelingen niet heeft gevolgd. De casus van eiser is niet kenbaar besproken op het LSO6 en het GGD-advies is niet gebruikt. Ook voert eiser aan dat het besluit het feitelijk handelen niet dekt, aangezien aan hem ook na 8 november 2019 nog opvang is geboden. Dit zou gemeentelijke opvang betreffen en aan eiser is kenbaar gemaakt dat deze opvang op 15 april 2020 wordt beƫindigd. Volgens eiser heeft verder ten onrechte geen verdragsrechtelijke afweging van zijn belangen plaatsgevonden. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het corona-virus. Ten aanzien van de VBL voert eiser aan dat in dit geval niet kan worden volstaan met dit aanbod. Vanwege het corona-virus kan nu niet actief worden gewerkt aan vertrek en daarbij is het COA7 overbelast.

5. Het beleid met betrekking tot de LVV staat in het Uitvoeringsplan 24-uursopvang ongedocumenteerden (Uitvoeringsplan) en is nader uitgewerkt in het Handboek Programma ongedocumenteerden (Programma) en het Proces programma ongedocumenteerden (Proces). Uit het Uitvoeringsplan en het Proces blijkt dat personen met een zwaar inreisverbod van tien jaar niet in aanmerking komen voor opvang. Alleen als er zeer concrete indicaties zijn dat een ongedocumenteerde aanspraak maakt op een vergunning of zich voorbereidt op vertrek uit Nederland kan een uitzondering worden gemaakt.

6. Het instellen van de LVV in Amsterdam is gebaseerd op de overeenkomst die is gesloten tussen verweerder en de Vereniging voor Nederlandse Gemeente op

29 november 2018 en het Convenant dat op 2 april 2019 is gesloten tussen verweerder, de gemeente, de Dienst Terugkeer en Vertrek, de Immigratie en Naturalisatiedienst en de Politie. Een formele wettelijke basis ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 3 en 8 van het EVRM de overheid niet verplichten tot het bieden van meer voorzieningen dan de VBL.8 De overheid is dan ook niet op basis van enige internationale of wettelijke verplichting gehouden om daarnaast ook opvang in een LVV te verstrekken. Het beleid betreffende de toegang tot de LVV moet dan ook worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak9 dient de bestuursrechter het bestaan en de inhoud van buitenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven te aanvaarden en blijft de rechterlijke toetsing als gevolg daarvan beperkt tot de vraag of het beleid consistent wordt toegepast. In dat geval toetst de rechter slechts marginaal.

7. De rechtbank stelt vast aan eiser een zwaar inreisverbod is opgelegd, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor opvang in de LVV. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd in bezwaar en beroep blijkt verder niet dat hij aanspraak maakt op een vergunning of bezig is te vertrekken. Het besluit opvang te weigeren is dan ook in overeenstemming met het Uitvoeringsplan en het Proces. De rechtbank volgt ook niet het betoog dat verweerder de procedure niet correct heeft gevolgd. Uit het schema op pagina 1 van het Proces blijkt namelijk dat de door eiser genoemde zaken zoals de bespreking in het LSO pas plaatsvinden als aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Daar was in het geval van eiser - zoals hierboven is overwogen - geen sprake van. Niet is gebleken dat verweerder zijn beleid niet consistent toepast. Verweerder heeft een belangenafweging om deze reden achterwege kunnen laten. De rechtbank stelt verder vast dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor de vreemdelingenketen nog geen maatregelen golden in verband met de coronacrisis.10 Verweerder kon dan ook volstaan met de mededeling dat eisers zich voor opvang kon melden bij de VBL. Uit de getroffen coronamaatregelen blijkt overigens niet dat het aanbod voor opvang in de VBL illusoir is.

Het verzoek om vaststelling van de dwangsom

8. Eiser vindt dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verweerder op 23 januari 2020 een brief gestuurd vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Het formulier waaruit blijkt eiser niet is toegelaten tot de LVV dateert van 8 november 2019. De laatste dag waarop bezwaar tegen dit besluit kon worden ingediend was op 20 december 2019. Verweerder diende op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uiterlijk op 31 januari 2020 op het door eiser ingediende bezwaarschrift te beslissen. De brief van 23 januari 2020 kan, nu op dat moment de beslistermijn nog niet was verstreken, niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Dat betekent dat verweerder aan eiser geen dwangsom verschuldigd is.11

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Grundmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Landelijke Vreemdelingen Voorziening.

2 Loket Ongedocumenteerden Amsterdam.

3 Vrijheidsbeperkende Locatie.

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5 Het Convenant Pilot-LVV in gemeente Amsterdam.

6 Lokale casusoverleg.

7 Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

8 Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3281.

9 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2813.

10 Zie de brief van de minister van Justitie en Veiligheid van 15 maart 2020 aan de Tweede Kamer, waarin maatregelen worden aangekondigd en de brief van de Staatssecretaris van 20 maart 2020 aan de Tweede Kamer, waarin deze maatregelen worden uitgewerkt.

11 Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3711.