Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8184

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4808
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak Wmo 2015. Weigering maatwerkvoorziening berust niet op een wettelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4808 T


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een maatwerkvoorziening voor Beschermd Wonen of Ondersteuning ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven nadat partijen hiermee schriftelijk hebben ingestemd.

Bij brief van 15 april 2020 heeft de rechtbank schriftelijk vragen gesteld aan verweerder, welke verweerder bij brief van 1 mei 2020 heeft beantwoord. Namens eiser is hierop bij brief van 5 juni 2020 gereageerd. Bij brief van 24 juni 2020 heeft verweerder desgevraagd aanvullend gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is bekend met onder meer katatone schizofrenie en psychoses. Het CIZ heeft hem onder het overgangsrecht van de Wet langdurige zorg (Wlz) tot en met 31 december 2016 geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, verpleging, individuele begeleiding en groepsbegeleiding. Vanwege het verstrijken van de indicatie heeft eiser heeft zich op 8 mei 2017 bij verweerder gemeld voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor ondersteuning en beschermd wonen.

1.2.

Op 20 april 2018 is een sociaal medisch advies (SMA) uitgebracht. De adviserend arts geeft in het SMA een negatief advies voor voorzieningen en begeleiding op grond van de Wmo 2015. De arts adviseert een behandeling in een GGZ-instelling op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Conform dit advies heeft verweerder eiser geadviseerd om geen aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb.

1.3.

Tegen het advies van verweerder in heeft eiser een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Verwijzend naar zijn eerdere advies heeft verweerder deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen.

2. Het bestreden besluit berust, samengevat, op verweerders standpunt dat het SMA zorgvuldig tot stand is gekomen. De in bezwaar overgelegde aanvulling van eisers psychiater dat behandeling thuis theoretisch mogelijk is, maakt dit niet anders. Deze aanvulling bevat volgens verweerder geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden. Er wordt een GGZ-behandeling geadviseerd en deze valt niet onder de Wmo 2015. De zorgbehoefte van eiser ziet toe op behandeling en niet op zelfredzaamheid of participatie, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor ondersteuning ingevolge de Wmo 2015.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert, verkort en zakelijk weergegeven, aan dat verweerder zich niet mocht baseren op het SMA. Het SMA is niet concludent en niet zorgvuldig tot stand gekomen. Zo concludeert de adviserend arts dat opname de enige oplossing is, maar de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de behandelend psychiater. Voorts heeft verweerder de beperkingen van eiser onjuist beoordeeld. Er is niet louter sprake van een zorgbehoefte of behandeling, maar ook van een ondersteuningsbehoefte. Ook legt verweerder de Wmo 2015 onjuist uit, omdat deze niet alleen ziet op het vergroten van de zelfredzaamheid, maar ook op het wegnemen van beperkingen die dat mogelijk maken. Voorts is er geen onderzoek verricht naar de mogelijkheden van beschermd wonen.

4. De rechtbank komt in dit beroep tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt dit naar het oordeel van verweerder niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Ingevolge artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Ingevolge artikel 2.3.5, vijfde lid, onder b, van de Wmo 2015 is de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zvw.

Ingevolge artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 kan het college een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

4.2.

Op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3266) mag een bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het SMA van 20 april 2018 bij zijn besluitvorming mocht betrekken. De adviserend arts heeft eiser tijdens een huisbezoek onderzocht, dossierstudie verricht en contact opgenomen met de behandelend psychiater, een arts van het CIZ en de medisch adviseur van de zorgverzekeraar. Het advies is medisch concludent en bevat op dat vlak geen onjuiste feiten. De adviserend arts heeft voldoende toegelicht hoe hij tot zijn conclusie is gekomen en in bezwaar gemotiveerd aangegeven waarom de aanvulling van de behandelend psychiater dat een thuisbehandeling theoretisch mogelijk is, niet tot een andere conclusie leidt. Van een onzorgvuldig advies is derhalve niet gebleken.

4.4.

Inhoudelijk stelt verweerder zich, blijkens het bestreden besluit, het verweerschrift en verweerders brieven van 1 mei 2020 en 24 juni 2020 primair op het standpunt dat eiser niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt omdat eiser aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening in de vorm van de geadviseerde behandeling in een GGZ-instelling. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers zorgbehoefte is gericht op behandeling en niet op ondersteuning. Pas nadat eiser is behandeld, kan een eventuele aanspraak op een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in Wmo 2015 worden beoordeeld, aldus verweerder.

