Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:8107

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
09/767189-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering ter zake van mensenhandel, waarbij wordt afgeweken van de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de toekenning van de vorderingen van de benadeelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/767189-16

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te Amersfoort,

[adres] .

1 Het onderzoek ter zitting

De vordering is aan de orde geweest op de terechtzitting van 19 juli 2017. Hierna heeft een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden tussen de officier van justitie, mr. F.A. Kuipers, en de raadsman van de veroordeelde, mr. M. Berndsen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het rapport ‘berekening wederrechtelijk voordeel per delict’ van 28 maart 2017;

- de conclusie van antwoord van 17 augustus 2017;

- de conclusie van repliek van de officier van justitie van 25 januari 2019;

- de conclusie van dupliek van de raadsman van 8 maart 2019;

- het arrest van het Gerechtshof Den Haag in de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde van 27 juni 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1690;

- het arrest van de Hoge Raad in voornoemde strafzaak van 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1009.

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 augustus 2020.

De veroordeelde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

Namens de veroordeelde is op de terechtzitting verschenen zijn raadsman, mr. M. Berndsen, die op de vordering is gehoord en daartegen verweer heeft gevoerd.

2 De vordering

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het geldbedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 155.995,00.

Ter terechtzitting van 12 augustus 2020 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd en gevorderd dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 164.203,25.

De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op voornoemd arrest van het Gerechtshof, waarin de veroordeelde, kort gezegd, is veroordeeld voor mensenhandel jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd door hen te dwingen geld af te staan dat zij in de prostitutie verdienden, en op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) van 28 maart 2017.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir het volgende gesteld.

Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Het Gerechtshof heeft als pleegperiode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 bewezen verklaard, maar bij het berekenen van de materiële schade de maanden december 2013 en januari 2014 buiten beschouwing gelaten, nu [slachtoffer 1] in het begin haar geld nog mocht houden. Hiermee rekening houdend dient er volgens het Gerechtshof te worden uitgegaan van in totaal 220 dagen of dagdelen. Met betrekking tot de bruto verdiensten wordt aangesloten bij het rapport, waarin wordt uitgegaan van een bruto inkomen van € 500,00 per dag. Hiermee komen de verdiensten en het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 110.000,00 (€ 500,00 x 220). De kosten van de kamerhuur (€ 22.000,00), vervoer en eten overdag (€ 4.400,00) en hulpmiddelen en hygiëneproducten (€ 2.200,00) moeten van het bruto wederrechtelijk voordeel worden afgetrokken. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 81.400,00 (€ 110.000,00 - € 22.000,00 - € 4.400,00 - € 2.200,00). De kosten van de woning zijn geen kosten die in mindering strekken op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat ze geen rechtstreeks verband houden met het strafbare feit: de veroordeelde zou die kosten ook gemaakt hebben als hij dat niet had gepleegd.

Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Het Gerechtshof heeft als pleegperiode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 bewezen verklaard, maar bij het berekenen van de materiële schade de maanden februari 2014, februari 2015 en maart 2015 buiten beschouwing gelaten. Hiermee rekening houdend dient er te worden uitgegaan van in totaal 224 dagen of dagdelen. Met betrekking tot de bruto verdiensten wordt aangesloten bij de verklaringen van [slachtoffer 2] en wordt het inkomen geschat op € 600,00 per dag. Hiermee komen de verdiensten en daarmee het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 134.400,00 (€ 600,00 x 224). De kosten van de kamerhuur (€ 26.240,00), vervoer (€ 11.200,00), van hygiëneproducten, hulpmiddelen en eten (€ 4.480,00), van de aankoop van een auto voor het slachtoffer (€ 7.895,00) en een vakantie naar Egypte (€ 1.781,75) moeten van het bruto wederrechtelijk voordeel worden afgetrokken. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 82.803,25 (€ 134.400,00 - € 26.240,00 - € 11.200,00 - € 4.480,00 - € 7.895,00 - € 1.781,75). De kosten voor de woning van [slachtoffer 2] kunnen niet in mindering strekken op het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat [slachtoffer 2] deze voldeed uit haar uitkering. Dit geldt ook voor de kosten van haar levensonderhoud. Het is daarmee aannemelijk dat zij haar gehele verdiende geld aan hem afdroeg, behoudens de hiervoor genoemde bedragen.

