Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8191

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6535
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser en zijn zoon hebben bij het realiseren van het bewuste voordeel gebruik gemaakt van een - speciaal daartoe opgezette - vennootschapsstructuur. De vennootschappen hebben een wezenlijke rol hebben gespeeld in het proces dat ten grondslag ligt aan de verkrijging van het voordeel. Zij zijn daadwerkelijk bij het behalen van het voordeel betrokken, waren daartoe ook noodzakelijk en hebben ook noodzakelijke activiteiten verricht. Onder deze omstandigheden is sprake van een voordeel dat is opgekomen bij en dat is toegekomen aan de bewuste vennootschappen en niet (indirect) bij/aan eiser en/of zijn zoon in privé. Er is sprake van een voordeel dat is opgekomen in de vennootschapssfeer en daarmee ligt in de vennootschapsbelastingsfeer (en eventueel daaropvolgend in de aanmerkelijk belangsfeer). Dat sluit naar het oordeel van de rechtbank uit dat het voordeel kan worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden; dat is dan in strijd met de wetssystematiek. De in dit verband door verweerder toegepaste ROW-correctie moet dus komen te vervallen. (Beroep gegrond.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-09-2020
FutD 2020-2493
V-N Vandaag 2020/2096
V-N 2020/53.28.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/6535

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J.C. Perdaems),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 september 2019 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting zijn pleitnota ingediend en aan de wederpartij gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. M. Coenen, vergezeld door mr. A.J.G.M. Bloomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] , mr. [B] en [C] . Ter zitting zijn mede de andere zaken van eiser met nummers SGR 19/6536, SGR 19/6537, SGR 19/6541 en SGR 19/6543 en de zaak van eisers zoon met nummer SGR 19/6539 behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was van 2 januari 1992 tot en met 31 december 2005 voorzitter van de Raad van Bestuur van [N.V. 1] ( [N.V. 1] ). Van 1 januari 2006 tot en met 18 maart 2013 was eiser lid van de Raad van Commissarissen van [N.V. 1] .

2. Eisers zoon, [zoon] (de zoon), was van 1 juni 2005 tot 1 januari 2012 lid van de Raad van Bestuur van [N.V. 1] . Vóór 1 juni 2005 was hij directeur van de afdeling [X] van [N.V. 1] .

3. [N.V. 1] deed vanaf ongeveer 2002 via [assurantiën] zaken op Aruba:

[assurantiën] was de gevolmachtigd agent voor verzekeringsactiviteiten van [N.V. 1] op Aruba. Dat hield in dat [assurantiën] zelfstandig verzekeringen mocht afsluiten onder de voorwaarden van [N.V. 1] . Directeur en middellijk grootaandeelhouder van [assurantiën] was de heer [D] ( [D] ).

4. Eiser en de zoon hebben eind 2007 samen met [D] een aantal vennootschappen laten oprichten, waaronder [N.V. 2] ( [N.V. 2] ). De naam [N.V. 2] is per augustus 2010 gewijzigd in [N.V. 2] ( [land] ) NV [N.V. 2] ).

5. Eiser en de zoon hadden eind 2007 een belang in [N.V. 2] van ieder 32,54%. Begin 2008 had de zoon een belang van 35,05% in [N.V. 2] . Eiser had op dat moment een belang van 30,25% en [D] een belang van 32,3%. Ook [E] (lid van de Raad van Bestuur van [N.V. 1] in de periode 1 januari 2000 - 1 maart 2013) had een belang in [N.V. 2] van 2,25%.

6. In 2008 is de Arubaanse verzekeringsportefeuille van [N.V. 1] overgedragen aan de nieuwe verzekeringsmaatschappij [N.V. 2] . De portefeuille bestond uit alle verzekeringen die [N.V. 1] in Aruba had lopen, waaronder motorrijtuigen- en brandverzekeringen (de verzekeringsportefeuille). De verzekeringsportefeuille is overgedragen voor 1 Arubaanse gulden (AWG).

7. Vóór de overdracht was [N.V. 1] de verzekeraar. De overeenkomsten van verzekering werden gesloten tussen [N.V. 1] en de verzekeringnemers. [assurantiën] fungeerde als gevolmachtigd tussenpersoon. Binnen de afspraken van de volmacht was [assurantiën] bevoegd premies te incasseren ten behoeve van [N.V. 1] en schades af te handelen namens [N.V. 1] .

