Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8169

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1397
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewet-zaak / Koroseç / Protocol angststoornissen niet van toepassing / GAF-score / geen aanleiding meer beperkingen vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4435

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.M. Prins)

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, (gemachtigde mr. B.M. de Wolff).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 6 maart 2019 beëindigd.

Bij besluit van 13 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft een eerste maal plaatsgevonden op 28 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich toen laten vertegenwoordigen door F.J. Latenstein.

De rechtbank heeft ter zitting aanleiding gezien het onderzoek te heropenen om de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) in staat te stellen te reageren op het behandelplan van 6 juni 2019 en op het ter zitting door eiser ingenomen standpunt dat hij zijn klachten op psychisch vlak in zijn contact met de verzekeringsartsen niet toereikend naar voren heeft gebracht, zodat de juiste aard en omvang van zijn problemen niet bij de verzekerings-geneeskundige beoordeling is betrokken.

Verweerder heeft een aanvullend rapport van zijn verzekeringsarts b&b overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is op 13 juli 2020 via Skype voortgezet. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.M. de Wolff.

Overwegingen

1. Eiser was van 1 juni 2018 tot en met 1 september 2018 werkzaam als administratief medewerker bij Pravi B.V. in Den Haag. Op 28 augustus 2018 is hij ziek uitgevallen en is vervolgens ziek uit dienst gegaan. Hem is per 3 september 2018 een ZW-uitkering toegekend.

2.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 6 maart 2019 beëindigd omdat eiser per die datum niet toegenomen arbeidsongeschikt is te achten voor zijn eigen werk.

2.2

Verweerder heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat de verzekeringsarts b&b geen aanleiding ziet de conclusie van de primaire verzekeringsarts dat eiser geschikt is voor zijn eigen werk, te wijzigen.

3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder in bezwaar het primaire besluit niet volledig heeft heroverwogen. Verder voldoet het verzekeringsgeneeskundig onderzoek volgens eiser niet aan het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten voor wat betreft toetsbaarheid, reproduceerbaarheid en consistentie, onder meer omdat geen onderzoek is gedaan met inachtneming van het protocol Angststoornissen. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de gediagnostiseerde PTSS, ten aanzien van de impact eiser heeft gewezen op een lage GAF-score en op de beschreven stemmingsklachten. Tot slot verzoekt eiser, in aansluiting op het voorgaande, op grond van het Koroseç-arrest tot benoeming van een externe deskundige.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het geschil.

4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent ongeschiktheid tot werken van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.

5. In het verlengde van dit uitgangspunt heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (Koroşec), uitgangspunten ontwikkeld in zaken waarin de overheid zich beroept op een advies van een eigen medisch deskundige. Daaruit volgt dat de beoordeling door de bestuursrechter dient plaats te vinden aan de hand van een uit drie stappen bestaand beoordelingskader. In het licht van het standpunt in beroep dat de besluitvorming niet kan worden gedragen door de voorliggende medische beoordeling waardoor een deskundige zou moeten worden benoemd, zal de rechtbank zal deze stappen hieronder doorlopen.

5.1

Inzake de eerste stap, betreffende de zorgvuldigheid, stelt de rechtbank allereerst in het algemeen vast dat zij geen aanknopingspunten heeft om te oordelen dat verweerder het primaire besluit niet volledig heeft heroverwogen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b volgt niet dat hij slechts marginaal de primaire beoordeling heeft getoetst. Inzake deze primaire beoordeling stelt de rechtbank verder vast dat de primaire arts op 25 maart 2019 bij eiser onderzoek heeft verricht en het dossier en de probleemverkenning bestudeerd. De verzekeringsarts b&b heeft op 12 juni 2019 rapport uitgebracht, waarin hij heeft uiteengezet waarom hij geen aanleiding ziet de eerdere verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming te wijzigen. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht en heeft eiser op 2 mei 2019 medisch onderzocht. Ook heeft hij informatie bij de huisarts opgevraagd en verkregen en bij zijn beoordeling betrokken. Verder waren er geen behandelaren. De stelling van eiser dat de verzekeringsarts b&b geen informatie uit de behandelend sector heeft opgevraagd, is dus niet juist. Het klopt dat de verzekeringsarts b&b na de schorsing van het onderzoek eiser niet nogmaals heeft onderzocht, maar zoals namens verweerder ter zitting naar voren is gebracht is het in dit kader niet gebruikelijk dat te doen en bestond hier volgens verweerder ook geen aanleiding toe. Dit standpunt komt de rechtbank niet onredelijk voor, mede gelet op de datum in geding van 25 maart 2019 en de aard van de klachten, in welk verband de toegevoegde waarde van een nadere toelichting door eiser onduidelijk is gebleven. Eiser heeft voorts betoogd dat verweerder ten onrechte niet het protocol Angststoornissen heeft gevolgd. De rechtbank twijfelt niet aan de aanwezigheid van angststoornissen bij eiser, maar stelt in het kader van de toets naar de zorgvuldigheid dat het hier om een ZW-beoordeling gaat, waardoor het protocol niet van toepassing is.1 Ook indien het protocol als vingerwijzing voor de ZW-beoordeling heeft te gelden, zoals ter zitting door eiser is betoogd, is daarmee niet onderbouwd dat de thans verrichte beoordeling onzorgvuldig is geweest. Voor zover eiser in dit verband zich tevens op het standpunt beroept dat de verschillende onderzoeken te kort hebben geduurd om tot gedegen conclusies te kunnen komen, heeft in het algemeen te gelden dat de lengte van een onderzoek geen criterium is voor de zorgvuldigheid daarvan.2 Bovendien ontleent de rechtbank aan het aanvullende rapport van de verzekeringsarts b&b dat de aanwezigheid van PTSS, angstklachten en stemmings- en slaapstoornissen herhaaldelijk is onderkend en gewogen. Gelet op al het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eerste stap, namelijk de zorgvuldigheid van de besluitvorming.