Het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel komt daarmee op € 164.203,25 (€ 81.400,00 + € 82.803,25).

2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal kan worden geschat op € 29.320,00. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Er dient, net als het Gerechtshof in zijn arrest bij de beoordeling van de vordering benadeelde partij heeft gedaan, te worden uitgegaan van een netto forfaitair bedrag van € 200,00 per dag. Voorts dient te worden uitgegaan van in totaal 224 dagen of dagdelen. Hiermee komen de verdiensten en het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 44.800,00 (€ 200,00 x 224). De in verband met het strafbare feit gemaakte kosten zoals vastgesteld door het Gerechtshof worden geschat op € 1.000,00 per maand. De kosten komen daarmee op een totaal van € 13.000 (13 x € 1.000,00). Dit betekent dat het netto inkomen vastgesteld dient te worden op € 31.800,00 (€ 44.800,00 - € 13.000,00). Het is redelijk te veronderstellen dat niet meer dan 50% van de netto opbrengst als wederrechtelijk verkregen voordeel is doorgevloeid naar cliënt. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 15.900,00 (€ 31.800,00 x 0.50).

Het verkregen voordeel uit de prostitutie van het slachtoffer [slachtoffer 2]

Er dient ook hier, net als het Gerechtshof in zijn arrest bij de beoordeling van de vordering benadeelde partij heeft gedaan, te worden uitgegaan van een netto forfaitair bedrag van

€ 200,00 per dag. Voorts dient er worden uitgegaan van in totaal 238 dagen of dagdelen in Den Haag en Amsterdam. Hiermee komen de verdiensten en dus het netto wederrechtelijk verkregen voordeel op € 47.600,00 (€ 200,00 x 238). Voor de werkzaamheden in Antwerpen dient te worden uitgegaan van 7 dagen of dagdelen. De netto opbrengsten uit Antwerpen worden geschat op € 1.500,00. De kosten worden door het Gerechtshof geschat op € 1.000,00 per maand en komen daarmee op een totaal van € 13.000,00 (13 x € 1.000,00). Hier komt bij de aanschaf van de auto van € 7.500,00, een vakantie naar Egypte van € 3.500,00 en de kosten van hotelverblijf in Antwerpen van € 400,00. Dit maakt dat het netto inkomen vastgesteld dient te worden op € 24.400,00 (€ 47.600,00 + € 1.500,00 - € 13.000 - € 7.500,00 - € 3.500,00 - € 400,00). Het is redelijk te veronderstellen dat niet meer dan 55% van de netto opbrengst als wederrechtelijk verkregen voordeel is doorgevloeid naar cliënt. Dit maakt dat het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden op € 13.420,00 (€ 24.400,00 x 0.55).

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt tijdens de bewezen verklaarde periode voortdurend financiële problemen had en uit zijn levensstijl bleek dat hij het niet breed had. Dit vormt een belangrijke indicatie voor het feit dat er maar een (klein) deel van de verdiensten naar hem is doorgevloeid. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de rechtbank rekening dient te houden met de door het Gerechtshof reeds toegewezen vorderingen benadeelde partij en dat de rechtbank het ontnemingsbedrag dient te verminderen met 5% dan wel 10% vanwege overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen op de ontnemingsvordering moet worden beslist.