8. Na de overdracht in 2008 was [N.V. 2] de verzekeraar. Een gedeelte van het risico werd (via [verzekeringsmaatschappij] , hierna [verzekeringsmaatschappij] ) bij [N.V. 1] herverzekerd. Eiser en de zoon hielden per 1 januari 2009 het belang in [verzekeringsmaatschappij] . [verzekeringsmaatschappij] ontving een provisie van 3,5%. De helft van de provisie stortte [verzekeringsmaatschappij] in 2008 op grond van een consultancyovereenkomst door naar een door eiser en de zoon beheerste vennootschap, [vennoot] .

9. De zoon en [E] ( [E] ) zijn van de zijde van de overdrager bij de overdracht van de verzekeringsportefeuille betrokken geweest waarbij zij gebruik hebben gemaakt van hun positie als bestuurders van [N.V. 1] . De overeenkomst van overdracht vermeldt dat [E] en de zoon [N.V. 1] vertegenwoordigden.

10. Ten tijde van de overdracht waren, met uitzondering van [E] , de overige leden van de Raad van bestuur (de RvB) en de Raad van commissarissen (de RvC) van [N.V. 1] er niet van op de hoogte dat eiser en de zoon een belang hadden in de overnemende partij [N.V. 2] . Eiser en de zoon hebben naar [N.V. 1] toe verhuld dat zij een belang hadden in

de overnemende partij [N.V. 2] .

11. Eiser en de zoon bepaalden de hoogte van consultancyfees en managementfees die de door hen beheerste vennootschappen bij [N.V. 2] in rekening brachten. Zij hanteerden in de prijsstelling een opslag op de premies of op de vaste tarieven.

12. De zoon heeft eind 2011 zijn dienstbetrekking bij [N.V. 1] beëindigd.

13. Eiser en de zoon zijn onderdeel van de initiatiefnemers van de structuur zoals deze is opgezet. Zij hebben in dit verband veelvuldig contact gehad met elkaar en met de belastingadviseur die het traject van aanvragen van een verzekeringsvergunning voor [N.V. 2] begeleidde (de Adviseur), onder andere over de vormgeving van de structuur en de verdeling van de belangen in de verschillende vennootschappen.

14. Het initiatief dat heeft geleid tot overdracht van de verzekeringsportefeuille kwam van eiser en de zoon en de met hen samenwerkende personen. Richting de [bankinstelling] en de Adviseur is gemeld dat de voorgenomen structuur een gevolg was van de gewijzigde marktstrategie van [N.V. 1] . Over het wijzigen van de marktstrategie door [N.V. 1] heeft geen besluitvorming in de RvB of RvC plaatsgevonden.

15. Tegenover de overige leden van de RvB van [N.V. 1] hebben eiser en de zoon vermeld dat er ontwikkelingen waren rondom de vergunningplicht op Aruba. Hierdoor is bij hen de indruk gewekt dat [N.V. 1] mogelijk haar vergunning zou kwijtraken en dat het daarom beter was de verzekeringsportefeuille over te dragen aan [N.V. 2] . Eiser en de zoon hebben hierbij niet vermeld dat zij gezamenlijk een 2/3e belang hielden in [N.V. 2] .

16. De zoon heeft aan de voorzitter van de RvC van [N.V. 2] gemeld toestemming te hebben van de RvC van [N.V. 1] om de nieuwe structuur op te mogen zetten en de verzekeringsportefeuille te mogen overdragen. De RvC van [N.V. 1] had een dergelijke toestemming niet verleend.

17. Nadat de verzekeringsportefeuille was overgedragen aan [N.V. 2] , sloot [N.V. 2] in

2008 overeenkomsten met de door eiser en de zoon beheerste vennootschappen

[N.V. 3] ( [N.V. 3] ) en [N.V. 4] ( [N.V. 4] ). [N.V. 3] en [N.V. 4] ontvingen uit hoofde van de zogenoemde consultancyovereenkomsten vergoedingen van 2,5% respectievelijk 1,75% van de premieomzet van [N.V. 2] .

18. Aan de overdrachtsprijs van de verzekeringsportefeuille van 1 AWG (in 2008 plm. € 0,40) lag geen waardebepaling ten grondslag; er is ten tijde van de overdracht geen waardebepaling gedaan door (een van) de overnemende partij(en).