5.2.1

De tweede stap ziet op het beginsel van equality of arms. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter in dit licht de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen verweerder en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld.

5.2.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende de mogelijkheid gekregen om het standpunt van de verzekeringsartsen te betwisten. In dat kader wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts b&b in de bezwaarfase informatie heeft ontvangen van de orthopedisch chirurg en de huisarts van eiser en deze bij de beoordeling heeft betrokken. Verder heeft de rechtbank eiser bij brief van 16 juli 2019 in de gelegenheid gesteld om medische informatie te overleggen om zijn beroep verder te onderbouwen. Dit betekent dat eiser voldoende mogelijkheid heeft gehad om weerwoord te bieden aan wat de verzekeringsartsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit.

5.3.1

Wat betreft de inhoudelijke beoordeling en daarmee de derde stap, ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten om het medisch oordeel van de beide verzekeringsartsen in twijfel te trekken, waartoe de rechtbank het navolgende overweegt

5.3.2

De primaire verzekeringsarts is op basis van de aanwezige informatie tot de conclusie gekomen dat eiser onveranderd belastbaar voor het eigen werk is per datum ziekmelding. Er is geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts b&b heeft zich bij de heroverweging op het standpunt gesteld dat er feitelijke aanwijzingen zijn voor chronische knieklachten met een defect kraakbeen. De knieklachten, ten aanzien waarvan eiser in 2018 naar de fysiotherapeut is verwezen, zijn niet van belemmerende betekenis voor de maatgevende administratieve en overwegend zittende werkzaamheden. De psychische klachten met slaapstoornissen zijn ook aannemelijk met de voorgeschiedenis in 2013, behandeling in 2015 en zijn kennelijk opnieuw opgespeeld in 2018 en 2019. Toch vormen zij geen beletsel voor administratieve werkzaamheden, hetgeen evenmin geldt voor het chronisch gebruik van Mirtazapine voor de nacht en de eenmalige allergie of paniekreactie eind september 2018. De verwijzingen op 1 april 2019 en 24 april 2019 naar de GGZ lijken nodig met de aanhoudende klachten sinds jaren, maar geven ook geen zicht op doorlopende arbeidsongeschiktheid voor maatgevende arbeid. Voor ernstige ziektelast in de periode van augustus 2018 tot de datum in geding kan uit de informatie van de huisarts evenmin een onderbouwing worden gevonden. Bij genoteerde bevindingen van de huisarts, primaire verzekeringsarts en in bezwaar is er volgens de verzekeringsarts b&b aldus geen reden voor belemmeringen ten aanzien van laatst verrichtte werk.

5.3.3

Aanvullend heeft de verzekeringsarts b&b het volgende gerapporteerd. Uit het behandelplan van 6 juni 2019 volgt niet dat eiser door zijn persoonlijkheid zijn klachten op psychisch vlak niet goed naar voren heeft kunnen brengen. De aanwezigheid van PTSS, angstklachten, stemmings- en slaapstoornissen is herhaaldelijk onderkend, gewogen en niet weersproken. Op de periode in geding is alleen sprake van medicijngebruik, al is eiser daarin niet trouw. De observaties van de verzekeringsartsen worden niet weerlegd door de huisarts en het behandelplan, aldus de verzekeringsarts b&b. Verder blijkt uit het spreekuurcontact in de primaire fase dat eiser vermijdend was, afhankelijk, er was sprake van oogcontact, maar niet van angsten, wanen en lijdensdruk. Eiser heeft geen poging tot zelfdoding gedaan, vertoont geen moeheid en heeft geen wallen. In bezwaar was eiser verzorgd, helder in zijn bezwaren, er was geen sprake van vergissingen, spanningen, angst, somberheid of stemmingsverlies.

5.3.4

De rechtbank is gelet op het voorgaande in het licht van de beroepsgronden van oordeel dat geen aanleiding bestaat meer beperkingen vast te stellen. Eiser heeft in dit verband geen medische stukken in beroep overgelegd die aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat hij op de datum in geding op medisch objectieve gronden meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd. De rechtbank wijst er daarbij op dat het aan verzekeringsartsen is om uit medische informatie arbeidsbeperkingen vast te stellen.3 Daarbij is een gestelde diagnose niet doorslaggevend voor de aan te nemen beperkingen.4 De rechtbank erkent dat eiser een lage GAF-score heeft, maar dit kan op zichzelf niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het GAF-systeem bedoeld is om in het kader van een behandeling enig handvat te bieden voor een beoordeling van het beloop ervan. Het is niet bedoeld om beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen, of de arbeidsongeschiktheid te beoordelen.5 Het is mogelijk dat eiseres meer klachten ervaart, maar uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat er sprake is van medisch te objectiveren beperkingen, anders dan door de verzekeringsarts b&b zijn vastgesteld.6

6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit voornoemde stappen dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden onderschreven en in het verlengde daarvan dat geen aanleiding bestaat om een deskundige te benoemen. Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht en op goede gronden eisers ZW- uitkering per 6 maart 2019 heeft beëindigd.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y.D. David, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 augustus 2020.

In verband met de maatregelen rond het coronavirus is deze beslissing op de uitspraakdatum niet uitgesproken tijdens een openbare uitsprakenzitting. Dit zal op een later moment alsnog gebeuren. De uitspraak wordt zo spoedig mogelijk (geanonimiseerd) gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 CRvB 23 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1339.

2 CRvB 3 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1331.

3 CRvB 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2474.

4 CRvB 23 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2443.

5 CRvB 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:902.

6 CRvB 15 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:77.