3 Beoordeling van de vordering

3.1

De grondslag van de vordering

De veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof van 27 juni 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden met aftrek van voorarrest ter zake van mensenhandel, meermalen gepleegd. De Hoge Raad heeft dit arrest weliswaar vernietigd, maar dat betrof slechts twee, voor de ontneming niet relevante punten; zo is de duur van de opgelegde gevangenisstraf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn met twee maanden teruggebracht. Voor het overige is het arrest van het hof in stand gelaten.

De grondslag voor de ontnemingsvordering is dus een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig van de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan.

3.2

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de veroordeelde voordeel heeft genoten uit de baten van de bewezen verklaarde feiten (artikel 36e lid 1 Sr).

De rechtbank leidt uit haar dossier de navolgende feiten en omstandigheden af die redengevend zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.2.1.

Slachtoffer [slachtoffer 1]

3.2.1.1. Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel

Ten aanzien van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel stelt de rechtbank vast dat het Gerechtshof bij de beoordeling van de omvang van de materiële schade in het kader van de vordering benadeelde partij een periode van 220 dagdelen heeft gehanteerd, te weten van februari 2014 tot en met februari 2015. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken, nu dit oordeel voortvloeit uit informatie in het strafdossier. Verder heeft het Gerechtshof ten aanzien van de materiële schade de omzet en de kosten en daarmee het schadebedrag geschat, omdat een deugdelijke financiële administratie ontbreekt. Voor de gemiddelde omzet is een in de rechtspraak inmiddels gangbaar forfaitair bedrag van € 200,00 per dag gerekend. Het Gerechtshof heeft overwogen dat het dossier geen aanknopingspunten bied om daarvan af te wijken. De rechtbank acht zich in het kader van de nu voorliggende ontnemingsprocedure niet gebonden aan dit oordeel van het Gerechtshof in de hoofdzaak. Zij overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsrechter volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak, voor zover dat betrekking heeft op een verweer dat in de hoofdzaak is gevoerd. De ontnemingsrechter komt echter een zelfstandig oordeel toe met betrekking tot alle verweren die gaan over de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat. De rechtbank onderscheidt in deze zaak de civiele procedure (de vordering benadeelde partij) van de strafrechtelijke procedure (de ontnemingsmaatregel). Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Op die procedure is het civiele recht van toepassing. Het initiatief tot bewijslevering ligt bij de partijen zelf, in die zin dat zij het bewijsmateriaal aandragen. De rechter waardeert het bewijs, hetgeen wil zeggen dat hij beoordeelt in hoeverre het bewijs overtuigend is. De ontnemingsmaatregel is daarentegen volledig gericht op herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin en betreft een strafrechtelijke maatregel. De ontnemingsprocedure staat in het teken van de vraag of er wederrechtelijk voordeel is verkregen en wat de omvang daarvan is.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij zo’n € 500,00 tot € 600,00 per dag verdiende en consistent is geweest in haar verklaringen hierover.2 De rechtbank kiest er derhalve voor om wat betreft de bruto inkomsten aansluiting te zoeken bij de verklaring van het slachtoffer en bij het bedrag zoals vastgesteld in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten € 500,00.

Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 110.000,00 (220 dagen x € 500,00).

3.2.1.3. Afdracht geld aan veroordeelde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit diverse omstandigheden blijkt dat [slachtoffer 1] niet gedurende de hele bewezen verklaarde periode al haar inkomen afstond en dat derhalve maar een percentage ervan (50%) als wederrechtelijk voordeel is doorgevloeid naar de veroordeelde. De rechtbank stelt vast dat het Gerechtshof de periode van 12 december 2013 tot en met 31 maart 2015 bewezen heeft verklaard. Bij de berekening van de materiële schade door het Gerechtshof en bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank is rekening gehouden met de verklaringen van [slachtoffer 1] over periode waarin zij al haar geld afstond, namelijk van februari 2014 tot en met februari 2015. Deze periode is wezenlijk korter dan de bewezen verklaarde periode en doet recht aan de omstandigheden van het geval en aan de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij aan het begin haar geld nog wel zag, maar dat dit steeds minder werd. De rechtbank ziet in het dossier geen andere aanknopingspunten die zouden moeten maken dat vanaf februari 2014 niet al het geld doorvloeide naar de veroordeelde. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

3.2.1.4. Kosten

Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur

Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur stelt de rechtbank vast dat de beheerder van het raamprostitutiepand in de Geleenstraat waar het slachtoffer werkte, heeft verklaard dat de huur voor een dag € 100,00 bedraagt.3 Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur op € 22.000,00 (220 dagen x € 100,00).