19. De zoon, die vóór 1 juni 2005 directeur van de afdeling [X] was, kende de verzekeringsportefeuille goed; hij besprak met eiser dat hij ten behoeve van de overdracht de beschikking kreeg over een pc waarmee hij polissen kon selecteren.

20. De zoon wist dat de verzekeringsportefeuille in de jaren 2005, 2006 en 2007 goede resultaten had geboekt. In een mail aan een medewerker van [verzekeringsmaatschappij] schrijft de zoon (waarbij ‘LR’ staat voor loss ratio, de verhouding tussen de ontvangen premie en de uitgekeerde schade):

“Heb de cijfers [D] van de aruba portefeuille - laatste drie jaar als referentie gepakt.

2005 9.270.022 premie vs 4.644.067 schade

2006 8.427.085 premie vs 5.544.429 schade

2007 8.986.827 premie vs 6.117.137 schade

Totaal alle jaren 61% LR”

En:

“Tot nu toe is 2007 ons minste jaar qua L/R geweest.”

21. Met dagtekening 29 oktober 2010 is overeenkomstig de door hem ingediende aangifte aan eiser de primitieve aanslag IB/PVV 2008 opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 242.237 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.345.

22. In 2013 is het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een aangifte van [N.V. 1] een strafrechtelijk onderzoek begonnen tegen onder meer eiser en de zoon. Het vermeende strafbare feit was: “met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand te bewegen tot afgifte van enig goed, te weten de Arubaanse verzekeringsportefeuille.

23. Op 9 juli 2015 is namens eiser een inkeerverzoek ingediend, betreffende niet-aangegeven inkomsten en banktegoeden van eiser. Op basis van de daarbij verstrekte overzichten bedraagt het te corrigeren box 1-inkomen € 20.295 (€ 5.911 inkomsten uit overige werkzaamheden en € 14.384 inkomsten uit vroegere arbeid).

24. [N.V. 1] is in verband met de overdracht van de verzekeringsportefeuille ook een civiele procedure gestart tegen onder andere eiser en de zoon. In deze procedure heeft [N.V. 1] betoogd dat de waarde van de Arubaanse verzekeringsportefeuille ten tijde van de overdracht € 21.600.000 bedroeg. In het concept-memo van een medewerker van de Belastingdienst aan medewerkers van de FIOD van 1 mei 2014 staat met betrekking tot de waarde van de verzekeringsportefeuille:

“De voorgelegde vraag is of de door [N.V. 1] aan [N.V. 2] overgedragen verzekeringsportefeuille een positieve waarde heeft, met andere woorden een waarde hoger dan de door [N.V. 2] betaalde koopsom van AWG 1.

Volgens de jaarrekening van de Arubaanse branche van DHI is de portefeuille in ieder geval in 2006 en 2005 winstgevend.

Een schadeverzekeringsportefeuille is over het algemeen winstgevend als de verdiende premies hoger zijn dan de schade-uitkeringen en de overige kosten. De verhouding schade-uitkeringen / verdiende premies wordt aangeduid als “loss ratio”, deze bedraagt voor 2006 (2302/3318) 69% en voor 2005 (3182/3361) 95%.

(…)

Bij de aanvullende aangifte van 21 maart 2014 is door [N.V. 1] een berekening van de waarde van de portefeuille opgenomen. In deze berekening is op basis van het gemiddeld op de portefeuille behaalde resultaat over de jaren 2007 t/m 2012 en met een disconteringsvoet van 8% een waarde berekend van
€ 10.599.828. Uit deze opstelling maak ik op dat gedurende deze 6 jaar de portefeuille alleen in 2012 verliesgevend was. (…) Een dergelijke berekening is op zich niet ongebruikelijk. (…)

Zonder een oordeel te geven over de door [N.V. 1] berekende waarde ben ik van mening dat de verzekeringsportefeuille op 1 januari 2008 in ieder geval meer dan AWG 1 waard was. Tussen onafhankelijke derden zou naar mijn mening geen overnameprijs van AWG 1 tot stand zijn gekomen.”