4.5.

Alhoewel de rechtbank op onderdelen mee kan gaan in de denkrichting van verweerder, is zij van oordeel dat de Wmo 2015 geen wettelijke grondslag biedt voor het primaire standpunt van verweerder. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.5.1.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bevat een dwingend geformuleerde rechtsnorm, namelijk dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening beslist voor zover de betrokkene de daarmee te compenseren beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De rechtbank stelt vast dat hetzelfde geldt voor artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015, welke de dwingend geformuleerde rechtsnorm bevat dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening beslist voor zover betrokkene de daarmee te compenseren psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze artikelleden geen grondslag voor weigering van een maatwerkvoorziening indien gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende voorziening, zoals opname in een GGZ-instelling.

4.5.2.

In tegenstelling tot verweerders standpunt in zijn brief van 1 mei 2020, biedt artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 in het verlengde hiervan in de situatie van eiser evenmin grondslag voor weigering van de maatwerkvoorziening. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van dit artikellid een maatwerkvoorziening slechts kan weigeren indien een aanspraak bestaat op zorg op grond van de Wlz, dan wel indien er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. Gelet op het indicatiebesluit van CIZ van 23 mei 2016 waarin is besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz, het SMA waarin de adviserend arts tot dezelfde conclusie komt en het feit dat de geadviseerde behandeling in een GGZ-instelling vooralsnog onder de Zvw valt, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Dat voornoemd CIZ- besluit niet (langer) vaststaat, is de rechtbank op basis van het dossier niet gebleken.

4.5.3.

Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat artikel 2.3.5, vijfde lid, onder b, van de Wmo 2015 evenmin een grondslag biedt voor de bestreden afwijzing van eisers aanvraag om een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.5, vijfde lid, onder b, van de Wmo 2015 wordt de Zvw immers niet aangemerkt als voorliggende voorziening, maar is voorgeschreven dat afstemming plaatsvindt van de maatwerkvoorziening met zorg en diensten ingevolge de Zvw.

4.5.4

Gelet op de in het dossier aanwezige medische informatie heeft de rechtbank evenzeer begrip voor verweerders subsidiaire standpunt dat behandeling in een GGZ-instelling is aangewezen en de rechtbank kan bovendien het standpunt volgen dat dit medisch gezien wellicht het meest wenselijk is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder de aanvraag evenmin kon afwijzen op diens standpunt dat pas nadat eiser is behandeld, een eventuele aanspraak op een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in Wmo 2015 kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt hiertoe eveneens een wettelijke grondslag. Daartoe overweegt zij dat de Wmo 2015 een voorschrift ontbeert dat ertoe strekt dat een betrokkene een medische behandeling gericht op verbetering ondergaat, voordat deze betrokkene in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

4.6.

Nu, gelet op het voorgaande, aan de bestreden afwijzing een wettelijke grondslag ontbreekt, bevat deze een motiveringsgebrek en kan de besluitvorming als zodanig niet in stand blijven. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitspraak hiermee met name wordt gedragen door juridische overwegingen en de oplossing van het onderliggende geschil niet dichterbij brengt. De rechtbank ziet evenwel geen ruimte voor een bredere weging van het geschil. De rechtbank zal verweerder daarom middels toepassing van de bestuurlijke lus in de gelegenheid stellen het gebrek in de besluitvorming te herstellen.

4.7.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor inwilliging van eisers verzoek om een onafhankelijk deskundige in te schakelen, omdat eisers medische situatie als zodanig niet in geschil is.

5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen dient verweerder de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Daartoe dient verweerder nader onderzoek te doen, waarbij hij opnieuw met eiser, zijn vertegenwoordiger en zijn zorgverleners in overleg moet om vast te stellen welke behoefte aan ondersteuning eiser naast zijn behoefte aan zorg en/of behandeling heeft zolang hij nog niet in een GGZ-instelling is opgenomen en behandeling thuis plaatsvindt. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak.

6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.

7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is op 4 augustus 2020 gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.