Ten aanzien van de kosten voor vervoer en eten

Ten aanzien van het vervoer stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij door de veroordeelde naar haar werk werd gebracht en ook altijd weer werd opgehaald.4 Verder heeft zij verklaard dat ze voor eten en benzine € 20,00 per dag van de veroordeelde kreeg.5 Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de vervoer en eten op € 4.400,00 (220 dagen x € 20,00).

Ten aanzien van de overige kostenposten

Het rapport gaat uit van een percentage van 5,4% van de bruto omzet voor administratiekosten, vervoer, telefoonkosten, hulpmiddelen, kleding, hygiëne, uiterlijk, linnengoed en algemene kosten. Het hiervoor besproken bedrag voor vervoer en eten is 4% van de bruto omzet. Conform het standpunt van de officier van justitie zal de rechtbank in het voordeel van de veroordeelde 2% van de bruto omzet berekenen voor de overige kosten zoals hulpmiddelen en hygiëneproducten. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de overige kostenposten op € 2.200,00 (220 dagen x € 10,00).6

Ten aanzien van de kosten voor levensonderhoud

Ten aanzien van de huisvestingskosten stelt de rechtbank vast dat kosten alleen aftrekbaar zijn als deze in rechtstreeks verband staan met het strafbare feit. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij en de veroordeelde al na een week samenwoonden.7 De kosten die de veroordeelde voor levensonderhoud heeft gemaakt komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor aftrek in aanmerking omdat deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Bovendien is door [slachtoffer 1] verklaard dat de kosten van huisvesting werden voldaan uit de uitkering van veroordeelde.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1]

Wil een vordering van de benadeelde derde in mindering kunnen worden gebracht op het geschatte ontnemingsbedrag, dan dient de vordering reeds in rechte zijn toegekend. Bij in ‘rechte toegekend zijn’ kan worden gedacht aan het geval dat een schadebedrag de benadeelde derde als gevoegde partij is toegekend of als de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de strafzaak tegen de veroordeelde met het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2020 onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal derhalve de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zoals toegewezen door het Gerechtshof ad € 31.000,00 in mindering brengen.

Tussenconclusie van de rechtbank over de kosten

De rechtbank komt tot het oordeel dat de totale kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken moeten worden geschat op € 59.600,00 (€ 22.000,00 + € 4.400,00 + € 2.200,00 + € 31.000).

3.2.1.5. Wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [slachtoffer 1]

Het netto bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 50.400,00 (€ 110.000,00 - € 59.600,00).

3.2.2.

Slachtoffer [slachtoffer 2]

3.2.2.1. Bruto wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt voorop dat zij de gewerkte dagen van [slachtoffer 2] in Antwerpen niet zal meerekenen, nu zij over de eerste periode in Antwerpen heeft verklaard dat ze pas na haar werkzaamheden in België haar geld moest afdragen en de tweede periode in Antwerpen buiten de bewezen verklaarde periode valt. Ten aanzien van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel stelt de rechtbank vast dat het Gerechtshof bij het vaststellen van de materiële schade een periode van 227 dagdelen heeft gehanteerd, van maart 2014 tot en met januari 2015. De rechtbank zal echter, conform de berekening van de officier van justitie en in het voordeel van de veroordeelde, een periode van 224 dagen hanteren en overweegt in dit verband het volgende.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze vanaf maart 2014 haar geld niet meer terug kreeg.8 Het afstaan van geld duurde tot en met februari 2015.9 Op 1 en 2 februari 2015 heeft zij laatstelijk een kamer gehuurd in Amsterdam.10 Dit betreft 238 gewerkte dagen, maar daarvan trekt de rechtbank 14 dagen af. [slachtoffer 2] heeft immers verklaard dat ze ongeveer 14 dagen wel een plek had gereserveerd maar niet heeft gewerkt wegens lichamelijke klachten of vakantie.11 Dit resulteert in 224 dagen.