25. Nadat eiser hierover bij brief van 20 juni 2017 is geïnformeerd, heeft verweerder met dagtekening 15 november 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 ten name van eiser vastgesteld. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 7.028.640 in aanmerking genomen als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, verband houdend met het ‘door list en bedrog doen toekomen van een voordeel, te weten een aanzienlijk belang in een winstgevende verzekeringsportefeuille, zonder daarvoor te hebben betaald’. Eenzelfde belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is bij de zoon in aanmerking genomen.

Bij de navorderingsaanslag is € 1.168.271 aan heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

26. Het bezwaarschrift van eiser tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 is op 21 december 2017 door verweerder ontvangen. Tijdens de bezwaarfase is eiser gewisseld van gemachtigde. Bij uitspraak op bezwaar van 4 september 2019 heeft verweerder het bezwaar afgewezen.

27. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2019 is eiser onder meer in verband met de overdracht van de verzekeringsportefeuille, veroordeeld voor medeplegen van oplichting.

Geschil

28. In geschil of de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil:

  • -

    of is voldaan aan de vereisten om te mogen navorderen en zo ja, of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd;

  • -

    of eiser uit hoofde van de overdracht van de verzekeringsportefeuille van [N.V. 1] naar [N.V. 2] een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten en zo ja, of het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden dan terecht is vastgesteld op € 7.028.640;

  • -

    of recht bestaat op een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • -

    of eiser recht heeft op vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn;

  • -

    of recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding.

29. Eiser heeft - kort gezegd - de volgende standpunten ingenomen:

  • -

    de navorderingsaanslag is buiten de vijfjaarstermijn en daarmee niet tijdig opgelegd; de verlengde navorderingstermijn is niet van toepassing;

  • -

    dat overigens is voldaan aan de navorderingsvereisten zoals opgenomen is artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt;

  • -

    eiser heeft geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genoten; 1) eiser heeft geen inkomsten genoten, 2) er is geen sprake van door eiser verrichte arbeid, 3) er is geen sprake van een vermogenstransactie, 4) er is niet voldaan aan het voordeelscriterium (er is geen voordeel beoogd en er was redelijkerwijs ook geen voordeel te verwachten);

  • -

    indien wel sprake is van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, dan is dit te hoog vastgesteld;

- de kosten die zijn gemaakt ten gevolge van de invordering van de onderhavige navorderingsaanslag (de kosten van de civiele procedure tegen de Ontvanger) vormen schade die op grond van artikel 8:73 Awb dient te worden vergoed.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de navorderingsaanslag alsmede tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb en een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

30. Verweerder heeft - kort gezegd - de volgende standpunten ingenomen:

- de navorderingsaanslag is terecht en tijdig vastgesteld; de verlengde navorderingstermijn is van toepassing terwijl ook aan alle overige vereisten om te kunnen navorderen is voldaan;

  • -

    eiser heeft een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genoten; hij heeft in samenwerking met de zoon werkzaamheden verricht en daarvoor indirect, namelijk via [N.V. 2] , een voordeel genoten, welk voordeel was beoogd en ook redelijkerwijs was te verwachten;

  • -

    de omvang van het voordeel is gebaseerd op de door [N.V. 1] geschatte waarde van de Arubaanse verzekeringsportefeuille ten tijde van de overdracht van € 21.600.000 en is dus niet te hoog vastgesteld;

  • -

    er is geen plaats voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb, reeds omdat in de civiele procedure van eiser tegen de Ontvanger een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarbij is overeengekomen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen;

  • -

    er bestaat geen aanleiding tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

31. Voor de rechtbank staat vast dat eiser, in samenwerking met zijn zoon, activiteiten heeft verricht teneinde [N.V. 1] ertoe te bewegen de bewuste verzekeringsportefeuille voor een waarde van 1 AWG over te dragen aan [N.V. 2] . Voorts acht de rechtbank, gelet op wat hierover blijkt uit de gedingstukken alsook uit de meerdere civiele en strafrechtelijke uitspraken die ten aanzien van eiser en de zoon zijn gedaan, daarbij aannemelijk dat de verzekeringsportefeuille op het moment van overdracht aanmerkelijk meer waard was dan 1 AWG, zodat daarmee in zoverre aan de verkrijgende zijde een voordeel is behaald.

