Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
NL20.12000
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bnt, 8+8 model, vaststelling dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.12000


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 6 juni 2020 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 10 september 2019.

Verweerder heeft op 19 juni 2020 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 30 juli 2020 daarop gereageerd en heeft de rechtbank verzocht zo snel mogelijk uitspraak te doen op zijn beroep.

De rechtbank heeft de zaak enige tijd aangehouden omdat besluitvorming niet kon plaatsvinden door omstandigheden die samenhangen met de coronamaatregelen. Na versoepeling van de coronamaatregelen heeft de rechtbank de behandeling van de zaak hervat. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn organisatie aan te passen aan de maatregelen die thans nog gelden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

3. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn.

5. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.

6. Eiser heeft op 10 september 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, Vw had verweerder uiterlijk op 9 maart 2020 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is verstreken. Bij brief van 20 mei 2020 heeft eiser verweerder meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep terecht ingediend omdat de wettelijke beslistermijn is verstreken en de ingebrekestelling van 20 mei 2020 geldig is. Het beroep is kennelijk gegrond.

8. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Volgens het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

9. Uit het verweerschrift blijkt dat eiser nog niet in de gelegenheid is gesteld zijn asielaanvraag te onderbouwen. Een gehoor heeft nog niet plaatsgevonden. In zijn reactie op het verweerschrift heeft eiser aangevoerd dat hij weliswaar was uitgenodigd om te worden gehoord, maar dat dit gehoor wegens capaciteitsgebrek niet is doorgedaan, terwijl eiser voor niets de hele dag voor zijn gehoor op het betreffende AC aanwezig is geweest. Onduidelijk is wanneer eiser opnieuw zal worden uitgenodigd. Vanwege het mismanagement van verweerder en de zoveelste teleurstelling verzoekt eiser de rechtbank om verweerder een kortere beslistermijn op te leggen en af te wijken van het zogenaamde ‘8+8-model’.

De rechtbank overweegt als volgt.

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 20201 zal de rechtbank, nu sprake is van een situatie waarin de asielaanvrager nog niet is gehoord en rekening houdend met de naleving van andere wettelijke voorschriften, bepalen dat verweerder binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag moet bekendmaken, in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het gehoor eerder geen doorgang heeft kunnen vinden geen aanleiding om een kortere beslistermijn op te leggen.

11. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.

12. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank indien het beroep gegrond is desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Eiser heeft in zijn beroepschrift verzocht om vaststelling van deze dwangsom. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat vanwege het uitbreken van de coronapandemie en de maatregelen die zijn getroffen om de verspreiding van het coronavirus te beperken vanaf 16 maart 2020 door overmacht verweerder niet in staat is om te beslissen op de aanvraag van eiser. Verweerder verzoekt de rechtbank dan ook bij de berekening van de bestuurlijke dwangsom om geen rekening te houden met de dagen vanaf 16 maart 2020 tot zolang de maatregelen voortduren.

13. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 3 juli 20202 waarin de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft overwogen dat wegens het uitbreken van de coronapandemie en de plotselinge maatregelen die zijn getroffen om de verspreiding van het coronavirus in te perken, voor de periode van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020, sprake was van een situatie waarin verweerder niet bij machte was om een besluit te kunnen nemen op de asielaanvraag. De rechtbank volgt zittingsplaats Arnhem in dit standpunt. De periode 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 gaat echter aan de ingebrekestelling vooraf. De ingebrekestelling dateert van 20 mei 2020 en verweerder heeft niet binnen twee weken nadien een besluit genomen op de aanvraag. Op het moment van deze uitspraak zijn meer dan 42 dagen verstreken. Ook de termijn van artikel 4:18 van de Awb is inmiddels verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- heeft verbeurd.

14. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijkt te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een eerste gehoor af te nemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval binnen zestien weken na deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag en dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal

€ 1.442,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 ECLI:NL:RVS:2020:1560

2 ECLI:NL:RBDHA:2020:6088