De rechtbank ziet ook hier – zoals onder 3.2.1.1 al ten aanzien van [slachtoffer 1] is overwogen – aanleiding om af te wijken van het door het Gerechtshof vastgestelde forfaitaire bedrag van € 200,00 per dag. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze zo’n € 400,00 netto per dag verdiende, soms zo’n € 500,00, en dat was na aftrek van de kamerhuur ad € 100.12 Bij de rechter-commissaris heeft ze verklaard dat haar gemiddelde dagomzet zo’n € 450,00 tot € 500,00 was. Dit zou het bedrag zijn dat gemiddeld overbleef nadat de kosten waren betaald.13 De rechtbank zal derhalve de bruto inkomsten vaststellen op € 500,00 per dag.

Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 112.000,00 (224 dagen x € 500,00).

3.2.2.2. Afdracht geld aan veroordeelde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit diverse omstandigheden blijkt dat [slachtoffer 2] niet al haar netto inkomsten heeft afgestaan aan de veroordeelde en dat derhalve maar een percentage ervan (50%) kan worden gezien als wederrechtelijk voordeel dat naar hem is doorgevloeid. De rechtbank stelt vast dat het Gerechtshof de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015 bewezen heeft verklaard. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank is rekening gehouden met de verklaringen van [slachtoffer 2] over de periode waarin zij haar geld afstond, namelijk van maart 2014 tot en met begin februari 2015. De rechtbank stelt echter vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij vanaf april 2014 tot en met 4 februari 2015 geld heeft afgestaan. Ook heeft zij verklaard dat de veroordeelde vast heeft gezeten vanaf begin mei tot halverwege de ramadan en dat ze in die periode niet alles heeft afgegeven.14 De rechtbank stelt op grond van algemeen toegankelijke bronnen vast dat de ramadan in 2014 van 28 juni tot en met 28 juli duurde. Dit maakt dat [slachtoffer 2] gedurende een periode van begin mei tot half juli (76 dagen) minder geld heeft afgestaan. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel gedurende die periode zal verminderen met 50%.

Dit maakt dat de rechtbank over een periode van 148 dagen (224 – 76) 100% afdracht zal worden berekend (€ 500,00) en over een periode van 76 dagen 50% afdracht (€ 250,00).

Op grond daarvan schat de rechtbank de verdiensten op € 93.000,00 (€ 74.000,00 + € 19.000,00)

3.2.2.3. Kosten

Ten aanzien van de kosten voor kamerhuur

Ten aanzien de kamerhuur in Den Haag stelt de rechtbank vast dat de beheerder van het raamprostitutiepand in de Geleenstraat waar [slachtoffer 2] heeft gewerkt heeft verklaard dat de huur voor een dag € 100,00 is.15 Van Koert is in de periode van maart 2014 tot en met mei 2014 in totaal 14 dagen werkzaam geweest in Den Haag.16 Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur in Den Haag op € 1.400,00 (14 dagen x € 100,00).

Ten aanzien van de kamerhuur in Amsterdam stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] daar in de periode van maart 2014 tot en met februari 2015 in totaal 223 dagen heeft gewerkt, waaronder twee avonden (in mei 2014). De huur voor een dagdeel was € 110.00, voor een avond was dit € 150,00.17 Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de kamerhuur in Amsterdam op € 24.610,00 (221 dagen x € 110,00 + 2 avonden x € 150,00).