32. Voornoemd voordeel kan slechts dan bij eiser en de zoon worden belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden indien zij dit voordeel zelf (in privé) hebben genoten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daarvan (indirect) sprake is. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Daarbij overweegt de rechtbank dat in dit geval eiser en de zoon bij het realiseren van het voordeel gebruik hebben gemaakt van een - speciaal daartoe opgezette - vennootschapsstructuur. Eiser en de zoon hebben in dit verband niet alleen meerdere vennootschappen opgericht - waaronder de verkrijgende vennootschap [N.V. 2] -, zij hebben deze vennootschappen ook daadwerkelijk bij het behalen van het voordeel (de overname van de verzekeringsportefeuille) betrokken. De vennootschappen waren hierbij ook noodzakelijk; in privé hadden eiser en de zoon de verzekeringsportefeuille niet over kunnen nemen van [N.V. 1] , gelet op de bepalingen in de Wet op het financieel toezicht. De bewuste vennootschappen hebben ook de noodzakelijke activiteiten verricht teneinde het voordeel te realiseren, zoals het daadwerkelijk overnemen van de verzekeringsportefeuille van [N.V. 1] door [N.V. 2] en de bedrijfsvoering daaromtrent. Al met al hebben de vennootschappen een wezenlijke rol gespeeld in het proces dat ten grondslag ligt aan de verkrijging van het voordeel dat door overname van de verzekeringsportefeuille voor 1 AWG is gerealiseerd. Gegeven al deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voordeel dat is opgekomen bij en dat is toegekomen aan de bewuste vennootschappen (zoals [N.V. 2] , de vennootschap die concreet het laatstbedoelde voordeel heeft gerealiseerd met de overname van de verzekeringsportefeuille) en niet bij/aan eiser en/of de zoon in privé.

33. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een voordeel dat is opgekomen in de vennootschapssfeer en daarmee ligt in de vennootschapsbelastingsfeer (en eventueel daaropvolgend in de aanmerkelijk belangsfeer). Dat sluit naar het oordeel van de rechtbank uit dat het voordeel kan worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden zoals door verweerder bepleit; dat is alsdan in strijd met de wetssystematiek.

34. Het vorenoverwogene betekent dat verweerder ten onrechte uit hoofde van de overdracht van de verzekeringsportefeuille door [N.V. 1] aan [N.V. 2] tegen 1 AWG een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bij eiser en de zoon in aanmerking heeft genomen. De in dit verband door verweerder bij de onderhavige navorderingsaanslag toegepaste correctie ten bedrage van € 7.028.640 dient derhalve te komen te vervallen. Nu de bij de navorderingsaanslag toegepaste correctie volledig bestaat uit dit bedrag - en verweerder in dit verband geen beroep op interne compensatie heeft gedaan in verband met het inkeerverzoek (zie onder 23) - betekent dit dat de navorderingsaanslag in zijn geheel dient te komen te vervallen. De rechtbank zal deze daarom vernietigen, evenals de bijbehorende heffingsrentebeschikking.

35. Nu het gelijk reeds om de hiervoor weergegeven redenen aan eiser is, behoeft alles wat hij overigens heeft aangevoerd tegen de onderhavige navorderingsaanslag hier geen verdere behandeling.

36. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dienen de navorderingsaanslag en de heffingsrentebeschikking te worden vernietigd.

Schadevergoeding

37. Het verzoek van eiser om vergoeding van de kosten die zijn gemaakt ten gevolge de invordering van de aan hem en/of de zoon opgelegde navorderingsaanslag(en) (de kosten van de civiele procedure tegen de Ontvanger) wijst de rechtbank af. Verweerder heeft bij zijn pleitnota een afschrift van een proces-verbaal overgelegd waaruit blijkt dat partijen in die civiele procedure zijn overeengekomen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen onder die omstandigheden die kosten - wat daar verder ook van zij - niet in deze procedure als schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb worden geclaimd.

Vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn

38. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaak van eiser (betreffende het jaar 2008) en zijn zaken met de nummers SGR 19/6536, SGR 19/6537, SGR 19/6541 en SGR 19/6543 (betreffende de jaren 2010 tot en met 2013) in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebben - namelijk op de vraag of eiser uit de oplichting van [N.V. 1] resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten - en (voornamelijk) gezamenlijk en in samenhang met elkaar zijn behandeld in bezwaar en beroep. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, deze zaken als samenhangende zaken dienen te worden aangemerkt waarin eenmaal spanning en frustratie is ondervonden.