De totale kamerhuur wordt hiermee geschat op € 26.010,00 (€ 1.400,00 + € 24.610,00).

Ten aanzien van de kosten voor vervoer

Ten aanzien van het vervoer stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij af en toe zelf met de auto naar Amsterdam ging. Ze betaalde dan € 50,00 aan parkeerkosten. Meestal werd ze door de veroordeelde gebracht.18

Een bedrag van € 50 voor de vervoerskosten komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor vervoer op € 11.200,00 (€ 50,00 x 224 dagen).

Ten aanzien van overige kostenposten en eten

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij € 20,00 per dag kreeg om hygiëneproducten en hulpmiddelen en eten en drinken van te kopen. Ze deed voor die € 20,00 zelf boodschappen.19 Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor. Op grond daarvan schat de rechtbank de overige kosten op € 4.480,00 (224 dagen x € 20,00).

Ten aanzien van levensonderhoud

Ten aanzien van de huisvestingskosten stelt de rechtbank vast dat kosten alleen aftrekbaar zijn als deze in rechtstreeks verband staan met het strafbare feit. De kosten die veroordeelde hiervoor heeft gemaakt komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor aftrek in aanmerking omdat deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van de kosten voor aankoop auto

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat ze een roze Volkswagen Golf kreeg van veroordeelde.20 Uit het voegingsformulier benadeelde partij blijkt dat door [slachtoffer 2] een bedrag van € 7.500,00 in mindering is gebracht op de afgestane inkomsten in verband met de aanschaf van een roze Golf. Dit bedrag is door het Gerechtshof ook in mindering gebracht op de materiële schade. Ook blijkt uit de vordering benadeelde partij dat een bedrag van € 395,00 in mindering is gebracht in verband met de aanschaf van schoenen. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de aanschaf van de auto en schoenen op € 7.895,00 (€ 7.500,00 + € 395,00)

Ten aanzien van de vakantie in Egypte

De rechtbank stelt ten aanzien van de vakantie in Egypte vast dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in oktober 2015 met veroordeelde op vakantie is geweest. Zij heeft hierover verklaard dat de vakantie € 1.563,50 kostte en dat ze € 2.000,00 meenamen. De vakantie is door haar betaald.21 De helft van de vakantie is dus aan de veroordeelde ten goede gekomen. De andere helft kan als aftrekpost worden afgetrokken. Op grond daarvan schat de rechtbank de kosten voor de vakantie in Egypte op € 1.781,75 (€ 3.563,50 / 2).

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 2]

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] is een vordering benadeelde partij onherroepelijk toegewezen. Dit betreft een bedrag van € 29.900,00, dat de rechtbank in mindering zal brengen.

Tussenconclusie van de rechtbank over de kosten

De rechtbank komt tot het oordeel dat de totale kosten die van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken moeten worden geschat op € 81.266,75 (€ 26.010,00 + € 11.200,00 + € 4.480,00 + € 7.895,00 + € 1.781,75 + € 29.900,00)

3.2.2.3. Wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [slachtoffer 2]

Het netto bedrag voor het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee geschat op € 11.733,25 (€ 93.000,00 - € 81.266,75).

4 Financiële omstandigheden veroordeelde

De raadsman heeft bepleit dat zijn cliënt in de bewezen verklaarde periode voortdurend financiële problemen had. Hij verwijst hierbij onder meer naar een getuigenverklaring van de moeder en de vrouw van zijn cliënt. Zo heeft de moeder verklaard dat zij in de periode eind 2013 tot en met begin 2015 kosten heeft moeten betalen voor haar zoon en dat er echt veel te weinig inkomsten waren. Ze zou veel voor haar zoon hebben moeten betalen. Ook zou haar zoon in die periode geen dure bezittingen hebben gehad. De echtgenote heeft verklaard dat als haar man zich op grote schaal verrijkt zou hebben, ze dit gemerkt zou moeten hebben. Qua financiën zouden ze afhankelijk zijn van de uitkering van haar man. De broer van veroordeelde heeft verklaard nimmer geld te hebben gekregen van zijn broer. Tegenover deze verklaringen staan de verklaringen van de slachtoffers. Het Gerechtshof heeft eerder geoordeeld dat de verklaringen van de slachtoffers weliswaar enige inconsistenties bevatten, maar niet in die mate dat ze terzijde moeten worden geschoven. Ze hebben ten aanzien van het afstaan van het in de prostitutie verdiende geld aan veroordeelde, vanaf het moment dat zij bij de politie zijn gehoord, consistent verklaard. De verklaringen van de slachtoffers ondersteunen elkaar niet alleen over en weer, maar vinden ook verankering in de verklaringen van getuigen.

De verklaringen van de slachtoffers zijn dus voldoende betrouwbaar. Of dat ook geldt voor de verklaringen van de moeder, vrouw en broer van de veroordeelde staat nog te bezien en ook als zij van extra inkomstenbronnen niets gemerkt zouden hebben, betekent dat nog niet dat veroordeelde deze inkomsten niet heeft gehad. Ter onderbouwing hiervan verwijst de rechtbank naar het dossier waaruit een beeld van blowen, feestjes, dure kleding, dure auto’s en vakanties blijkt. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met het gegeven dat de veroordeelde alleen over inkomsten uit een Wajong-uitkering zou beschikken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5 Korting in verband met overschrijding van de redelijke termijn

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vermindert met 5% dan wel 10%. De rechtbank overweegt als volgt.

In ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.

De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsvordering in persoon aan de veroordeelde is betekend op 26 juni 2017. De redelijke termijn is op dat moment aangevangen. De inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 12 augustus 2020, waarna vonnis wordt gewezen op 26 augustus 2020. Dit betekent dat er sinds de aankondiging ruim drie jaren zijn. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als regel dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaren moet zijn behandeld, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank in deze zaak niet gebleken. In die gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden kan in ontnemingszaken worden gehandeld naar bevind van zaken (HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

Rekening houdend met een termijnoverschrijding van ruim een jaar acht de rechtbank een vermindering van het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel met 5% passend en geboden. Dit betekent dat de betalingsverplichting ten aanzien van [slachtoffer 1] zal worden vastgesteld op € 47.880,00 (€ 50.400,00 - € 2.520,00) en ten aanzien van [slachtoffer 2] op € 11.146,59 (€ 11.733,25 - € 586,66).

6 Conclusie

De rechtbank zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op (€ 50.400,00 ten aanzien van [slachtoffer 1] + € 11.733,25 ten aanzien van [slachtoffer 2] =) € 62.133,25.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op (€ 47.880,00 ten aanzien van [slachtoffer 1] + € 11.146,58 ten aanzien van [slachtoffer 2] =) € 59.026,58.

7 Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 62.133,25.

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 59.026,58 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 315 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. van de Wetering, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 augustus 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL0900-201506981-2 van team migratiecriminaliteit en mensenhandel (doorgenummerd pagina 1 t/m 412).

2 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 11 mei 2016, blz. 64 - 65.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juni 2016, blz. 98.

4 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 17 februari 2017, blz. 75.

5 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 17 juli 2017.

6 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 maart 2017, blz. 4.

7 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 17 februari 2017, blz. 74.

8 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz. 95.

9 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, blz. 162 - 165.

11 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017.

12 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 15 juni 2015, blz. 91.

13 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017.

14 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz. 91.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 6 juni 2016, blz. 98.

16 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 28 maart 2017, blz. 14.

17 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2016, blz. 162 - 165.

18 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017.

19 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, d.d. 11 juli 2017.

20 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz. 95.

21 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 2 december 2015, blz. 91.