39. Voor een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Deze termijn bedraagt in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen en is aangevangen met de ontvangst van het eerste bezwaarschrift (het bezwaarschrift betreffende de jaren 2010 t/m 2012) op 14 februari 2017 (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, (ECLI:NL:HR:2016:252)). Echter, gelet op de ingewikkeldheid van de zaken, zowel fiscaal-inhoudelijk als in omvang, en op het feit dat naast de belastingprocedures ook diverse civiele en strafprocedures zijn gevoerd over het onderwerpelijke feitencomplex, vindt de rechtbank aanleiding de redelijke termijn te verlengen met 6 maanden. Verder dient naar het oordeel van de rechtbank de redelijke termijn in dit geval te worden verlengd vanwege het feit dat eiser in de bezwaarfase is gewisseld van gemachtigde, hetgeen ertoe heeft geleid dat diverse proceshandelingen, zoals het horen en het verlenen van inzage in het dossier, dubbel hebben moeten plaatsvinden. Uitgaande van het gegeven dat uiteindelijk op 4 september 2019 uitspraak op bezwaar is gedaan, terwijl al op 7 juni 2018 het concept van de voorgenomen uitspraak op bezwaar naar de aanvankelijke gemachtigde is verzonden, en dat vervolgens de huidige gemachtigde in beeld is gekomen met als gevolg dat nogmaals inzage moest worden verleend en nogmaals een hoorgesprek heeft moeten plaatsvinden met alles wat daarbij komt kijken, vindt de rechtbank het redelijk de redelijke termijn in dit verband te verlengen met het daarmee gemoeide tijdsbestek van (afgerond) vijftien maanden. De rechtbank zal de termijnen van zes en vijftien maanden optellen bij de termijn van twee jaar en komt dan tot de conclusie dat de rechtbank binnen die termijn van drie jaar en 9 maanden uitspraak heeft gedaan.

Proceskosten

40. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat naar haar oordeel ten aanzien van onderhavige zaak en de gelijktijdig ter zitting behandelde zaak van de zoon met zaaknummer SGR 19/6539 sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

41. Eiser heeft om een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevraagd. Voor een dergelijke vergoeding kan plaats zijn indien 1) een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden (zie HR 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:BA2802) of 2) de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (zie HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:BP2975). Naar het oordeel van de rechtbank is van geen van deze omstandigheden sprake. Anders dan eiser stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank van de door verweerder in deze procedure ingenomen standpunten niet worden gezegd dat deze op voorhand onhoudbaar waren. Integendeel, de rechtbank acht deze alleszins pleitbaar. Dat het gelijk naar het oordeel van de rechtbank uiteindelijk aan eiser is, doet daar niet aan af. Ook bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld in de zin van voornoemd arrest. Dat bij de behandeling van het dossier van de zijde van verweerder de voormalig klantcoördinator van [N.V. 1] betrokken is geweest - volgens verweerder overigens enkel vanwege diens uitgebreide dossierkennis - en dat die persoon ook bij het hoorgesprek in de bezwaarfase aanwezig is geweest, maakt niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiser, vindt de rechtbank daarin geen aanleiding om te concluderen dat verweerder daarmee de objectiviteitseis in ernstige mate heeft geschonden of anderszins de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (in ernstige mate) heeft geschonden. Daarvoor vindt de rechtbank ook overigens in de gedingstukken en alles wat partijen over en weer hebben aangevoerd geen aanleiding. De rechtbank wijst daarom eisers verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.

42. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit vast op € 2.358 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, een wegingsfactor 1 wegens samenhang en een wegingsfactor 1,5 wegens zwaarte van de zaak). Voor een hogere vergoeding bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Dat in de bezwaarfase tweemaal een hoorgesprek heeft plaatsgevonden, namelijk éénmaal met de aanvankelijke gemachtigde van eiser en vervolgens nogmaals met de huidige gemachtigde, maakt dat niet anders. Immers, bij inschakeling van twee gemachtigden komen in de regel slechts de kosten van één gemachtigde voor vergoeding in aanmerking
(vgl. CRvB 10 maart 1998, nr. AAW 93/476, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7594).

43. Gelet op bovengenoemde samenhang met de zaak SGR 19/6539 van de zoon zal de rechtbank deze proceskosten verdelen over deze twee procedures en dus in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding toekennen van € 1.179.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en de daarbij gegeven beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.179;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. T.A. de Hek en

mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.

De griffier is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.